Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4346

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
255695
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of gedaagde als advocaat van eiser is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand, door in procedures in eerste aanleg (die eiser heeft gewonnen) bepaalde verweren niet te voeren. Geen sprake van een beroepsfout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/255695 / HA ZA 13-817

Vonnis van 25 juni 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. I.R.M. Goedings te Ede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde,

(proces)advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 april 2014 en de daarin genoemde processtukken

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 15 mei 2014 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Voor de leesbaarheid van dit vonnis neemt de rechtbank hier enkele feiten over uit het vonnis in incident van 19 februari 2014 in de onderhavige zaak, aangevuld met andere feiten.

2.2.

In de periode 2008-2012 heeft [gedaagde] [eiser] als advocaat bijgestaan in een geschil tussen [eiser] en [naam 1]. [eiser] is op 24 september 2008 door [naam 1] gedagvaard in kort geding voor de voorzieningenrechter in de toenmalige rechtbank Arnhem. Daarnaast heeft [naam 1] bij dagvaarding van 28 januari 2009 een bodemprocedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt, eveneens bij de rechtbank Arnhem.

2.3.

Het geschil tussen [eiser] en [naam 1] vindt zijn oorsprong in de samenwerking tussen hen als advocaten. [eiser] is van 1 juni 2005 tot 1 juni 2007 als advocaat werkzaam geweest op het advocatenkantoor van [naam 1] te [plaats]. [naam 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hen bestaande maatschapsovereenkomst en heeft op grond daarvan, kort gezegd, nakoming van de maatschapsovereenkomst, bestaande uit onder meer veroordeling van [eiser] tot betaling van een bedrag van € 40.526,00 gevorderd.

2.4.

Bij vonnis van 7 januari 2009 heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, de vorderingen van [naam 1] in kort geding afgewezen. Bij eindvonnis van 20 april 2011 heeft de rechtbank Arnhem de vorderingen van [naam 1] in de bodemprocedure eveneens afgewezen.

2.5.

[naam 1] is van laatstgenoemd vonnis in hoger beroep gegaan. [eiser] heeft zich in de appelprocedure laten bijstaan door een andere advocaat: mr. I.R.M. Goedings.

2.6.

Bij arrest van 8 januari 2013 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Arnhem vernietigd en, kort gezegd, de vorderingen van [naam 1] alsnog toegewezen. Het hof heeft onder meer voor recht verklaard dat [eiser] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de maatschapsovereenkomst en [eiser] veroordeeld tot betaling aan [naam 1] van € 40.526,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 april 2007.

2.7.

[gedaagde] heeft de werkzaamheden die hij ten behoeve van de procedures in eerste aanleg voor [eiser] heeft verricht aan [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft de facturen betaald.

2.8.

Bij brief van 20 maart 2013 heeft mr. Goedings namens [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens [eiser] door - kort gezegd - in de procedure tegen [naam 1] “een wezenlijk verweer” niet te onderkennen, en dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden.

3 Het geschil

3.1.

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis wordt hier het geschil zoals opgenomen in het vonnis in incident van 19 februari 2014 ingelast.

3.2.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de tussen hem en [eiser] gesloten overeenkomst tot het verlenen van rechtsbijstand en dat [gedaagde] uit dien hoofde schadeplichtig is geworden jegens [eiser];

  2. veroordeling van [gedaagde] tot het vergoeden van de als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat;

  3. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.3.

[eiser] legt aan zijn vorderingen, kort samengevat, ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis uit de overeenkomst tot het verlenen van rechtsbijstand, doordat hij in de bodemprocedure in eerste aanleg en in het kort geding tussen [eiser] en [naam 1] bepaalde - in de dagvaarding nader omschreven - kansrijke verweren niet heeft gesignaleerd en niet heeft gevoerd. Indien [gedaagde] deze verweren namens [eiser] al in de kort gedingprocedure had gevoerd, zou direct zijn gebleken dat de vordering van [naam 1] tegen [eiser] onhoudbaar was en zou het nooit tot een bodemprocedure of in ieder geval niet tot de voor [eiser] nadelig uitgepakte appelprocedure zijn gekomen. [eiser] stelt dat hij door deze tekortkoming van [gedaagde] schade heeft geleden, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand, de gerechtskosten en de ten laste van hem door het hof uitgesproken veroordeling. Hij vordert vergoeding van die schade door [gedaagde].

