Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4366

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_5007
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verordening leerlingenvervoer; ongegrond; Mytylschool Gabriël in Den Bosch is de dichtstbijzijnde toegankelijke school; beroep op de hardheidsclausule is in redelijkheid afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/5007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eisers], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel te Kerkdriel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers´ aanvraag voor een vergoeding van de kosten van het schoolvervoer voor het schooljaar 2013/2014 voor hun dochter [naam dochter] naar de Mytylschool in Eindhoven afgewezen.

Eisers hebben tegen het besluit van 3 juli 2013 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op verzoek van eisers het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank teneinde dit als beroep te behandelen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014. Eiser [naam] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden

mr. O.E. Mostard en M. Verheijen.

Overwegingen

1.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: Wec) worden met betrekking tot de onderwijssoorten, genoemd in het tweede lid, de volgende clusters onderscheiden:

[…]

c. cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps.

[…]

3.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wec verstrekken burgemeester en wethouders ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de leerling op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast.

4.

In artikel 1, onder l, van de Verordening leerlingenvervoer (hierna: Verordening) is bepaald dat onder toegankelijke school wordt verstaan voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school van de soort waarop de leerling is aangewezen.

5.

In artikel 3, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijk school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.

6.

Ingevolge artikel 29 van de Verordening kan verweerder in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in de Verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen.

7.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door eisers in de aanvraag vermelde Mytylschool niet kan worden aangemerkt als dichtstbijzijnde toegankelijk school, zodat op grond van de Verordening geen recht op vergoeding van de vervoerskosten naar die school bestaat. De Mytylschool Gabriël in Den Bosch is de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

8.

Eisers hebben aangevoerd dat de Mytylschool in Den Bosch niet kan worden aangemerkt als de dichtstbijzijnde voor [naam dochter] toegankelijke school. [naam dochter] heeft als ontwikkelingsperspectief diplomagericht voortgezet onderwijs. Op de Mytylschool te Den Bosch is het voor [naam dochter] niet mogelijk om een diploma te halen. Deze school is dan ook niet passend voor [naam dochter] en kan daarom niet worden gezien als de dichtstbijzijnde toegankelijke school, aldus eisers.

9.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in haar uitspraak van 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:553, inzake de kosten voor het schoolvervoer 2012-1013 van [naam dochter] reeds overwogen dat uit artikel 1 van de Verordening blijkt dat onder toegankelijke school moet worden verstaan de school van de soort waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Gelet op artikel 2 van de Wec moet onder ´soort onderwijs´ worden verstaan het cluster waarin de instelling onderwijs aanbiedt. Tussen partijen is niet in geschil dat de Mytylschool te Den Bosch speciaal onderwijs aanbiedt voor lichamelijk gehandicapte kinderen, het zogeheten cluster 3-onderwijs, en dat [naam dochter] op dit soort onderwijs is aangewezen. Dat op de Mytylschool te Den Bosch geen diplomagericht onderwijs wordt gegeven maakt niet dat het tot een andere onderwijssoort behoort, zodat het op deze school verzorgde onderwijs als toegankelijk als bedoeld in de Verordening kan worden aangemerkt. Het betoog van eisers faalt derhalve.

Eisers doen voorts een beroep op de hardheidsclausule. [naam dochter] wordt door het bestreden besluit ernstig gedupeerd voor haar verdere leven. Verweerder is voorbijgegaan aan de mogelijkheden en capaciteiten van [naam dochter] om een diploma te halen. Een diploma geeft haar een startkwalificatie waar zij voor de rest van haar leven profijt van heeft. Deze startkwalificatie kan zij in Den Bosch niet krijgen. Feitelijk gaat [naam dochter] nu naar de Mytylschool in Eindhoven, en het zelf regelen van het vervoer door de ouders is zwaar voor het gehele gezin.

10.

Op grond van artikel 29 van de Verordening kan verweerder in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in de Verordening.

11.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de door eisers aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 29 van de Verordening. De rechtbank verwijst in dit verband eveneens naar de voornoemde uitspraak van de Afdeling, waarin deze omstandigheden ook zijn aangevoerd en zijn getoetst. Hierover heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat eisers graag willen dat [naam dochter] de school bezoekt die het best aansluit bij haar capaciteiten en dat daarvoor dagelijks vervoer naar Eindhoven nodig is, niet dusdanig bijzonder is dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien af te wijken van de bepalingen van de Verordening. Verweerder heeft daarom in redelijkheid het beroep op de hardheidsclausule kunnen afwijzen.

12.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Vogel, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.