Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4458

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
2841923 HA 14-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst docent. Omdat docent aanspraak heeft op bovenwettelijke uitkering, wordt voor de vaststelling van de vergoeding aansluiting gezocht bij de door de Raad van Beroep ontwikkelde formule.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/167
AR-Updates.nl 2014-0530
TvPP 2014, afl. 5, p. 158
AR 2014/658
JAR 2014/167

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens : 2841923 HA 14-30

Grosse aan : mr. M.H. van Belzen-Stam

Afschrift aan : mr. J.W. Janse-Velema

Verzonden d.d. : 29 april 2014

beschikking d.d. 29 april 2014 van de kantonrechter

in de zaak van:

de Stichting Achterhoek Voortgezet Onderwijs,

gevestigd te Doetinchem,

verzoekster, hierna te noemen “de stichting”,

gemachtigde: mr. J.W. Janse-Velema,

tegen:

[verweerder],

wonende te [plaats],

verweerder, hierna te noemen: “[verweerder]”,

gemachtigde: mr. M.H. van Belzen-Stam.

1 Het procesverloop

Dit blijkt uit:

- het op 5 maart 2014 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties;

- de op 11 april 2014 ontvangen aanvullende producties van de stichting;

- het op 14 april 2014 ontvangen verweerschrift met producties;

- de op 15 april 2014 ontvangen productie van [verweerder];

- de mondelinge behandeling van 15 april 2014, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van het door [verweerder] aanhangig gemaakte kort geding. De inhoud van de in die zaak uitgebrachte dagvaarding maakt deel uit van deze procedure. Door de gemachtigde van de stichting is gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en van het overige verhandelde is aantekening gehouden door de griffier.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1

[verweerder], geboren op [1957], is met ingang van [1978] in dienst van (de rechtsvoorganger van) de stichting, in de functie van docent Lichamelijke Opvoeding en Techniek. Zijn laatstgenoten salaris bedraagt € 3.739,00 bruto per maand, exclusief inkomenstoeslag van € 31,00 bruto per maand, 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering.

[verweerder] is benoemd aan het onder de stichting ressorterende [school A in plaats], waar hij deel uitmaakt van de sectie Lichamelijke Opvoeding (LO) en MEVI.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Voortgezet Onderwijs (hierna: CAO-VO).

2.2

Vanaf eind 2010 tot begin 2011 is [verweerder] arbeidsongeschikt geweest na het overlijden van zijn zoon en de eerdere geconstateerde ernstige ziekte bij zijn vrouw.

In aanwezigheid van de bedrijfsarts is op 24 januari 2011 afgesproken dat een plan met afspraken zou worden opgesteld. Het plan is op 26 januari 2011 gemaakt. Het bevatte onder meer afspraken met betrekking tot het functioneren van [verweerder] en het functioneren van het MEVi-team. [verweerder] is hierna volledig aan het werk gegaan.

2.3

Op 13 oktober 2011 is [verweerder] naar huis gegaan, nadat zijn teamleider de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]), hem geen verlof had toegekend voor een regiobijeenkomst waar [verweerder] bij aanwezig wilde zijn. De volgende dag heeft [verweerder] zich ziek gemeld.

2.4

Bij brief van 8 november 2011 heeft de bedrijfsarts gemeld dat [verweerder] de komende weken niet inzetbaar is. Hij stelt het [school A] voor met [verweerder] in gesprek te gaan, waarbij kan worden gesproken over de spanningen in de onderlinge verhoudingen en de wederzijdse verwachtingen. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 10 november 2011, waarbij van de zijde van het [school A] de heren [naam 2], directeur en [naam 1] aanwezig waren. In het verslag van het gesprek is onder meer vastgelegd:

“(...)

[naam 2] stelt dat hij zich inderdaad opstelt als directeur. Hij vindt dat noodzakelijk omdat de naar zijn idee normale verplichtingen van een werknemer door[verweerder] naast zich neer gelegd worden als hij anders over iets denkt. Hij gaat daarbij in op de punten van[verweerder] en noemt voorbeelden die hij heeft meegemaakt en hem doen overwegen dat het echt anders moet.

- (...)