3.4.

[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat hij tekort is geschoten in de nakoming van enige op hem als advocaat van [eiser] rustende verplichting in het geschil tussen [eiser] en [naam 1]. Hij voert aan dat hij beide procedures in eerste aanleg voor [eiser] heeft gewonnen. Dat [eiser] de procedure in hoger beroep in de bodemzaak heeft verloren is niet aan [gedaagde] te wijten, omdat [eiser] in hoger beroep is bijgestaan door een andere advocaat. Er bestaat volgens [gedaagde] dan ook geen causaal verband tussen de verwijten die [eiser] hem maakt - het niet voeren van bepaalde verweren in eerste aanleg - en de door [eiser] gepretendeerde schade die het gevolg zou zijn van het voor [eiser] nadelige arrest van het hof van 8 januari 2013.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht bestond inhoudende dat [gedaagde] als advocaat [eiser] zou bijstaan in het geschil tussen [eiser] en [naam 1] in eerste aanleg in de kort gedingprocedure en in de bodemprocedure.

4.2.

Ter comparitiezitting heeft [gedaagde] in aanvulling op zijn verweer in de conclusie van antwoord nog het verweer gevoerd dat de vorderingen van [eiser] reeds moeten worden afgewezen, omdat hij niet op grond van artikel 6:89 BW binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd over de in zijn ogen gebrekkige rechtsbijstandverlening door [gedaagde]. De rechtbank zal allereerst dit verweer bespreken.

4.3.

Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in een prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze heeft moeten ontdekken, bij de schuldeiser ter zake heeft geprotesteerd. [eiser] stelt dat na een latere bestudering en beoordeling van het arrest van het hof van 8 januari 2013 en het procesdossier door een cassatieadvocaat, het voor hem duidelijk is geworden dat [gedaagde] in eerste aanleg een of meerdere beroepsfouten heeft gemaakt. Hij heeft vervolgens bij brief van 20 maart 2013 daarover geklaagd bij [gedaagde] en hem aansprakelijk gesteld voor zijn schade ten gevolge van die fout(en). [gedaagde] heeft niet gesteld op welk eerder moment [eiser] bekend was met de door hem gestelde beroepsfout(en) van [gedaagde] en heeft het door [eiser] gestelde moment van ontdekking van de gestelde beroepsfout(en) niet weersproken, zodat de rechtbank dat moment aanneemt als aanvangstijdstip van de termijn van artikel 6:89 BW. Gelet daarop heeft [eiser] met zijn brief van 20 maart 2013 naar het oordeel van de rechtbank binnen bekwame tijd geklaagd, zodat het verweer van [gedaagde] dat niet tijdig is geklaagd faalt.

4.4.

Ten aanzien van de door [eiser] gestelde beroepsfouten van [gedaagde] als zijn voormalige advocaat en de aansprakelijkheid voor de daardoor ontstane schade, is het volgende van belang.

4.5.

De rechtsverhouding tussen een advocaat en zijn opdrachtgever (cliënt) is gebaseerd op een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW. Die rechtsverhouding wordt verder beheerst door de Advocatenwet, met name artikel 46 Advocatenwet, en de gedragsregels voor advocaten. Op de advocaat die een opdracht aanneemt, rust een inspanningsverplichting: hij moet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen en daarbij de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht ten opzichte van degene wiens belangen hij behartigt. De advocaat heeft bij de uitvoering van zijn opdracht een zekere mate van vrijheid om, in overleg met zijn cliënt, te bezien welke strategie in een bepaalde procedure wordt gekozen, welke stellingen naar voren zullen worden gebracht, welke stukken worden overgelegd, welke (proces)handelingen zullen worden verricht, etc. Er kan pas worden gesproken van een toerekenbare tekortkoming indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders zou hebben gehandeld dan wel een advies wel of niet zou hebben gegeven.

4.6.

Voor de beantwoording van de vraag of de cliënt als gevolg van de fout schade heeft geleden, moet in beginsel worden beoordeeld hoe op de vordering of op het rechtsmiddel had behoren te worden beslist, althans moet het toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt zou hebben gehad indien geen beroepsfout zou zijn gemaakt (HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257).

4.7.

