Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4376

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
05/720446-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkstraf voor opzettelijke vrijheidsberoving. Vrijspraak van gijzeling nu niet een ander, niet zijnde het slachtoffer, gedwongen werd om iets te doen of niet te doen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/720447-13

Datum zitting : 1 juli 2014

Datum uitspraak : 15 juli 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman: mr. W. van de Velde, advocaat te Rhenen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 22 november 2013 te Nijkerk, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk één of meer personen,

genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [slachtoffer],

te dwingen iets te doen of niet te doen (te weten het afgeven van geld door

een onbekende persoon), immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, die [slachtoffer] met geweld (het slaan

met een zaklap op het hoofd, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer]

en/of het slaan met stokken op het lichaam van voornoemde [slachtoffer]), in een

personenauto vervoerd, teneinde die [slachtoffer] te bewegen verdachte en/of

verdachtes mededader(s) naar die onbekende persoon te brengen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 22 november 2013 te Nijkerk tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers

heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat

opzet voornoemde [slachtoffer] met geweld (het slaan met een zaklamp op het

hoofd, althans het lichaam en/of het slaan met stokken op het lichaam) in een

personenauto opgesloten en/of vervoerd in een personenauto;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 1 juli 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. W. van de Velde, advocaat te Rhenen.

Als benadeelde heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer].

De officier van justitie, mr. G.L.M. Verstegen, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging bepleit vrijspraak voor het primair tenlastegelegde feit. De verdediging voert aan dat het bestanddeel “een ander” niet bewezen kan worden, omdat de tenlastelegging ziet op het van de vrijheid beroven van aangever teneinde aangever iets te laten doen.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 18439 staat het volgende (p. 11):

“Het nieuw in te voegen artikel 282a geschiedt ter uitvoering van het Verdrag tegen het nemen van gijzelaars. Alleen wanneer wederrechtelijke vrijheidsberoving geschiedt met het oogmerk een ander (dus niet de gijzelaar) te dwingen iets te doen of niet te doen kan worden gesproken van gijzeling.”

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet dat verdachte en zijn medeverdachten aangever van zijn vrijheid hebben beroofd om een ander te dwingen iets te doen. De feiten leveren dus geen gijzeling op in de zin van artikel 282a lid 1 Sr. Verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 november 2013 zijn verdachte (roepnaam [verdachte]), zijn vader [medeverdachte 1], zijn zus [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in twee auto’s naar Nijkerk gereden. [medeverdachte 2] had daar een afspraak gemaakt met aangever [slachtoffer]. [slachtoffer] had enkele dagen eerder verdachte opgelicht door geld van hem aan te nemen voor vuurwerk om er vervolgens met dat geld vandoor te gaan zonder het vuurwerk te leveren. De bedoeling van verdachte en zijn medeverdachten was om dit geld terug te vragen. Verdachte zat in de auto van [medeverdachte 3]. [medeverdachte 2] zat bij [medeverdachte 1] in de auto (een [auto]).

In Nijkerk aangekomen troffen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangever [slachtoffer].

Aangever stapte bij [medeverdachte 1] in de auto en ging op de passagiersstoel zitten. Hij vroeg om geld, waarop [medeverdachte 1] hem namaakgeld liet zien. Daarna zette [medeverdachte 3] zijn auto vlak langs de auto van [medeverdachte 1]. Verdachte, die achterin de auto van [medeverdachte 3] zat, zei dat [slachtoffer] de persoon was die hem had opgelicht en stapte uit. Hij ging tussen de twee auto’s instaan, aan de kant waar aangever zat. Op een gegeven moment klom aangever door het geopende portierraam uit de auto en rende weg. [medeverdachte 1] pakte een afgebroken steel van een schep uit de auto. Verdachte rende achter aangever aan, evenals [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2].2 Uiteindelijk heeft [medeverdachte 2] aangever vastgehouden aan zijn jas en zijn ze teruggelopen naar de auto van [medeverdachte 1]. Deze stapte bij [medeverdachte 1] in de auto, evenals [medeverdachte 2], waarna [medeverdachte 1] ging rijden. [medeverdachte 3], met verdachte in zijn auto, reed achter [medeverdachte 1] aan. Aangever zei ze naar een plek te zullen leiden waar ze het geld zouden krijgen. Tijdens die rit werden ze door de politie tot stoppen gedwongen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak. De verdediging voert daar, kort gezegd, toe aan dat er geen sprake is geweest van de situatie dat aangever door geweld van zijn vrijheid is beroofd omdat hij kon appen en bellen en de auto niet op slot was. De verdediging acht voorts de verklaring van aangever niet geloofwaardig.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever heeft het volgende verklaard over de gebeurtenissen nadat hij voor het eerst bij [medeverdachte 1] in de auto was gestapt:

Nadat [medeverdachte 1] hem het geld had laten zien had hij gezegd dat hij “die gozer” zou bellen. Hij wilde toen uitstappen maar zag toen dat er een zilvergrijze auto zo dicht naast de auto van [medeverdachte 1] was komen staan dat hij er niet uit kon. Er stapte een man uit de zilvergrijze auto en die zei “dat is de persoon die mij geript heeft”. Dit bleek later verdachte te zijn. Hij zag dat “[getuige]”, die bij hem was en aan de kant van de bestuurder stond, aan de persoon die dat zei vroeg wat deze met de zaklamp moest. Aangever vroeg of hij uit de auto mocht stappen maar dat mocht niet van de bestuurder en de man die uit de zilvergrijze auto was gestapt. Ze zeiden hem dat hij mee moest rijden. Hij vroeg waarheen, waarop de twee mannen zeiden “dat zul je wel zien”. Hij zei nogmaals dat hij uit wilde stappen en vroeg [getuige] om “[betrokkene 1]” te bellen. [getuige] belde hierop [betrokkene 1] die ook naar de auto kwam gelopen en zei “laat hem eruit”. De bestuurder zei toen “nee hij gaat met ons mee”. [getuige] zei toen dat hij maar uit het raam moest klimmen wat hij vervolgens deed. Toen hij halverwege uit de auto was sloeg de jongen die uit de zilvergrijze auto was gestapt hem met een zaklamp van ongeveer een halve meter lang op het voorhoofd. Hij was hierdoor dizzy en hij voelde bloed over zijn voorhoofd stromen. Hij klom uit de groene auto en stond op de motorkap toen de bestuurder van de groene auto uitstapte met een houten knuppel in zijn hand, waarmee hij aangever probeerde te slaan. Hij raakte aangever niet. Aangever rende toen in de richting van de auto van [betrokkene 1]. Toen hij twee auto’s over de weg zag rijden draaide hij om. Toen kwam de zilvergrijze auto achter hem aanrijden. Hij probeerde weg te rennen maar werd hij door de persoon die achterin de groene auto had gezeten geslagen met een hockeystick. Hij rende door en werd toen licht aangereden door de grijze auto. Hierdoor kwam hij ten val. Hij zag dat er ongeveer zes personen om hem heen stonden. Die personen begonnen op hem in te slaan. Hij werd geslagen met een honkbalknuppel, een hockeystick, een zaklamp en een staaf.

Aangever heeft toen gezegd dat hij het geld zou gaan regelen. Hij wilde eigenlijk met [getuige] in diens auto meerijden maar hij moest van bestuurder van de groene auto in diens auto stappen. Hij werd voorin de auto gedrukt door de bestuurder. Ze reden naar de wijk Vathorst in Amersfoort. Naast de bestuurder zat ook de persoon die aanvankelijk op de achterbank zat in de auto. De grijze auto reed achter hen aan. Hij heeft ongeveer 20 minuten in de auto gezeten voordat de politie de auto liet stoppen.4

Hoewel aangever bij zijn aangifte voor een gedeelte niet de waarheid heeft verklaard, onder meer met betrekking tot een bedreiging met een vuurwapen dat later aan aangever zelf bleek toe te behoren, wordt zijn verklaring op voor de vrijheidsberoving essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat meerdere mannen achter een jongen aanrenden.

