Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4350

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-07-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
264694
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot het verstrekken van informatie aan de Belastingdienst over de bij een Luxemburgse bank aangehouden bankrekeningen, op straffe van een dwangsom. Het verkregen materiaal mag uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/351

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/264694 / KG ZA 14-242

Vonnis in kort geding van 7 juli 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelend te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. J.M.L. van Duin te ‘s-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaten mrs. A.A. Feenstra en V. Ruijs te Breda,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna de Belastingdienst en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de (eerste, algemene) pleitnota van de Belastingdienst

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de (tweede) pleitnota van de Belastingdienst

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het jaar 2000 kreeg de Belastingdienst via de Belgische autoriteiten de beschikking over een grote hoeveelheid gegevens van Nederlandse rekeninghouders bij de KB Luxbank te Luxemburg. Het betreft fotokopieën van afgedrukte microfiches die afkomstig zijn uit de interne administratie van deze Luxemburgse bank. De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij deze bank per 31 januari 1994. De fotokopieën zijn in het kader van internationale gegevensuitwisseling bij brief van 27 oktober 2000 door de Belgische autoriteiten aan de Belastingdienst verstrekt.

2.2.

Het onderzoek van de Belastingdienst aan de hand van de verkregen fotokopieën staat bekend als het Rekeningenproject.

2.3.

Aan de hand van deze fotokopieën heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders. Op de fotokopieën die de Belastingdienst in zijn bezit heeft, staat als rekeninghouder van enkele rekeningen [gedaagde] genoemd. De rekeningen betreffen een “vue-rekening” (rekening-courantrekening) met een (negatief) saldo van fl 423,94 en drie termijndeposito’s met een (positief) saldo van respectievelijk

fl 601.963,86, fl 415.576,74 en fl 33.004,74.

2.4.

De Belastingdienst heeft [gedaagde] in 2002 voor het eerst aangeschreven met vragen over de bankrekening(en), aangezien de omvang, en onder omstandigheden ook de herkomst van de in het buitenland aangehouden tegoeden, voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Vervolgens zijn er in de jaren daarna meerdere vragenbrieven toegezonden met het verzoek om informatie te verstrekken over het vermogen in het buitenland.

2.5.

De politierechter van de rechtbank Arnhem heeft [gedaagde] op 12 december 2005 vrijgesproken van het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige belastingaangifte. In de aantekening van het mondelinge vonnis is daartoe onder meer als volgt overwogen:

De identificatie van verdachte is volgens de FIOD-ECD gebaseerd op de volgende redenering:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor:

[gedaagde];

2. Uit de match van het clientenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt als enige hit naar voren; [gedaagde], sofinummer [nummer 1];

3. Uit de match van het clientenbestand KB Lux met het BVR-bestand komen een aantal personen naar voren met de naam [gedaagde], waaronder [gedaagde], sofinummer [nummer 1].”

Deze redenering laat de mogelijkheid open dat op naam van verdachte helemaal geen motorrijtuig staat geregistreerd, met andere woorden dat verdachte behoort tot degene met de naam [gedaagde] die in het BVR-bestand voorkomen en niet tevens in het RDW-bestand. Bepaald niet uit te sluiten is dus dat de verkeerde [gedaagde] is gedagvaard, zodat op basis van bovengenoemde redenering niet bewezen kan worden geacht dat het verdachte is geweest die de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

2.6.

Op 20 december 2002 en 31 mei 2003 zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1990 t/m 1994, 2000 en vermogensbelasting 1995 en 2000 vastgesteld. Tegen de aanslagen is bezwaar gemaakt. Ook tegen de opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2001 en 2002 heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt. Ondanks diverse verzoeken daartoe is nog niet beslist op de bezwaarschriften. Dit geldt ook voor de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor de daarop volgende jaren.

2.7.

Op 20 februari 2014 heeft de Belastingdienst een informatiebeschikking uitgevaardigd. Tegen welke beschikking op 1 april 2014 bezwaar is gemaakt.

2.8.

