Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4381

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_1861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand naar de norm voor een alleenstaande in een inrichting (inrichtingsnorm). Uit de omschrijving van het begrip instelling in artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede, van de Wwb volgt dat het bieden van een slaap- ofwel woongelegenheid voor de betreffende instelling een doel op zich moet zijn. Daarvan is niet gebleken. Het aanbieden van een woning is voor deze instelling slechts een bijkomende taak. Betrokkene heeft recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 13/1861

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Broersma),

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand te Harderwijk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 6 augustus 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend naar de norm voor een alleenstaande in een inrichting.

Bij besluit van 19 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 3 mei 2013 (zaaknummer 13/1862) het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het bestreden besluit is geschorst en is bepaald, dat verweerder aan eiser, naast de toegekende algemene bijstand, tevens bijzondere bijstand verleent voor de kosten van huisvesting ten bedrage van € 243 per maand, alsmede de kosten voor voeding ten bedrage van € 50 per week.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van [naam], medewerkster bij Ambulante Hulpverlening Midden-Nederland. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G. Röst.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Bij besluit van 29 maart 2012 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) aan eiser een indicatie toegekend, inhoudende een zorgzwaartepakket (zzp) GGZ03C voor 7 etmalen per week. Blijkens dat besluit betreft het zorg in natura en bevat het verblijf, begeleiding en persoonlijke verzorging. Bij toekenningsbeschikking van 11 augustus 2012 heeft het Zorgkantoor uitgaande van voornoemde indicatie aan eiser een persoonsgebonden budget toegekend voor de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 december 2012.

1.2 Eiser heeft zich op 6 augustus 2012 bij verweerder gemeld voor het aanvragen van een bijstandsuitkering. Eiser woonde toen aan de [adres]. Het betrof een zelfstandige woonruimte, die eiser huurde via Ambulante Hulpverlening Midden-Nederland (hierna: AHMN) en waarvoor hij een huurprijs van € 250 per maand betaalde.

1.3 Bij de bestreden besluitvorming heeft verweerder aan eiser met ingang van 6 augustus 2012 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande in een inrichting.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede, van de Wwb en dat hij derhalve recht heeft op de instellingsnorm als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van die wet ter hoogte van € 296,35 per maand, en de verhoging van € 49 per maand als bedoeld in het tweede lid van artikel 23 van die wet.

3.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de te beoordelen periode in dit geval de periode van 6 augustus 2012 (de meldingsdatum) tot en met 16 november 2012 (de datum van het primaire besluit) bestrijkt. Hieruit volgt tevens dat de rechtbank uitsluitend heeft te beoordelen of eiser in die periode heeft verbleven in een inrichting als bedoeld in de Wwb. Vaststaat dat eiser in die periode woonachtig was op het adres [adres], zodat uitsluitend de feiten en omstandigheden met betrekking tot dat adres in de beoordeling zullen worden betrokken.

4.1

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede, van de Wwb wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder inrichting: een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is.

4.2

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb, zoals dit artikel luidde ten tijde in geding, is bepaald dat bij een verblijf in een inrichting de norm per kalendermaand
€ 296,35 is, indien het een alleenstaande of een alleenstaande ouder betreft. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, wordt het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met € 49 voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder.

4.3

Blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 23 van de Wwb worden personen die ter verpleging of verzorging in een inrichting verblijven niet geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten. In voeding, huisvesting, verwarming, onderhoud en dergelijke wordt voorzien door de inrichting. De daaraan verbonden kosten zijn begrepen in de verpleeg- of verzorgingsprijs, die over het algemeen uit andere hoofde wordt vergoed. Gelet op dit verschil in noodzakelijke bestaanskosten geldt voor personen in inrichtingen een aparte bijstandsnorm. Deze is afgestemd op de beperkte uitgaven die voor rekening van de belanghebbende blijven. In de uitzonderlijke situatie dat verpleeg- of verzorgingskosten voor rekening van de belanghebbende zelf komen, kan daarin worden voorzien door middel van bijzondere bijstand (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 51).

5.1

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat eiser op 12 maart 2013 een

zorg-/huurovereenkomst heeft gesloten met zorginstelling AHMN (hierna: de overeenkomst), in het kader waarvan hem een woonplek is toegewezen aan de [adres].

In artikel 4 van de overeenkomst is het volgende bepaald:

“1. Om de diensten met betrekking tot de zorg vorm te geven, wordt aan cliënt een wooneenheid ter beschikking gesteld.