In het geschil tussen [eiser] en [naam 1] in eerste aanleg heeft [naam 1] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat tussen hem en [eiser] een door hen beiden ondertekende schriftelijke maatschapsovereenkomst van 8 januari 2005 bestond waarin een kostenverdeling ontbrak en dat om die reden [eiser] en [naam 1] een kostenverdeling zijn overeengekomen zoals door de boekhouder [naam 2] is voorgesteld en beschreven in zijn brief van 30 juni 2006 (hierna: de [regeling]). Het door [naam 1] gevorderde bedrag van € 40.526,00 is gebaseerd op de [regeling], die volgens [naam 1] deel uitmaakte van de maatschapsovereenkomst. [gedaagde] heeft in eerste aanleg namens [eiser] het verweer gevoerd dat, hoewel er een als maatschapsovereenkomst aangeduid stuk was ondertekend door [eiser] en [naam 1], er tussen hen geen maatschapsovereenkomst bestond en dat de [regeling] ook niet was overeengekomen, zodat [eiser] niets aan [naam 1] was verschuldigd. In beide procedures in eerste aanleg, de kort gedingprocedure en de bodemprocedure, is dit verweer door de rechter gehonoreerd en zijn de vorderingen van [naam 1] integraal afgewezen. Van het afwijzend vonnis van de rechtbank in de bodemprocedure is [naam 1] in hoger beroep gekomen. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat er tussen [eiser] en [naam 1] wel sprake was van een maatschapsovereenkomst en dat de [regeling] daarvan onderdeel uitmaakte en heeft op grond daarvan het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [naam 1] alsnog toegewezen.

4.8.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat het voor hem nadelige arrest van het hof te wijten is aan de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] als zijn advocaat in eerste aanleg, omdat hij in eerste aanleg bepaalde kansrijke verweren ten onrechte niet heeft gevoerd. In de eerste plaats verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij niet het verweer heeft gevoerd dat de schriftelijke maatschapsovereenkomst van 8 januari 2005, in tegenstelling tot de stelling van [naam 1] dat een kostenverdelingsafspraak in de maatschapsovereenkomst ontbrak, in artikel 10.6 wel degelijk een regeling bevatte ter verdeling van de kosten van de maatschap tussen [eiser] en [naam 1]. De aanwezigheid van de kostenverdeling in artikel 10.6 betekent volgens [eiser] dat de vorderingen van [naam 1] die gebaseerd waren op het ontbreken van een kostenparagraaf in de maatschapsovereenkomst en de aanvulling van de maatschapsovereenkomst voor wat betreft de verdeling van de kosten met de [regeling], vanwege innerlijke tegenstrijdigheid ondeugdelijk en onhoudbaar zouden zijn. Hierdoor zou dit verweer kans van slagen hebben gehad en zouden de vorderingen van [naam 1] op grond hiervan, ook in hoger beroep, stranden. Dit verweer zou er ook toe hebben geleid dat [naam 1] van verdere procedures zou hebben afgezien, zodat het voor [eiser] nadelige arrest van het hof überhaupt niet zou zijn gewezen, aldus [eiser].

4.9.

[gedaagde] erkent dat hij dit verweer niet heeft gevoerd en geeft als reden daarvoor aan dat hij geen mogelijkheden zag om de door [eiser] zelf vastgestelde processuele strategie, inhoudende dat er tussen [eiser] en [naam 1] geen maatschapsovereenkomst bestond, vast te houden én gelijktijdig het hiervoor besproken verweer te voeren zonder dat de verweren van [eiser] innerlijk tegenstrijdig en dus ongeloofwaardig zouden worden. Het was volgens [gedaagde] te risicovol om in te gaan op de inhoud van de schriftelijke maatschapsovereenkomst waarop [naam 1] zich beriep, omdat dat erkenning van die overeenkomst zou impliceren, terwijl het kernverweer van [eiser] was dat hij juist geen overeenstemming met [naam 1] had over die overeenkomst.

4.10.

