Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4464

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
AWB 14/1034
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2226, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

APV; Bibob; weigering drank- en horecavergunning en exploitatievergunning. De rechtbank is van oordeel dat de feiten waarop het Landelijk Bureau Bibob zich heeft gebaseerd, niet de conclusie kunnen dragen dat er in dit geval (nog) ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen voordelen te benutten. Nu het bestreden besluit wat betreft de weigeringsgrond uitsluitend op het Bibob-advies berust en ter zitting is gebleken dat verweerder ook geen andere feiten aan de weigering op deze grond ten grondslag kan leggen, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb. Nu verweerder voorts heeft aangegeven dat de tweede in het bestreden besluit genoemde grondslag – dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om gepleegde strafbare feiten te plegen – op zichzelf beschouwd onvoldoende reden vormt voor weigering van de gevraagde vergunningen, is het beroep reeds in verband hiermee gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/1034

Uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P. de Groot),

en

de burgemeester van de gemeente Ede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2013 heeft verweerder geweigerd eiser een drank- en horecavergunning en een exploitatievergunning (hierna: de horecavergunningen) te verlenen ten behoeve van het horecabedrijf [naam horecabedrijf].

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 januari 2014 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van
20 mei 2014. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.N. Marijs en L.A. Hardeman.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft zich bij de weigering van de door eiser gevraagde vergunningen gebaseerd op het advies van het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) van 21 oktober 2013, waarin is geconcludeerd dat er een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob). Uit hetzelfde advies blijkt verder dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om gepleegde strafbare feiten te plegen omdat eiser in het verleden tweemaal overtredingen van het Warenwetbesluit heeft gepleegd in relatie tot de exploitatie van een horecabedrijf (artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de Wet Bibob).

2.

Eiser heeft zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd. Op zijn stellingen zal de rechtbank hierna ingaan.

3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Ingevolge onderdeel b van bedoelde bepaling bestaat gelijke bevoegdheid indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot de strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan.

4.

De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan in beginsel van het advies van het LBB mag uitgaan, gelet op de expertise van dit bureau. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusie te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2009, LJN: BJ2636).

5.

Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb en met toestemming van eiser kennis te hebben genomen van het advies van het LBB overweegt de rechtbank als volgt.

6.

Vast staat dat eiser bij onherroepelijke vonnissen van de rechtbank Arnhem van 16 januari 2002 en 19 december 2003 is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. Voorts staat vast dat eiser bij het vonnis van 16 januari 2002 een ontnemingsmaatregel is opgelegd tot een bedrag van € 10.000,-. Voor de periode waarop het vonnis van
19 december 2003 betrekking heeft, is geen ontnemingsmaatregel opgelegd.

In het Bibob-advies is aangegeven dat het een feit van algemene bekendheid is dat met het overtreden van de Opiumwet (grote) winsten kunnen worden behaald. Mede op basis van verklaringen van eiser in een proces-verbaal acht het LBB het uit de strafbare feiten verkregen voordeel groot, welk voordeel slechts in beperkte mate door de in 2002 opgelegde ontnemingsmaatregel is ontnomen.

Naar het oordeel van de rechtbank wijzen deze feiten en omstandigheden er op zichzelf op dat eiser op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onderdelen a en c, van de Wet Bibob in (directe) relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede lid in samenhang gelezen met het eerste lid van dat artikel.

Vastgesteld moet echter worden dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds meer dan tien jaar waren verstreken sinds de onherroepelijke veroordelingen en de daaraan ten grondslag liggende strafbare feiten. Op zichzelf hoeft het feit dat een aanmerkelijke tijd is verstreken sinds het plegen van de strafbare feiten niet in de weg te staan aan de conclusie dat er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit die strafbare feiten verkregen voordelen te benutten, bijvoorbeeld indien aannemelijk is dat destijds zeer grote voordelen wederrechtelijk zijn verkregen.

Uit het Bibob-advies blijkt dat aannemelijk is dat eiser in de periode van ruim een jaar waarop het eerstgenoemde vonnis betrekking heeft, een bedrag van tussen de € 10.500, en € 13.000, aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen waarvan via een ontnemingsmaatregel € 10.000, is ontnomen. Voor de periode waarop het tweede vonnis betrekking heeft, geeft het Bibob-advies geen schatting, maar daarbij wordt wel vermeld dat die tweede pleegperiode circa anderhalf jaar heeft bedragen. Gezien de omvang van de in de eerste periode genoten voordelen, is het LBB er dus kennelijk van uitgegaan dat de wederrechtelijk verkregen voordelen in de tweede periode tussen € 15.000, en € 19.500, hebben omvat.

Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat het LBB zijn conclusie dat er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om in het verleden uit strafbare feiten genoten voordelen te benutten, heeft gebaseerd op een in de periode tussen april 1999 en 1 januari 2002 genoten (en niet ontnomen) voordeel van ten hoogste € 22.500,.

Nog afgezien van het feit dat eiser heeft bestreden dat hij destijds meer voordeel heeft genoten dan hem is ontnomen, is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid niet kan worden gesteld dat dat bedrag zodanig hoog is dat thans nog het ernstig gevaar bestaat dat dat bedrag via het gebruik van de gevraagde vergunningen zal worden witgewassen. De rechtbank betrekt daarbij dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sinds het laatste wederrechtelijk verkregen voordeel al bijna twaalf jaar was verstreken, in welke periode eiser twee andere ondernemingen heeft gedreven.

7.

Verweerder heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 juni 2011 (ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ9820) zich op het standpunt gesteld dat uit de aard der zaak het onmogelijk is om vast te stellen of al het wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer kan worden benut.

De rechtbank kan dat in algemene zin onderschrijven, maar stelt vast dat het in de zaak waarop die uitspraak betrekking had, ging om een aanzienlijk hoger bedrag (circa € 775.000,) dan in dit geval, terwijl bovendien dat bedrag was verkregen uit strafbare feiten die ten tijde van het daar bestreden besluit aanmerkelijk korter geleden waren gepleegd.

8.

Op basis van een en ander is de rechtbank derhalve van oordeel dat de feiten waarop het LBB zich heeft gebaseerd, niet de conclusie kunnen dragen dat er in dit geval (nog) ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen voordelen te benutten. Nu het bestreden besluit wat betreft de weigeringsgrond uitsluitend op het Bibob-advies berust en ter zitting is gebleken dat verweerder ook geen andere feiten aan de weigering op deze grond ten grondslag kan leggen, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb.

Nu verweerder voorts heeft aangegeven dat de tweede in het bestreden besluit genoemde grondslag – dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om gepleegde strafbare feiten te plegen – op zichzelf beschouwd onvoldoende reden vormt voor weigering van de gevraagde vergunningen, is het beroep reeds in verband hiermee gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, bestaande uit 2 x € 487, (indienen beroepschrift, verschijnen ter zitting). Verweerder zal tevens de door eiser betaalde griffierechten ad € 318, aan eiser dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 21 januari 2014;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ad € 974,;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 318, aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, mr. G.A. van der Straaten en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.