Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4347

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
257235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil met betrekking tot (onder meer) een glazen doolhof (kermisattractie). Huurovereenkomst levert dwingend bewijs op van eigendom (art. 157 Rv). Geen ruimte voor tegenbewijs. Geen verjaring. Doolhof moet terug. Gedaagde mag wel tegenbewijs leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van eiser dat hij eigenaar is geworden en gebleven van de salonwagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/257235 / HA ZA 14-23

Vonnis van 25 juni 2014

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [plaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. J.W. Weehuizen te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.J. de Bie te Kerkdriel.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] worden genoemd. Eisers zullen afzonderlijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 april 2014

  • -

    de brief van mr. Weehuizen van 29 april 2014 met negen nadere producties (verklaringen)

  • -

    de brief van mr. de Bie van 2 mei 2014 met elf nadere producties (verklaringen)

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 14 mei 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is vader van een dochter, [naam 1], en een zoon, [naam 2]. [naam 2] is op 24 september 2013 overleden. [eiser sub 2] is de zoon van [naam 1] en is derhalve een kleinzoon van [eiser sub 1]

[gedaagde] was de (tweede) echtgenote van [naam 2].

2.2.

[eiser sub 1] houdt zich sinds 1962 bezig met het exploiteren van kermisattracties, waaronder een door hemzelf in 1977/1978 gebouwd glazen doolhof (hierna: het glazen doolhof). Voor het vervoer van dit doolhof werd gebruik gemaakt van een Scania vrachtwagen. In 2013 heeft [eiser sub 2] een nieuwe Scania vrachtwagen met [kenteken] en een aanhanger met [kenteken] gekocht, waarmee het glazen doolhof werd vervoerd.

2.3.

Vanaf 2009/2010 hebben [naam 2] en [gedaagde] met het glazen doolhof kermissen bezocht, waarbij voor het vervoer hiervan gebruik werd gemaakt van voornoemde vrachtwagen met aanhanger.

2.4.

In januari 2011 heeft [eiser sub 1] een salonwagen (grote stacaravan) gekocht. Deze is als verblijfplaats gaan dienen voor [naam 2] en zijn gezin. De salonwagen wordt thans bewoond door [gedaagde] en staat op [camping].

2.5.

Op 29 oktober 2013 heeft [gedaagde] het glazen doolhof na afloop van een kermis in Enschede met behulp van de voornoemde Scania met aanhanger naar een onbekende bestemming laten vervoeren . In de Scania bevond zich een scooter met [kenteken], die eveneens is meegenomen. Ook heeft zij een aan [eiser sub 1] in eigendom toebehorende personenauto van het merk Dodge ([kenteken]) meegenomen.

2.6.

[eisers] heeft op 30 oktober 2013 aangifte gedaan van diefstal van de Scania, aanhanger en het doolhof door [gedaagde].

2.7.

Omstreeks 6 november 2013 is de Dodge aangetroffen te Kerkdriel, vlakbij [camping], en door de politie naar [eiser sub 1] teruggebracht.

2.8.

Bij sommatiebrief van 28 november 2013 heeft [eisers] [gedaagde] gesommeerd om over te gaan tot afgifte van het glazen doolhof, de salonwagen, de scooter met bijbehorend kentekenbewijs en het kentekenbewijs met sleutels van de Dodge.

2.9.

Op 30 november 2013 zijn de Scania met aanhanger leeg aangetroffen langs de snelweg (A2) op de parkeerplaats van wegrestaurant De Lucht.

2.10.

Op 3 januari 2014 is ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag tot afgifte gelegd op de salonwagen.

2.11.

Bij de stukken bevindt zich een huurovereenkomst tussen [eiser sub 1] als verhuurder en [naam 2] als huurder. Deze overeenkomst, gedateerd op 18 december 2009, luidt:

(…)

Middels deze overeenkomst leggen wij vast voor onbepaalde periode de verhuur van:

  1. Glazen doolhof, genaamd China Town compleet met toebehoren

  2. Vrachtwagen merk Scania [kenteken]

  3. Verkoopwagen (Lucky Duck) compleet met toebehoren.

Ingangsdatum 01-01-2010, voor de huurprijs van € 400, zegge vierhonderd per maand, te voldoen op de vijfde dag van elke maand.