Allereerst is de vraag of [gedaagde] hierdoor toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Vast staat dat [eiser], die zelf ook lange tijd advocaat is geweest, in de bodemprocedure bij de rechtbank aanvankelijk zijn eigen belangen heeft behartigd en de conclusie van antwoord zelf heeft opgesteld en ingediend, en daarin in de kern het verweer heeft gevoerd dat de schriftelijke maatschapsovereenkomst een schijnhandeling was en dat daardoor de inhoud van die overeenkomst van geen enkel belang was voor de rechtsverhouding tussen [eiser] en [naam 1]. De rechtbank kan [gedaagde] volgen in zijn opvatting dat het voeren van het verweer dat de schriftelijke maatschapsovereenkomst in artikel 10.6 een kostenverdelingsafspraak bevatte innerlijk tegenstrijdig zou zijn met het kernverweer van [eiser] dat hij en [naam 1] geen maatschapsovereenkomst hadden gesloten. Dat stond er echter niet aan in de weg om dat verweer als subsidiair verweer te voeren, voor het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat er wel sprake was van een maatschapsovereenkomst tussen partijen. De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het tot de vrijheid van [gedaagde] als advocaat van [eiser] behoorde om zodanig door hem niet juist geacht verweer niet als subsidiair verweer te voeren. Daarom levert het niet voeren van dat verweer geen toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] op. Te meer omdat [gedaagde] in eerste aanleg beide procedures voor [eiser] heeft gewonnen op grond van het gevoerde (primaire) kernverweer dat er geen maatschapsovereenkomst bestond.

4.11.

Los van het feit dat er geen sprake is van een beroepsfout, geldt dat indien in eerste aanleg het verweer dat er wel een kostenverdeling in de maatschapsovereenkomst stond subsidiair wel zou zijn gevoerd door [gedaagde], dat verweer de uitkomst van de procedure in eerste aanleg (in kort geding en in de bodemzaak) niet anders had gemaakt.

De rechtbank is op grond van het (primaire) verweer dat er geen maatschapsovereenkomst tussen [eiser] en [naam 1] bestond tot het oordeel gekomen dat die gestelde overeenkomst niet is komen vast te staan en heeft reeds op grond daarvan [eiser] in het gelijk gesteld en de vorderingen van [naam 1] integraal afgewezen. Dat oordeel impliceert dat de rechtbank andere verweren die zouden zien op de inhoud van de overeenkomst vrijwel zeker onbesproken zou hebben gelaten. Gelet daarop zou de rechtbank ook niet zijn toegekomen aan het subsidiaire verweer inzake de kostenverdeling van artikel 10.6.

4.12.

Tot slot is het maar de vraag of, als de rechtbank wel aan beoordeling van artikel 10.6 zou zijn toegekomen, het artikel zou hebben aangemerkt als een regeling voor verdeling van de kosten. De tekst van het artikel gaat namelijk enkel over de verdeling van winst en verlies, niet over de verdeling van kosten.

4.13.

Naar de rechtbank begrijpt onderscheidt [eiser] twee resultaten die zouden zijn bereikt als [gedaagde] in de procedures in eerste aanleg tussen [eiser] en [naam 1] dat verweer subsidiair zou hebben gevoerd. Het eerste is dat [naam 1] niet in hoger beroep zou zijn gegaan van het voor [eiser] gunstige vonnis van de rechtbank in de bodemprocedure en het tweede is dat indien [naam 1] wel in hoger beroep zou zijn gegaan, hij in het hoger beroep in het ongelijk zou zijn gesteld waardoor het voor [eiser] gunstige vonnis van de rechtbank in stand zou blijven.

4.14.

Voor zover [eiser] betoogt dat indien [gedaagde] in eerste aanleg dat verweer had gevoerd, [naam 1] daardoor ontmoedigd zou worden hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank in de bodemprocedure, waardoor het voor [eiser] nadelige arrest van het hof niet zou zijn gewezen, gaat dat betoog niet op. Desgevraagd heeft [eiser] de (processuele) houding van [naam 1] in het geschil tussen hen omschreven. Hij heeft [naam 1] beschreven als: volkomen overtuigd van zijn eigen gelijk, fel en behept met een grote inzet omdat hij de indruk had dat hij financieel was benadeeld. Gelet op deze omschrijving van de houding van [naam 1] acht de rechtbank de kans dat [naam 1] geen hoger beroep zou hebben ingesteld tegen een voor hem afwijzend vonnis in eerste aanleg verwaarloosbaar klein. [eiser] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd gesteld dat in het geval dat [gedaagde] het verweer had gevoerd dat er wel een kostenverdeling in de maatschapsovereenkomst was opgenomen, [naam 1] daardoor zou hebben afgezien van het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank in de bodemprocedure. Dit betekent dat het wel of niet voeren van dat verweer niet had uitgemaakt voor de kans op het instellen van hoger beroep door [naam 1].