Een man, die hij omschrijft als stevig van postuur met grijs haar, had een knuppel vast. Een andere man had een maglite. Een derde had een schep vast. De vierde man had een wit, langwerpig voorwerp vast. Meerdere mannen begonnen op de jongen in te slaan. De jongen werd opgepakt en getuige zag dat zijn gezicht bebloed was. Hierna werd deze jongen door de anderen in een Renault geduwd. Hij moest rechts instappen.5

Er is een medische verklaring opgemaakt door [arts], waarin het volgende letsel bij aangever staat beschreven: forse snijwond over de lengte tot op het schedelbot, lengte 6 cm grootste deel behaarde hoofdhuid.6

In de auto van medeverdachte [medeverdachte 3] zijn een honkbalknuppel, een zwarte maglite zaklamp en een ijzeren staaf aangetroffen.7 [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een afgebroken steel van een schep had meegenomen en een steel van een parasol.8 Die steel was wit van kleur.9

Gelet op de omstandigheid dat de voorwerpen waarmee aangever volgens hem en getuige [getuige] is geslagen inderdaad bij verdachte en zijn medeverdachten zijn aangetroffen, is het niet aannemelijk dat dit gedeelte van de verklaringen van aangever en getuige zijn verzonnen.

Daar komt bij dat in de auto van [medeverdachte 1] een voicetracer alle gesprekken die in de auto zijn gevoerd heeft opgenomen. Deze gesprekken zijn uitgewerkt en aan de stemmen zijn door de politie de aanwezige personen gelinkt. Onder meer werd het volgende gezegd:

Verdachte: dat is die jongen

[slachtoffer]: nee

Verdachte: honderd procent

[slachtoffer]: ik ben het niet. Met wat?

(…)

[slachtoffer]: nee, mijn vader komt zo. Dan kan je het navragen of ik op vakantie was.

Verdachte: maakt niet uit jongen. Jouw vader nemen we net zo goed mee. Kijk, 2700 euro.

(…)

Verdachte: waarom ik hier zo sta…hij kom hier toch nie weg. Omdat ik eerst geld wil hebben.

(…)

[medeverdachte 1]: hallo… ja ik ga dadelijk ook rijen hè, die ken je ook meenemen.

[slachtoffer]: waarheen.

[medeverdachte 1]: ja dat maak niet uit. Of je gaat de zaakjes netjes regelen.

(…)

[betrokkene 2]: Wat is er aan de hand joh.

[slachtoffer]: Ja, hun willen met mij wegrijden. (…)

[betrokkene 2]: laat die jongen er nou gewoon uit.

[medeverdachte 1]: ik wou ‘t eerst rechtgezet hebben.

(…)

[betrokkene 2]: laat die jongen er uit want die jongen die heeft hier niks mee te maken.

[medeverdachte 1]: nee.

(…)

[betrokkene 2]: luister, laat die gozer dan bellen dan, laat die gozer er nu uit.

(…)

[betrokkene 2]: Laat m d’r gewoon uit.

Verdachte: we gaan niet douwen.

[betrokkene 2]: laat m d’r gewoon uit.

Verdachte: nee hij gaat d’r niet uit.

(…)

[slachtoffer]: ik heb er toch niks mee te maken. Laat mij d’r uit.

(lawaai en geschreeuw): Pak ‘m. Hey…hey…hey…kom hier.

(enkele minuten later)

[medeverdachte 1]: kom maar, stap maar in. Straat of eh plaats.

[slachtoffer]: Vathorst

(…)

[slachtoffer]: meneer, mag ik dan alsjeblieft bij hun in de auto dan… dat één of twee van jullie bij ons in de auto stappen alsjeblieft.

[medeverdachte 1]: jij rij maar met mij mee. Dan rijden hullie wel met dinges mee.

(…)

[slachtoffer]: ik wil niet ergens in een keer dood liggen, begrijp je.

[medeverdachte 1]: als dit niet opgelost wordt, die kans zit er wel in.