Onderhoudskosten, verzekering, wegenbelasting e.d. behoren toe aan rekening van huurder.

Aldus in drievoud opgemaakt (….)

2.12.

Bij de stukken bevindt zich de volgende verklaring van de verkoopster van de salonwagen, [naam 3]:

Hierbij verklaar ik [naam 3] dat ik de woonwagen aan [eiser sub 1] geboren op 10-06-34 heb verkocht

hij heeft mij betaald waarbij ik mijn man [naam 4] aanwezig waren en [naam 5] en zijn vrouw [naam 5] ook aanwezig waren

ik neem aan dat hun zolang in de woonwagen gingen wonen tot ze woonruimte gevonden hadden. ik heb ook gezien dat ze een brief ondertekenken voor de huur van de woonwagen

[naam 3] (…)

3 Het geschil

3.1.

Ter comparitie is een aantal vorderingen ingetrokken, waaronder de vorderingen van [eiser sub 2]. [eiser sub 1] vordert thans nog, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst met betrekking tot het glazen doolhof tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] als bedoeld bij punt 23 van de dagvaarding is ontbonden, althans om die huurovereenkomst te ontbinden;

  2. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser sub 1] binnen 14 dagen na dit vonnis de navolgende zaken af te geven:

 het hier bedoelde glazen doolhof;

 de sleutels van de personenauto merk Dodge;

 de salonwagen met kenteken [kenteken], [chassisnummer],

alles op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft nadat 14 dagen na (de betekening van) dit vonnis zijn verstreken,

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser sub 1] van alle schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden ten gevolge van de onrechtmatige handelwijze van [gedaagde], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

4. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten en de kosten van de gelegde conservatoire beslagen, waaronder die van het door [eiser sub 1] gelegde conservatoire beslag op de salonwagen.

3.2.

[eiser sub 1] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij eigenaar is van het glazen doolhof en de salonwagen en dat [gedaagde] deze zonder recht of titel onder zich heeft. Naar aanleiding van de sommatie van 28 november 2013 is [gedaagde] niet overgegaan tot afgifte van het doolhof en de salonwagen. Ook de sleutels van de Dodge zijn nog steeds in het bezit van [gedaagde] terwijl zij erkent dat deze aan hem als eigenaar toebehoren, aldus [eiser sub 1]

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat dat het glazen doolhof en de salonwagen al geruime tijd geen eigendom meer zijn van [eiser sub 1] Het glazen doolhof is lang geleden door [eiser sub 1] in eigendom overgedragen aan haar overleden echtgenoot. De salonwagen was deels een huwelijksgeschenk in 2010 en deels heeft [naam 2] ervoor betaald. Er is nooit huur betaald. De gevorderde sleutels van de Dodge zijn al geretourneerd, aldus [gedaagde]. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] nog een beroep gedaan op de verkrijgende verjaring van een roerend non-registergoed.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal eerst de vordering tot afgifte van het doolhof behandelen en zal daarna ingaan op de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de huurovereenkomst.

het glazen doolhof

4.2.