4.15.

Indien in eerste aanleg dat subsidiaire verweer wel zou zijn gevoerd door [gedaagde] en in navolging daarvan dat verweer door de opvolgend advocaat van [eiser] in het hoger beroep ook zou zijn gevoerd, is het nog maar de vraag of dat tot een andere voor [eiser] voordeligere uitkomst in het hoger beroep had geleid. In dat kader moet worden beoordeeld of artikel 10.6 van de maatschapsovereenkomst een kostenverdeling omvat zoals [eiser] stelt, en zo ja, of deze kostenverdeling voor [eiser] gunstiger uitpakt dan de kostenverdeling in de [regeling], waarop de veroordeling in het arrest van het hof is gebaseerd.

4.16.

Hiervoor is reeds overwogen dat het nog maar de vraag is of artikel 10.6 een regeling voor verdeling van de kosten omvat. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de door [eiser] gestelde kostenverdeling van artikel 10.6 voor hem financieel gunstiger had uitgepakt dan de kostenverdeling volgens de [regeling], die [naam 1] heeft gebruikt voor de berekening van zijn vordering en die het hof in zijn arrest als onvoldoende weersproken heeft toegepast. Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting geantwoord dat hij niet weet of hij met een verdeling van de kosten op grond van de door hem gestelde kostenverdelingsregeling in artikel 10.6 beter af zou zijn geweest dan de verdeling van de kosten op grond van de [regeling]. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank reeds onvoldoende vast dat [eiser] schade heeft geleden doordat [gedaagde] verzuimd zou hebben in eerste aanleg het subsidiaire verweer te voeren dat er wel een kostenverdeling in de maatschapsovereenkomst was opgenomen.

4.17.

In de tweede plaats verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij niet het verweer heeft gevoerd dat artikel 17 van de schriftelijke maatschapsovereenkomst bepaalde dat alle geschillen tussen [eiser] en [naam 1] ter zake de maatschap beslecht moesten worden door middel van bindend advies. Hiermee wil [eiser] [naam 1] kennelijk verwijten dat hij op grond van deze bepaling niet de exceptie van onbevoegdheid van de rechtbank heeft opgeworpen in de procedures in eerste aanleg.

4.18.

Niet in geschil is dat in de bodemprocedure in eerste aanleg [gedaagde] pas in een later stadium is aangesteld als advocaat van [eiser] en dat [eiser] aanvankelijk zijn eigen belangen heeft behartigd in die procedure. Zodoende heeft [eiser] zelf de conclusie van antwoord opgesteld en ingediend. Als [eiser] in die procedure de onbevoegdheidsexceptie had willen inroepen had hij dat zelf moeten doen voor alle weren in zijn conclusie van antwoord. Nu [gedaagde] hiermee geen bemoeienis had, treft hem in deze geen verwijt. Nog los van de vraag of de onbevoegdheidsexceptie in de kort gedingprocedure, waar [gedaagde] wel op een zodanig moment optrad als advocaat van [naam 1] om tijdig beroep te kunnen doen op deze exceptie, kans van slagen zou hebben gehad, is de rechtbank met [gedaagde] van oordeel dat een beroep op de bindend advies bepaling in de maatschapsovereenkomst door [gedaagde] zich niet zou verenigen met het hoofdverweer van [eiser] in eerste aanleg dat er geen maatschapsovereenkomst was tussen [eiser] en [naam 1]. Een beroep op dat artikel in de maatschapsovereenkomst impliceert immers een erkenning van het bestaan van die overeenkomst, die door [eiser] juist werd betwist. Onder deze omstandigheden is het niet voeren van deze onbevoegdheidsexceptie door [gedaagde] niet onbegrijpelijk en levert dit geen toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] op.

4.19.

Nu [eiser] naast de hiervoor behandelde gestelde twee verwijten jegens [gedaagde] geen andere verwijten concreet heeft gesteld en onderbouwd en ook geen andere concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om te kunnen concluderen dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand, komt de rechtbank tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, indien [gedaagde] al niet voldoende zorgvuldig zou hebben gehandeld, [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat hij hierdoor schade heeft geleden. De vorderingen van [eiser] dienen dan ook te worden afgewezen.

4.20.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 868,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.026,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.026,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.

Coll.: HS