- (...)

- [naam 2] vindt dat[verweerder] als er voor hem een persoonlijk belang op het spel staat, geen uitspraak van de leiding accepteert. Dat geldt voor andere onderwerpen die hij met[verweerder] besproken heeft: aanwezig blijven in de les, geen meisjes toelaten in het lokaal, afspraken met collegae nakomen, lesruimte opgeruimd achter laten: punten die eerder besproken zijn.

[verweerder] stelt dat hij gevoelig is voor hoe dingen gezegd worden, dat hij zelf zijn afweging moet kunnen maken. [naam 2] spreekt dit tegen. Zijn punt is dat[verweerder] zijn eigen beslissingen blijft nemen als hij een ander belang heeft of een ander inzicht.”

2.5

In overleg met [verweerder] is door de stichting begeleiding van de Arbodienst ingeschakeld. In het op 22 november 2011 opgemaakte verslag van de psycholoog is onder meer het volgende vermeld:

“Op doorverwijzing van de bedrijfsarts en in overleg met zijn werkgever heb ik de heer [verweerder] op 17-11-2011 gezien voor een oriënterend gesprek.

(...)

Conclusie en advies:

Er is sprake van een zeer ingrijpende situatie thuis met een goedlopend maar intensief rouwproces tegen de achtergrond van een al langer aanwezige interactionele problematiek na beperkt onderling vertrouwen in de werksituatie. De heer [verweerder] heeft hierop gereageerd door meer regie te nemen en zaken op zijn eigen manier te doen.

(...)”

2.6

Na voormeld oriënterend gesprek zijn diverse gesprekken gevolgd, onder leiding van een psycholoog. Van de gesprekken zijn verslagen opgesteld, welke verslagen onder meer naar [verweerder] zijn gezonden. De bedrijfsarts was op de hoogte van het traject.

De gesprekken zijn gehouden op 2 december 2011, 13 januari 2012, 20 januari 2012 en 9 februari 2012. In de verslagen van de gesprekken is onder meer opgenomen dat er “enkele fundamentele verschillen in beleving en visie zijn”(20 januari 2012) en dat sprake is van “het overschrijden van elkaars grenzen en verwachtingen” mede waardoor onduidelijkheid en irritatie is ontstaan en waardoor het “lastig is tot concrete afspraken voor samenwerking en terugkeer naar werk te komen” (2 februari 2012).

Op 30 maart 2012 heeft onder begeleiding van dezelfde psycholoog een gesprek met het team MEVI plaatsgevonden. Naast [verweerder] waren hierbij ook drie collega’s van [verweerder] aanwezig. In het van deze bijeenkomst opgemaakte verslag is onder meer opgenomen dat [verweerder] negatief is over collega’s en niet als teamplayer ervaren wordt. [verweerder] zou zich negatief hebben uitgelaten over de andere richting en presentatie van MEVI. Verder hebben de collega’s aangegeven dat plannen en organiseren knelpunten in de samenwerking vormen. Het team LO heeft aangegeven het gesprek niet aan te willen gaan.

Op 24 april 2012 heeft een afsluitend gesprek plaatsgevonden. In het van dit gesprek opgemaakte verslag is onder meer het volgende opgenomen:

“(...)

Het gesprek is gestart met de reactie van de heer [verweerder] op de genoemde knelpunten door zijn collega’s van het Team Mevi en LO. Er is een groot verschil in beleving en beoordeling van deze punten door de heer [verweerder] en zijn collega’s. Hij mist de ruimte hierop te reageren.

Verder zou de heer [verweerder] graag op korte termijn zijn werk weer willen hervatten bij het [school A] en wil hij zich committeren aan werkafspraken.

De heer [naam 2] gaf zijn reactie op de genoemde knelpunten door collega’s. Hij herkent de punten en constateert verschil in visie en gebrek aan draagvlak voor terugkeer binnen de school.