[gedaagde] is bij brief van 4 april 2014 van de advocaat van de Belastingdienst een laatste termijn geboden tot uiterlijk 18 april 2014 om verklaring en nadere opgaaf te doen.

3 Het geschil

3.1.

De Belastingdienst vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te beveelt om:

A) op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) hij na 31 januari 1994 bij de KB Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse banken - heeft aangehouden dan wel nog aanhouden;

B) opgaaf te doen van de onder A) bedoelde buitenlandse rekening(en) van [gedaagde] door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994 - heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

C) een mondelinge toelichting te geven op de onder A) en B) omschreven gegevens,

inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur van de Belastingdienst nader te bepalen termijn;

D) binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn aan het onder A) en B) omschreven bevel en binnen de door de inspecteur van de Belastingdienst nader te bepalen termijn aan het onder C) omschreven bevel te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

E) met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum dit vonnis;

F) met veroordeling van [gedaagde] in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op

€ 131,00 dan wel, in het geval van betekening, € 199,00.

3.2.

De Belastingdienst legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij de beschikking heeft gekregen over gegevens waaruit blijkt dat [gedaagde] op 31 januari 1994 de beschikking had over bankrekeningen bij de KB Luxbank te Luxemburg. [gedaagde] heeft tot op heden de Belastingdienst niet (volledig) geïnformeerd over dit (en eventueel ander) buitenlands vermogen. [gedaagde] is als rekeninghouders en dus als rechthebbende van die buitenlandse rekeningen op grond van artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verplicht om informatie te verschaffen aan de Belastingdienst.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voldoende aannemelijk is dat de Belastingdienst een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. De Belastingdienst doet al sinds 2002 pogingen om de gevraagde gegevens en inlichtingen van [gedaagde] te verkrijgen. Hoe langer het duurt voordat deze informatie boven tafel komt, hoe meer kans er is dat de Staat belastinginkomsten misloopt doordat (verlengde) navorderingstermijnen verlopen. Dat de Belastingdienst sinds 2011 zelf bij de KB Luxbank gegevens kan opvragen, maakt niet dat het spoedeisend belang bij de onderhavige vorderingen ontbreekt. Voldoende aannemelijk is dat de Belastingdienst belang heeft bij een historisch verloop en dus bij de informatie vanaf het jaar 1994. Nu deze informatie niet met terugwerkende kracht kan worden opgevraagd is het spoedeisend belang hiermee gegeven.

4.2.

Voorop staat dat [gedaagde] op grond van artikel 47 lid 1 onderdeel a AWR verplicht is om aan de inspecteur van de Belastingdienst de gegevens en inlichtingen te verschaffen welke van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijner aanzien.

4.3.

Er is inmiddels in een heel aantal procedures geoordeeld dat de procedure die de Belastingdienst in het kader van de identificatie van de rekeninghouders bij de KB Luxbank in Luxemburg heeft verricht voldoende betrouwbaar is (vgl. Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298 en Hof ’s-Hertogenbosch 29 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BW8598). Dat geldt, voorshands geoordeeld, ook voor de hier plaatsgevonden identificatie. De politierechter van de rechtbank Arnhem heeft [gedaagde] evenwel op 12 december 2005 vrijgesproken van het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige belastingaangifte in 1995 t/m 1997, omdat de mogelijkheid zou bestaan dat op naam van [gedaagde] geen motorrijtuig geregistreerd zou staan, anders gezegd dat [gedaagde] behoort tot degene met de naam [gedaagde] die in het BVR-bestand voorkomt en niet tevens in het RDW-bestand.