(…)

[medeverdachte 1]: en nou hej je nog geluk dat ik die ander tegenhoud, want die had je al doodgeslagen.10

Tot slot heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij volgens afspraak zijn auto naast die van [medeverdachte 1] parkeerde zodat aangever het portier niet meer kon opendoen. Hij heeft voorts verklaard dat hij achter verdachte, [medeverdachte 2] en aangever aan is gelopen en dat hij een honkbalknuppel uit zijn auto heeft gehaald.11

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte en zijn medeverdachten aangever in de auto hebben vastgehouden met het doel het door hem weggenomen geld van het vuurwerk de 2700 euro van hem terug te krijgen. Aangever is door het raampje gevlucht waarna hij door verdachte met een maglite op het hoofd is geslagen. Hierna is aangever gevlucht waarna hij is achtervolgd door verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], Bennie en [medeverdachte 4] en door hen is geslagen met een honkbalknuppel, maglite, parasolsteel en steel van een afgebroken schep. Hierna werd aangever bloedend in de auto van [medeverdachte 1] gedwongen plaats te nemen waarna hij onder bedreiging trachtte het geld voor verdachte bij elkaar te krijgen. Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat aangever niet vrijwillig met verdachte en zijn medeverdachten meeging maar daartoe werd gedwongen. Gelet op de dreiging die van verdachte en zijn medeverdachten uitging, zeker na de mishandeling van aangever, was het voor hem niet mogelijk om weg te komen. Aangever is dus wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 22 november 2013 te Nijkerk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededaders met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met geweld (het slaan met een zaklamp op het hoofd, althans het lichaam en het slaan met stokken op het lichaam) in een personenauto opgesloten en vervoerd in een personenauto.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 240 uur werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De verdediging heeft verzocht in geval van bewezenverklaring een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 20 mei 2014; en

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland d.d. 10 februari 2014, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft samen met een aantal familieleden op hardhandige wijze een jongen van de vrijheid beroofd om hem ertoe te bewegen geld terug te geven dat hij door oplichting van verdachte afhandig heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het onaanvaardbaar dat verdachte voor eigen rechter heeft willen spelen.

Vanuit zowel speciaal- als generaal preventief oogpunt dient eigenrichting stevig te worden bestraft.

Dat verdachte, zoals hij zegt geen enkel vertrouwen in de politie meer had is misschien wel begrijpelijk, indien klopt wat hij daarover zegt, maar vormt geen enkel excuus om over te gaan tot eigenrichting zoals hij deed.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er in hoge mate rekening mee dat aangever inmiddels onherroepelijk door de kinderrechter veroordeeld is voor het oplichten van verdachte, dat deze actie een daarvan rechtstreeks gevolg is, en dat verdachte first offender is. Naar het oordeel van de rechtbank is een werkstraf van na te noemen duur passend.

De straf valt fors lager uit dan de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven knijptang behoort toe aan de verdachte en zal aan verdachte moeten worden teruggegeven.

6A. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2000,- aan smartengeld, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen tot het bedrag van € 500,-, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De rechtbank overweegt als volgt.

Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat hij door het voorval is getraumatiseerd en onder behandeling is bij Topzorg de Waag in Amersfoort waarbij traumaverwerking een onderdeel van de behandeling is. Dit is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. Ter terechtzitting is namens de benadeelde partij voorts medegedeeld dat deze aan PTSS lijdt, die echter niet uitsluitend door het feit is veroorzaakt. De rechtbank kan niet vaststellen of en in hoeverre de traumatische klachten zijn veroorzaakt door het feit.

Daarnaast dient voor een goede beoordeling van de vordering te worden vastgesteld, gelet op de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft afgespeeld, in hoeverre er sprake is van medeschuld van de benadeelde partij.

Naar het oordeel van de rechtbank zou een nadere beoordeling van de vordering op die punten een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 30 (dertig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 30 (dertig) uren, zijnde 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven knijptang, aan de veroordeelde.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. J. Barrau en mr. G.J.M. van Wijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 jul 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, zaaknummer BVH 2014014856, gesloten op 7 februari 2014,[datum sluiting] en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 juli 2014; proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1], p. 344; proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4], p. 324.

3 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2], p. 381 en 382.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 232-234.

5 Proces-verbaal van verhoor [getuige], p. 248-249.

6 Medische verklaring d.d. 22 november 2013, onderdeel van aanvullend proces-verbaal d.d. 12 februari 2014.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 281.

8 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1], p. 349.

9 Fotoblad, p. 360.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 469

11 Proces-verbaal van verhoor J.B. [medeverdachte 3], p. 312