Vooropgesteld wordt dat [eiser sub 1] onbetwist heeft gesteld dat hij het doolhof zelf heeft gebouwd en dat hij in 1978 derhalve eigenaar was van het doolhof. Voorts heeft [eiser sub 1] een artikel uit de HP van 2 mei 1987 overgelegd, waarin [eiser sub 1] in een interview heeft verklaard eigenaar te zijn van diverse kermisattracties, waaronder het glazen doolhof. Ook dit heeft [gedaagde] niet weersproken. De stelling van [eiser sub 1] dat het doolhof ook daarna zijn eigendom is gebleven en dat [naam 2] het gebruik ervan had op grond van een huurovereenkomst wordt bevestigd in (onder meer) een drietal schriftelijke verklaringen van zijn dochter, zijn schoonzoon en zijn kleindochter. Die laatste stelling wordt tenslotte ook door [eiser sub 1] onderbouwd door overlegging van een door [naam 2] ondertekende huurovereenkomst, gedateerd 18 december 2009, ter zake van (onder meer) het doolhof (zie 2.11). Ingevolge artikel 157 Rv levert deze onderhandse akte ook jegens [gedaagde] dwingende bewijskracht op van de waarheid van hetgeen in die huurovereenkomst is geregeld nu [gedaagde] als rechtverkrijgende onder algemene titel (van de huurrechten uit hoofde van die huurovereenkomst) moet worden beschouwd. De uitzondering van artikel 159 lid 2 Rv is niet van toepassing nu niet kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] de echtheid van de ondertekening van haar overleden echtgenoot niet erkent. Zij heeft slechts gesteld niet op de hoogte te zijn van het bestaan van een huurovereenkomst maar heeft wel ter zitting verklaard dat de handtekening onder de overgelegde huurovereenkomst overeenstemt met de handtekening van haar overleden echtgenoot. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat voorshands als bewezen kan worden aangenomen dat [eiser sub 1] eigenaar is gebleven van het glazen doolhof en dat [naam 2] vanaf 18 december 2009 tot aan zijn overlijden de beschikking heeft gehad over het doolhof op grond van een huurovereenkomst.

4.3.

De vraag is vervolgens of [gedaagde] dient te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen deze voorshands bewezen geachte stelling. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] daartoe onvoldoende (concrete) feiten en omstandigheden heeft gesteld. De omstandigheid dat [naam 2] kennelijk aan haar en aan enkele derden heeft verteld dat hij eigenaar was van het doolhof vormt onvoldoende onderbouwing van haar stelling, temeer nu van de zijde van [eiser sub 1] een drietal verklaringen van collega-kermisexploitanten zijn overgelegd waaruit volgt dat [naam 2] tegen hen zou hebben gezegd dat zijn vader de eigenaar was van het doolhof. Daar komt bij dat [gedaagde] ook onvoldoende heeft geconcretiseerd wanneer, op grond van welke titel (schenking, koop of anderszins) en op welke wijze die eigendomsoverdracht zou hebben plaatsgevonden.

4.4.

Voorts heeft [gedaagde] ter zitting nog aangevoerd dat [naam 2] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van het doolhof. Voor een beroep op verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW is echter vereist dat de bezitter te goeder trouw was, hetgeen betekent dat de bezitter zich redelijkerwijs als rechthebbende mocht beschouwen (art. 3:118 lid 1 BW). Nu [gedaagde] niet heeft gesteld dat en waarom [naam 2] zich redelijkerwijs als eigenaar mocht beschouwen en dit ook niet is gebleken, komt aan [gedaagde] geen beroep op artikel 3:99 BW toe. Voor zover [gedaagde] een beroep bedoelt te doen op de verkrijging door extinctieve verjaring geldt het volgende. Ingevolge artikel 3:105 BW vindt deze verkrijging plaats ten gunste van degene die het goed bezit op het tijdstip waarop de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is voltooid. Deze verjaringstermijn van 20 jaar begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW). Gesteld noch gebleken is dat één van deze twee situaties zich hebben voorgedaan. Gelet op de eerdergenoemde huurovereenkomst moet zelfs worden aangenomen dat [naam 2] vanaf 18 december 2009 uit hoofde van de huurovereenkomst in het bezit is geweest van het doolhof. Ook op basis van artikel 3:314 lid 2 BW kan derhalve niet worden geconcludeerd dat de overleden echtgenoot van [gedaagde] door verjaring eigenaar is geworden van het glazen doolhof.

4.5.

Dan ligt nog de vraag voor of het voorgaande meebrengt dat het doolhof aan [eiser sub 1] dient te worden teruggegeven. Daarvoor is het van belang om vast te stellen of aan [gedaagde] het rustig huurgenot van het doolhof toekomt op grond de door [eiser sub 1] gestelde huurovereenkomst.