2.

Het ter beschikking stellen van een wooneenheid door Ambulante Hulpverlening Midden Nederland is van tijdelijke en overbruggende aard. Indien er een woning voor cliënt via de plaatselijke woningbouwvereniging dan wel woningstichting beschikbaar is, dient cliënt de wooneenheid ter beschikking gesteld door de Ambulante Hulpverlening Midden Nederland te verlaten. De ter beschikking stelling van de wooneenheid aan cliënt eindigt door dat aanbod. Cliënt neemt vervolgens zijn intrek in een woonruimte van de plaatselijke woningbouwvereniging dan wel woningstichting.”.

In artikel 6, derde lid, van de overeenkomst is bepaald:

“Indien na het verlopen van de geldigheidsduur van de afgegeven CIZ-indicatie een nieuwe indicatie onder dezelfde voorwaarden wordt afgegeven door het CIZ, wordt ervan uitgegaan dat deze overeenkomst stilzwijgend voor de nieuwe termijn van de CIZ-indicatie wordt verlengd onder dezelfde voorwaarden. De verlengde overeenkomst zal op de einddatum van de nieuwe CIZ-indicatie wederom van rechtswege eindigen.”.

5.2

Uit het verhandelde ter zitting – onder andere uit hetgeen [medewerkster AHMN] voornoemd heeft verklaard – blijkt voorts dat de primaire taak van AHMN is: het bieden van individuele begeleiding aan personen met een psychiatrische of verstandelijke beperking. Van het totale cliëntenbestand van AHMN van ongeveer 120 personen is er een groep van 50 tot 60 personen die daarnaast ook begeleid wordt naar een stabiele woonsituatie. AHMN treedt in dat geval op als tussenpersoon tussen de verhuurder en cliënten als eiser, omdat het voor veel jongeren in verband met hun problemen en beperkingen niet mogelijk is om zelfstandige woonruimte te verkrijgen. Het op deze wijze ter beschikking stellen van een stabiele woonsituatie dient volgens [medewerkster AHMN] het welslagen van de begeleiding. Eiser woont in een ‘normaal’ huis en heeft ‘gewone’ buren. AHMN tracht mensen zo veel mogelijk te laten doorstromen naar een normale woonsituatie, dus zonder tussenkomst van en bemoeienis door AHMN.

6.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder de feiten en omstandigheden onder 5.1 en 5.2 niet heeft betwist, zodat de rechtbank bij de beoordeling van het geschil hiervan zal uitgaan.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving van het begrip instelling in artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede, van de Wwb volgt dat het bieden van een slaap- ofwel woongelegenheid voor de betreffende instelling een doel op zich moet zijn. Daarvan is in casu naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken, nu het primaire doel van AHMN is het bieden van individuele begeleiding. Binnen dat primaire doel heeft AHMN als bijkomende taak het aanbieden van een woning. Vast staat immers dat AHMN niet aan al haar cliënten woonruimte aanbiedt en dat in die gevallen uitsluitend begeleiding wordt gegeven. Ook hieruit leidt de rechtbank af dat het bieden van woonruimte geen doel op zich is voor AHMN. Steun hiervoor ziet de rechtbank ook in de omstandigheid dat het bieden van een woning onlosmakelijk is verbonden aan de te verlenen zorg (artikel 1, eerste lid, van de overeenkomst). Zonder begeleiding door AHMN heeft eiser geen woonruimte meer.

6.3

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verblijf van eiser in de woning aan de [adres] ten tijde hier van belang niet voldoet aan de wettelijke omschrijving van het begrip inrichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede, van de Wwb. Verweerder heeft derhalve ten onrechte de bijstandsnorm voor eiser vastgesteld op het in artikel 23 van de Wwb vermelde bedrag, zoals dat artikel luidde ten tijde in dit geding van belang.

7.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit brengt met zich dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd aangezien dit niet kan worden gebaseerd op artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 1, aanhef en onder f, ten tweede, van de Wwb. Nu het door de rechtbank geconstateerde gebrek ook kleeft aan het primaire besluit, welk gebrek niet meer kan worden geheeld, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, sub b, van de Algemene wet bestuursrecht het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat eiser met ingang van 6 augustus 2012 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande als bedoeld in artikel 21 van de Wwb.

8.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat aan eiser met ingang van 6 augustus 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt toegekend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    gelast verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 44 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. M.J.P. Heijmans en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.