Uit het proces-verbaal van verbalisant [naam 5] van 21 november 2001 (dat overigens verkeerd geciteerd is in de aantekening van het mondelinge vonnis van 12 december 2005) blijkt dat de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Luxbank zijn verwerkt in een bestand (cliëntenbestand). Dit bestand is gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen zijn opgenomen en welk bestand voor wat betreft de natuurlijke personen wordt gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In dit bestand zijn personen opgenomen met hun voorletters en niet met voornamen. Op deze wijze zijn de rekeninghouders vermoedelijk geïdentificeerd en is het cliëntenbestand aangevuld met de sofinummers. De gevonden sofinummers zijn gekoppeld aan het bestand van het Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister (CBR), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen zijn opgenomen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat (het RDW-bestand). Op de afdruk van de microfiche van KB Lux is de naam [gedaagde] vermeld. Uit de match van het cliëntenbestand met het BVR-bestand komt een aantal personen naar voren met de naam [gedaagde], waaronder [gedaagde] met sofinummer [nummer 2]. Uit de match van het cliëntenbestand met het RDW bestand komt als enige hit naar voren: [gedaagde] met sofinummer [nummer 2].

4.4.

Op 26 juni 2014 heeft ambtenaar van de Belastingdienst en tevens opsporingsambtenaar [naam 6] een tweede proces-verbaal opgemaakt, waarin onder meer is opgenomen dat uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand tot en met het jaar 1994 (het jaar waarover de KB Lux gegevens ter beschikking zijn gesteld) 55 volwassen personen voorkomen met de familienaam [gedaagde], waarbij de voorletter met een ‘T’ begint. Van deze 55 personen zijn er 3 die niet door middel van een voornaam geïdentificeerd konden worden. Eén persoon met de naam [naam 1] heeft volgens het bestand BVR uitsluitend een buitenlands adres. Er bestaat geen enkele indicatie dat deze persoon in Nederland woonachtig is geweest. Eén persoon met de naam [naam 2] met een feitelijk woonadres hier te lande met ingang van [datum] is vanaf [datum] woonachtig in Taiwan, waarbij in het BVR-bestand tevens de volgende aantekening is gemaakt: “Verbl. titel : 12 Vergunning Art. 9 Vw, met beperking, die elke vorm arbeid”. Eén persoon met de naam [naam 3] is volgens het BVR-bestand sinds het jaar 1990 met onbekende bestemming vertrokken. Van deze persoon zijn geen gegevens bekend in het BVR-bestand, de Gemeentelijke basisadministratie, de Registratie Niet Ingezetenen, of de Kamer van Koophandel. Van de resterende 52 personen met de familienaam [gedaagde] waarvan de eerste voorletter met een “T” begint, is er één persoon waarvan de voornaam [gedaagde] is. Dit is [gedaagde] geboren op [geboortedatum] met sofinummer [nummer 2].

4.5.

Uit het tweede proces-verbaal blijkt dat nader onderzoek is gedaan naar alle personen die in het BVR-bestand zijn opgenomen met de naam [gedaagde], waarbij ook de voornamen zijn onderzocht. Nu na uitvoerig onderzoek slechts één persoon resteert met de achternaam [gedaagde] en de voornaam [naam 4], welke naam als zodanig op de afdruk van de microfiche voorkomt, en overeenkomt met de naam en het sofinummer zoals opgenomen in het RDW-bestand, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] op 31 januari 1994 houder was van eerdergenoemde bankrekening bij KB-Lux. De advocaat van [gedaagde] heeft ter zitting nog aangevoerd dat in Chinese paspoorten (aangenomen moet worden dat om een rekening te openen bij KB Luxbank een paspoort moest worden getoond) de voor- en achternamen in Chinese tekens zijn weergegeven, waardoor het onderscheid tussen voor- en achternamen kan afwijken. [naam 7], werkzaam als landelijk coördinator civiele procedures bij de Belastingdienst, heeft dienaangaande verklaard dat de Chinese tekens/karakters in een Chinees paspoort ook in Romeinse letters staan uitgeschreven, hetgeen onweersproken is gebleven. In dit kort geding is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat het renseignement van 31 januari 1994 betrekking heeft op aangehouden (spaar)tegoeden die toebehoorden aan [gedaagde]. Dat een fiscaal rechterlijk (onherroepelijk) oordeel over de identificatie ontbreekt, maakt het voorgaande niet anders.

4.6.