4.6.

De rechtbank oordeelt dat de gestelde huurovereenkomst niet aan toewijzing van de vordering tot afgifte in de weg staat. De huurovereenkomst dient als beëindigd te worden beschouwd aangezien de huurder ([naam 2]) is overleden en [gedaagde] geen aanspraak heeft gemaakt op toedeling aan haar van de rechten en verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst (zie artikel 7:229 lid 1 BW). Dit bevreemdt ook niet gelet op haar stelling dat er nooit een huurovereenkomst heeft bestaan tussen [eiser sub 1] en haar overleden echtgenoot. De vordering tot afgifte van de salonwagen zal dan ook worden toegewezen. Tegen de termijn van veertien dagen is geen verweer gevoerd en deze termijn komt de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet irreëel voor. De afgifte zal dan ook binnen deze termijn worden bevolen.

De vordering tot verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden dan wel om over te gaan tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurachterstand zal gelet op het voorgaande niet worden toegewezen. Daar heeft [eiser sub 1] overigens ook geen belang meer bij gelet op de toewijzing van de vordering tot afgifte van het doolhof.

de salonwagen

4.7.

[eiser sub 1] stelt dat hij de salonwagen begin 2011 voor € 7.750,00 van [naam 3] heeft gekocht, aangezien [naam 2] met zijn vrouw en vier kinderen een dak boven het hoofd nodig hadden en [naam 2] geen financiële middelen had om zelf in woonruimte te voorzien. Hij wilde zijn zoon helpen om een nieuwe start te maken. Aangezien hij echter geen filantroop is, zoals hij ter zitting verklaarde, is schriftelijk overeengekomen dat [naam 2] de salonwagen zou huren voor € 200,00 per maand. Vanaf dat moment is de salonwagen als verblijfplaats gaan dienen voor zijn zoon en zijn gezin en ging deze in voorkomende gevallen ook mee naar de kermissen waar het glazen doolhof kon worden geplaatst. Uiteindelijk heeft [naam 2] nooit huur betaald. [eiser sub 1] is niet langer bereid om het gebruik van de salonwagen door [gedaagde] toe te staan aangezien zij zijn eigendomsaanspraak niet erkent.

4.8.

[gedaagde] stelt dat de salonwagen al geruime tijd op haar naam staat en dat deze salonwagen – deels – een huwelijksgeschenk voor haar en [naam 2] was in 2010. Zij heeft nooit een huurcontract gezien en ze hebben nooit huur betaald voor het gebruik van de salonwagen, aldus [gedaagde].

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiser sub 1] heeft zijn stelling dat de salonwagen aan hem in eigendom toebehoort, onderbouwd met (onder meer) een verklaring van [naam 3], de voormalige eigenaresse van de salonwagen (zie onder 2.12), die heeft verklaard dat zij de salonwagen aan [eiser sub 1] heeft verkocht en dat ze van hem de koopsom heeft ontvangen. Hoewel [eiser sub 1] stelt dat hij – wegens aan [gedaagde] toe te rekenen omstandigheden – niet meer beschikt over de schriftelijke huurovereenkomst, blijkt uit de verklaring van [naam 3] dat zij partijen een ‘brief’ heeft zien ondertekenen over de huur van de salonwagen en heeft hij diverse andere verklaringen in het geding gebracht waaruit voorlopig kan worden afgeleid dat de salonwagen geen eigendom is geworden van [naam 2] en [gedaagde] maar aan hen is verhuurd. Dit wordt onder meer verklaard door zijn dochter ([eiser sub 2], productie 3) en zijn schoonzoon ([naam 6], productie 2), die overigens ook verklaren dat de financiële positie van [naam 2] nimmer zodanig is geweest dat hij de helft van de salonwagen had kunnen voldoen, althans dat [naam 2] er telkenmale voor zou hebben gekozen om de schulden aan zijn vader (en diverse anderen) onbetaald te laten.

4.10.