Conclusie:

Naar aanleiding van de gesprekken met de heer [naam 2], de heer [naam 1] en de collega’s van Mevi en LO kan geconstateerd worden dat er verschil van visie is ten aanzien van het functioneren van de heer [verweerder], op het gebied van:

- communicatie en interactie

- zijn vakinhoudelijk en beroepsmatig functioneren

Er ontbreekt een goede basis voor terugkeer op deze school. De gesprekken hebben hiertoe ook geen ingang gegeven. Bij terugkeer naar de school is de kans op stagnatie in het re-integratieproces groot.

Het voorstel van de heer [naam 2], in afstemming met het bestuur, is op zoek te gaan naar een werkplek op een andere school van de stichting voor de re-integratie van de heer [verweerder]. Op de korte termijn staat re-integratie centraal, voor de langere termijn perspectief op een werkplek gericht op duurzame inzetbaarheid en werkplezier van de heer [verweerder] in de toekomst.

(...)”

2.7

Op 8 mei 2012 is [verweerder] hersteld verklaard op basis van een verslag van de bedrijfsarts, waarin hij aangeeft dat meer sprake is van een arbeidsconflict dan van medische problematiek.

De bedrijfsarts adviseert partijen met elkaar om de ontstane situatie te bespreken en te zoeken naar een passende oplossing.

2.8

Aan [verweerder] is hierna in een bespreking van 10 mei 2012 het voorstel gedaan om de lessen lichamelijke opvoeding te gaan verzorgen op de [school D]. [verweerder] heeft hier niet mee ingestemd omdat hij ook het vak installatietechniek wilde blijven doceren. In de bespreking heeft [verweerder] voorts aangegeven dat het gesprek met de collega’s van techniek dat had plaatsgevonden in het traject met de psycholoog eenzijdig was geweest en dat hij opnieuw met hen in gesprek wilde. De stichting heeft deze wens niet gehonoreerd.

2.9

Vervolgens hebben op 17 september, 5 oktober, 23 november en 21 december 2012 gesprekken plaatsgevonden met [verweerder] en de heer [naam 3], rector van de [school B] waar het [school A] deel van uitmaakt, in welke gesprekken de overplaatsing van [verweerder] naar een andere school aan de orde is geweest.

Er zijn vervolgens een tweetal conceptovereenkomsten opgesteld die voorzagen in een plaatsing van [verweerder] op het [school C] in [plaats]. Op deze school zou een functie van docent beweginsgonderwijs voor [verweerder] beschikbaar worden gesteld. [verweerder] heeft de functie niet aanvaard.

2.10

Op 18 maart 2013 heeft de stichting besloten [verweerder] over te plaatsen naar genoemde school in [plaats]. [verweerder] heeft op 23 april 2013 beroep ingesteld van deze uitspraak bij de Comissie van Beroep. De Commissie heeft op 18 oktober 2013 uitspraak gedaan. In haar uitspraak is onder meer vastgelegd dat de werkgever volgens de Commissie onvoldoende heeft onderbouwd welke kritiekpunten zodanig ernstig zijn dat [verweerder] niet langer op het [school A] werkzaam kan blijven. De Commissie overweegt ook, dat na het gesprek van 24 januari 2011 geen functionerings- en beoordelingsgesprekken met [verweerder] zijn gevoerd, terwijl het ingaan van een dergelijk traject wel voor de hande zou hebben gelegen. Bovendien had volgens de Commissie voor de hand gelegen alternatieven te beproeven zoals het aangaan van een mediationtraject. De Commissie heeft het beroep gegrond verklaard.

2.11

Partijen zijn vervolgens een mediationtraject ingegaan, welk traject op 30 december 2013 is geëindigd.

2.12

[verweerder] heeft tot aan de kerstvakantie op de school in [plaats] gewerkt.

3 Het geschil

3.1

De stichting heeft verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, te ontbinden, kosten rechtens.

3.2

Zij legt aan haar verzoek, bezien tegen de achtergrond van de feiten, het volgende ten grondslag.