De advocaat van [gedaagde] heeft nog betoogd dat dat artikel 6 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat, omdat niemand gehouden kan zijn zichzelf te incrimineren. Overwogen wordt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640) heeft geoordeeld dat de voorzieningenrechter de op grond van artikel 47 AWR ingestelde vorderingen onder last van een dwangsom mag toewijzen, omdat deze vorderingen zijn ingesteld met het oog op belastingheffing (vgl. EHRM 10 september 2002, ECLI:NL:XX:2002:BI9566 (Allen tegen het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 21 april 2009, ECLI:NL:XX:2009:BJ3599 (Marttinen tegen Finland rov. 68)). Omdat echter niet uitgesloten is dat de gevorderde informatie ook ten behoeve van bestuurlijke beboeting of bestraffing zal worden gebruikt, dient de voorzieningenrechter, voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige, aan de toewijzing een clausulering te verbinden die erop neerkomt dat het verkregen materiaal uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de belastingheffing (vgl. EHRM 17 december 1996, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862 (Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 3 mei 2001, ECLI:NL:XX:2001:AN6999 (J.B. tegen Zwitserland)). De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de Belastingdienst dan ook geclausuleerd toewijzen, een en ander zoals hierna volgt. Vooralsnog bestaat onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad niet in overeenstemming is met de jurisprudentie van het EHRM. De door de advocaat van [gedaagde] bij brief van 6 maart 2014 ingediende klacht bij het EHRM hierover maakt dat, voorshands geoordeeld, niet anders.

4.7.

Ook het verweer van [gedaagde] dat de Belastingdienst geen belang heeft bij zijn vordering omdat [gedaagde] al zou hebben voldaan aan de bevelen van de Belastingdienst en daarmee aan zijn inlichtingenplicht doordat hij vele reacties heeft doen toekomen aan de Belastingdienst faalt. Dit verweer komt feitelijk neer op een blote ontkenning van het feit dat [gedaagde] ooit rekeningen heeft gehad bij de KB Luxbank, waarmee geen genoegen kan worden genomen. Uit het renseignement en de identificatie van [gedaagde] als rekeninghouder blijkt dat hij meerdere rekeningen heeft gehad bij de KB Luxbank, zodat [gedaagde] in weerwil daarvan niet kan volstaan met een enkele blote ontkenning in het kader van zijn informatieverplichting ex artikel 47 AWR.

4.8.

Voldoende aannemelijk is derhalve geworden [gedaagde] op 31 januari 1994 over buitenlandse (spaar)tegoeden beschikte, zodat hij op grond van artikel 47 AWR gehouden is ter zake gegevens en inlichtingen te verstrekken. Met inachtneming van het voorgaande komen de vorderingen jegens [gedaagde] voor toewijzing in aanmerking.

4.9.

De gevorderde dwangsom zal tot het gevorderde bedrag worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 500.000,00. De stelling van [gedaagde] dat geen dwangsom dient te worden opgelegd omdat hij de veroordelingen/bevelen niet kan nakomen, kan niet gevolgd worden. Immers nu voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] rekeninghouder was van een rekening bij de KB-Luxbank kan hij rekeningafschriften aan de Belastingdienst tonen en daarmee de veroordelingen/bevelen nakomen.

4.10.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Belastingdienst worden begroot op:

- dagvaarding € 95,77

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.519,77

4.11.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) hij na 31 januari 1994 bij de KB Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse banken - heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis opgaaf te doen van de onder 5.1 bedoelde buitenlandse rekening(en) door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op het laatstgenoemde formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994 - heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot het geven van een mondelinge toelichting op de onder 5.1. en 5.2. omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur van de Belastingdienst nader te bepalen termijn,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan de Belastingdienst een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1 tot en met 5.3 uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt,

5.5.

bepaalt dat, voor zover de hiervoor onder 5.1. tot en met 5.3. vermelde veroordelingen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [gedaagde] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Belastingdienst tot op heden begroot op € 1.519,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 7 juli 2014.