Tegenover de onderbouwde stelling van [eiser sub 1] staat uitsluitend het onweersproken en derhalve vaststaande feit dat de salonwagen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer op naam van [gedaagde] staat. Dit laatste betekent echter niet dat daarmee is gezegd dat de salonwagen in eigendom toebehoort aan [gedaagde]. De verklaringen van [naam 7] en [naam 8], zoon respectievelijk moeder van [gedaagde], bevestigen dat de salonwagen op haar naam staat maar bieden geen steun voor de stelling van [gedaagde] dat zij de salonwagen deels als huwelijksgeschenk hebben gekregen en deels hebben betaald.

Op grond van de schriftelijke verklaring van de voormalige eigenaresse van de salonwagen en in aanmerking genomen de summierlijk onderbouwde betwisting van de juistheid van die verklaring door [gedaagde], acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat [eiser sub 1] eigenaar is geworden en gebleven van de salonwagen. [gedaagde] zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

sleutels van de Dodge

4.11.

[gedaagde] erkent dat de onderhavige auto eigendom is van [eiser sub 1] [gedaagde] heeft ter comparitie het verweer gevoerd dat zij aan de verplichting om naast de auto ook de daarbij behorende sleutels te retourneren heeft voldaan door zowel het kentekenbewijs als de sleutels van de Dodge na overleg met haar advocaat per aangetekend schrijven naar het adres van [eiser sub 1] te verzenden. en dat zij over bewijs hiervan beschikt.

4.12.

Nu [gedaagde] op zichzelf heeft erkend dat [eisers] eigenaar is van de Dodge, en zij zich vervolgens heeft beroepen op het rechtsgevolg van haar verweer, terwijl [eiser sub 1] dit verweer gemotiveerd heeft betwist, rust op grond van het bepaalde in artikel 150 Rechtsvordering (Rv) op [gedaagde] de bewijslast van haar stelling. Aan [gedaagde] zal, overeenkomstig haar bewijsaanbod, derhalve bewijs worden opgedragen van haar stelling dat zij de sleutels van de Dodge per aangetekend schrijven aan [eiser sub 1] heeft verzonden en deze door [eiser sub 1] zijn ontvangen.

schadevergoeding op te maken bij staat

4.13.

[eiser sub 1] vordert dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot vergoeding van alle schade die hij lijdt en nog zal lijden ten gevolge van de onrechtmatige handelwijze van [gedaagde]. Hiertegen heeft [gedaagde] geen specifiek verweer gevoerd, anders dan het verweer inhoudende dat zij van mening is dat de eigendom van het doolhof en de salonwagen aan haar toebehoren.

4.14.

Uit het voorgaande is reeds gebleken dat die stelling van [gedaagde] voor wat betreft het doolhof in ieder geval niet opgaat. Zij heeft dan ook ten onrechte opdracht gegeven aan een derde om het doolhof naar een onbekende plek te brengen en geweigerd het doolhof aan [eiser sub 1] te retourneren. Deze handelwijze dient als onrechtmatig jegens [eiser sub 1] te worden aangemerkt en aannemelijk is dat [eiser sub 1] hierdoor schade heeft geleden. Doordat hij het doolhof niet onder zich heeft, heeft hij niet kunnen inschrijven voor kermissen terwijl de zomermaanden de maanden zijn waarin het doolhof geëxploiteerd dient te worden. De vordering om [gedaagde] te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, komt dan ook voor toewijzing in het eindvonnis in aanmerking.

4.15.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.16.

Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.

4.17.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat [gedaagde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [eiser sub 1] dat hij eigenaar is geworden en gebleven van de salonwagen,

5.2.

draagt [gedaagde] op tot het leveren van bewijs van haar stelling dat zij de sleutels van de Dodge per aangetekend schrijven aan [eiser sub 1] heeft verzonden en deze door [eiser sub 1] zijn ontvangen,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 juli 2014 voor uitlating door [gedaagde] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.5.

bepaalt dat [gedaagde], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.S.T. Belt in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.