Er is sprake van veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn dient te einden. De veranderingen bestaan hierin, dat op het [school A] een onwerkbare situatie is ontstaan tussen [verweerder] en zijn leidinggevenden en tussen [verweerder] en zijn collega’s. Sinds medio 2011 hebben diverse interventies plaatsgevonden teneinde te komen tot een constructieve wijze van samenwerken. Er werden vele gesprekken gevoerd onder leiding van een bedrijfspsycholoog en uiteindelijk onder leiding van een mediator. [verweerder] heeft op twee andere scholen binnen de stichting kunnen werken. Een en ander heeft niet geleid tot herstel van vertrouwen in een vruchtbare samenwerking. Na het mediationtraject heeft gedurende twee maanden overleg plaatsgevonden tussen de gemachtigden, maar dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid. De stichting resteert na de gedane inspanningen geen andere mogelijkheid meer dan ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.

3.3

[verweerder] heeft verweer gevoerd en heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot ontbinding ondertoekenning aan hem van een vergoeding van

€ 290.880,-- bruto, althans € 72.684,-- bruto, met veroordeling van de stichting in de kosten van de procedure.

4 De beoordeling

4.1

Uit het hiervoor weergegeven feitenrelaas blijkt, dat partijen nu al bijna tweeëneenhalf jaar in diverse samenstellingen en met behulp van diverse derden, aan het werk zijn om een voor beide partijen bevredigende werkrelatie te komen. Er is aldus inmiddels heel veel tijd, geld en energie gestoken in de relatie tussen partijen. Uit de stellingname van de stichting blijkt genoegzaam dat zij de overtuiging heeft dat [verweerder] niet meer kan functioneren op het [school A]. De kantonrechter is van oordeel dat waar deze overtuiging, mede gebaseerd op de talloze gesprekken bestaat, de hoop op een vruchtbare verdere samenwerking een illusie is.

Het verzoek van de stichting de arbeidsovereenkomst te ontbinden zal dan ook in zoverre worden toegewezen.

4.2

Vaststaat, zoals ook de Commissie heeft overwogen, dat er tot aan het gesprek van 24 januari 2011, niets is vastgelegd aan kritiek over het functioneren van [verweerder]. Ook is er door de stichting niet op voldoende concrete wijze gesteld op welke wijze sprake was van eventueel onvoldoende functioneren, behoudens op zichzelf geringe punten zoals genoemd in het verslag van het gesprek van 10 november 2011. Eerst na, en vrijwel gelijk na, de terugkeer van [verweerder] na zijn ziekteperiode in verband met het drama in zijn privéleven, zijn door de stichting de eerste signalen afgegeven dat het functioneren van [verweerder] op onderdelen verbetering behoefde.

4.3

Na de ziekmelding van [verweerder] is het langdurige traject zoals hiervoor weergegeven op gang gekomen. De psycholoog die vanaf december 2011 gesprekken heeft begeleid, heeft geconcludeerd dat een goede basis voor terugkeer van [verweerder] op het [school A] ontbrak. Haar visie is aan de hand van de gespreksverslagen navolgbaar en concludent. Dat de stichting hierna stappen heeft gezet in de richting van het overplaatsen van [verweerder] naar een andere onder haar ressorterende school, is dan ook begrijpelijk en te billijken. Zij is hierbij ook niet over één nacht ijs gegaan, maar heeft in meerdere gesprekken met [verweerder] de mogelijkheden onderzocht, rekening houdend met zijn wensen.

Aan [verweerder] is hierbij een functie aangeboden, die aansloot bij zijn wens ten aanzien van de doelgroep en het vak, zo blijkt uit het door [verweerder] geaccordeerde verslag van het gesprek van 21 december 2012. Onweersproken is door de stichting aangegeven, dat [verweerder] vervolgens opnieuw gesprekken met zijn collega’s wilde voeren en de overplaatsing toch weer ter discussie wilde stellen. De kantonrechter is van oordeel dat van de stichting in de inmiddels ontstane situatie en na de vele gesprekken niet behoefde te worden verwacht dat zij nog weer opnieuw een gespreksronde in zou gaan.

Onweersproken is gesteld dat [verweerder] zelf al voor de kerstvakantie afscheid had genomen op de school in [plaats], een en ander terwijl het mediationtraject nog niet was afgerond. [verweerder] heeft in dit verband aangegeven dat de functie in [plaats] niet aansloot bij zijn wensen, omdat op die school niet het vak installatietechniek werd gedoceerd, maar dit valt niet te rijmen met zijn eerder geuite instemming met die functie.

4.4

Het bovenstaande leidt tot het volgende oordeel.

De stichting heeft voldoende aannemelijk gemaakt, dat in april 2012 de basis voor een terugkeer van [verweerder] naar het [school A] ontbrak. Zij heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende heeft gedaan om te voorkomen dat dit zover is gekomen. Zoals hiervoor weergegeven, ontbreken stellingen en stukken met betrekking tot het functioneren van [verweerder]. Op deze wijze is niet na te gaan hoe en op welke wijze met [verweerder] eerder is gesproken over kritiekpunten, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Deze omstandigheid komt voor rekening van de stichting.

De stichting heeft na april 2012 echter voldoende zorgvuldig toegewerkt naar een oplossing, hierin bestaande dat een andere werkplek voor [verweerder] zou worden gezocht. Dat dit uiteindelijk niet tot resultaat heeft geleid, is te wijten aan de opstelling van [verweerder], die is blijven inzetten op een terugkeer naar het [school A] terwijl een objectief gezien geschikte functie voor hem beschikbaar was gesteld. Dat [verweerder] zo heeft geacteerd is evenwel tot op zekere hoogte begrijpelijk. Uit (nagenoeg) alle gesprekken komt immers naar voren dat [verweerder] zich niet gehoord voelt en zich (nagenoeg) niet in de kritiek herkent. Dit is alleszins te begrijpen, gezien het feit dat [verweerder] reeds zeer lange tijd in dienst was en, zo is hiervoor al vastgesteld, eerst na zijn terugkeer in 2011 geconfronteerd werd met kritiek en de wens van de stichting zich op onderdelen anders op te stellen. Vervolgens werd al – relatief – vrij snel nadat de psycholoog haar conclusie had kenbaar gemaakt aangekoerst op een vertrek van het [school A]. Niettemin had van [verweerder] mogen worden verwacht dat hij in zou zien dat er geen weg terug meer was en dat hij de hem geboden mogelijkheid elders aan de slag te gaan, zou aangrijpen.

4.5

Aan [verweerder] zal een vergoeding ten laste van de stichting worden toegekend, waarmee met alle voorgaande omstandigheden rekening is gehouden. Voorts worden zijn leeftijd in aanmerking genomen en de duur van het dienstverband.

De kantonrechtersformule, zoals die in het bedrijfsleven wordt toegepast in procedures als de onderhavige, kan redelijkerwijs in dit geval niet worden toegepast, gelet op het feit dat [verweerder] aanspraak kan maken op de door de stichting vermelde bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Daarom zal aansluiting worden gezocht bij de door de Centrale Raad van Beroep ontwikkelde formule voor het berekenen van een ontslagvergoeding. Bij het vaststellen van de vergoeding zal uit worden gegaan van een C-factor van 0,5. Met betrekking tot de eindejaarsuitkering gaat de kantonrechter er hierbij vanuit dat deze 7,4% beloopt, zodat het bruto maandsalaris inclusief deze uitkering, de inkomenstoeslag en de vakantietoeslag € 4.345,80 bedraagt. De vergoeding komt met dit alles uit op een bedrag van afgerond € 40.000,-- bruto.

4.6

Omdat het voornemen bestaat aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen, zal de stichting een termijn worden gegund het verzoek in te trekken.

Aanleiding wordt gevonden de proceskosten te compenseren. Indien de stichting het verzoek intrekt, zal zij de proceskosten moeten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

Stelt partijen in kennis van het voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 15 mei 2014, onder toekenning aan [verweerder] ten laste van de stichting van een vergoeding van € 40.000,-- bruto;

5.2

Stelt de stichting in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 12 mei 2014 om 12.00 uur door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval de stichting het verzoek niet intrekt:

5.3

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 15 mei 2014, onder toekenning aan [verweerder] ten laste van de stichting van een vergoeding van € 40.000,-- bruto en veroordeelt de stichting tot betaling van dat bedrag aan [verweerder];


5.4 compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval de stichting het verzoek intrekt:

5.5

veroordeelt de stichting in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 400, -- voor salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.C.J.I.M. van Dorp, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.