Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4287

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
05/840312-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft een 41 jarige man veroordeeld vanwege het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven. Hij is voor dit feit en voor diefstal, bedreiging en eenvoudige belediging , veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. De politierechter verwerpt het verweer dat aan verdachte na zijn ontslag uit detentie onvoldoende vertrektijd is gegund (PaG/HB/13161-beleidsbrief) en verwerpt het verweer dat de ongewenstverklaring heroverwogen had moeten worden nu deze inmiddels ouder dan vijf jaren is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840312-14

Datum zitting : 25 juni 2014

Datum uitspraak : 9 juli 2014 (13.30 uur)

TEGENSPRAAK

Vonnis van de politierechter in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

raadsman : mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 april 2014 te gemeente Nijmegen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse levensmiddelen en/of verzorgingsproducten (met een totaalwaarde van 107,83 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] ([adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 07 april 2014 te gemeente Nijmegen, in elk geval in Nederland,

als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

art 197 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 11 juni 2014 te gemeente Nijmegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden aspirant van de politie Gelderland-Zuid) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak je/jullie dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 11 juni 2014 te gemeente Nijmegen opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden aspirant van de politie Gelderland-Zuid), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, - in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "vuile

kankerlijers" en/of "vieze teringlijers" en/of "ik neuk je moeder" en/of "ik neuk jullie moeder", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of - die [slachtoffer 1] in het gezicht gespuugd heeft;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 25 juni 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij heeft verdachte afstand getekend van de mogelijkheid ter terechtzitting van 25 juni 2014 te verschijnen. De raadsman van verdachte, mr. drs. A. Boumanjal, is als gemachtigde ter terechtzitting aanwezig.

De officier van justitie, mr. J.C. Stikkelman, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie / De beslissing inzake het bewijs

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft als preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie ten aanzien van de vervolging van feit 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Aan dit verweer liggen twee argumenten ten grondslag:

1. Verdachte is na zijn ontslag uit detentie onvoldoende vertrektijd gegund en met deze vervolging handelt het openbaar ministerie in strijd met haar eigen vervolgingsbeleid in dit soort zaken.

De raadsman heeft dit argument als volgt toegelicht. Op 2 april 2014 heeft de rechter-commissaris, rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, de vordering tot inbewaringstelling onder parketnummer 05/840286-14 (terzake overtreding van artikel 197 WvSr op 31 maart 2014) afgewezen.

Op 7 april 2014 is verdachte opnieuw aangehouden op verdenking van diefstal. Op 9 april 2014 is verdachte voorgeleid bij de rechter-commissaris en per gelijke datum is, op vordering van de officier van justitie (05/840312-14) enkel op grond van overtreding van artikel 310 WvSr, de bewaring bevolen.

Dat verdachte nu onder parketnummer 05/840312-14, feit 2, gedagvaard wordt voor overtreding van artikel 197 WvSr op 7 april 2014 is in strijd met het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie. Hem is na ontslag uit detentie op 2 april 2014, met het in bewaring stellen op 9 april 2014, geen redelijke termijn gegund om het land te verlaten. De raadsman verwijst dienaangaande naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem, datum uitspraak 26 april 2011, BQ5860.

… Voor wat betreft het subsidiair door de raadsman aangevoerde geldt echter het volgende. Met de raadsman heeft het hof geconstateerd dat de verdachte op 16 juli 2010 in vrijheid is gesteld nadat hij op 14 juli 2010 was aangehouden ter zake van het overtreden van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Vervolgens is verdachte op 21 juli 2010 wederom opgepakt voor (onder meer) het onder 4 tenlastegelegde. Tussen de invrijheidstelling van de verdachte op 16 juli 2010 en zijn aanhouding op 21 juli 2010 waren derhalve slechts vijf dagen gelegen. Met de raadsman is het hof van oordeel dat van verdachte in samenhang met wat over hem en zijn achtergrond bekend is vanuit het dossier en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij in die korte periode en ditmaal met succes alsnog maatregelen zou hebben getroffen om Nederland te te verlaten. Daarbij is mede belang gehecht aan de omstandigheid dat uit de beleidsbrief inzake de opsporing en vervolging ter zake van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, de ongewenstverklaarde vreemdeling, van het College van Procureurs-Generaal van 20 oktober 2008 (PaG/HB/13161-beleidsbrief), volgt dat aan de vreemdeling na ontslag uit detentie een redelijke termijn gegund dient te worden om het land te verlaten. In voornoemde beleidsbrief is opgemerkt dat geen terme de grâce aanwezig wordt geacht wanneer een vreemdeling is aangehouden en niet recentelijk (tien dagen geleden of korter) uit detentie ontslagen. Het vervolgen van een vreemdeling binnen die termijn kan echter leiden tot de niet-ontvankelijkheid.

Gelet op het voorgaande had het Openbaar Ministerie naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet tot vervolging van ongewenste aanwezigheid in Nederland op 21 juli 2010 van verdachte mogen overgaan. Het hof zal het Openbaar Ministerie om die reden niet-ontvankelijk verklaren voor zover het betreft het onder 4 tenlastegelegde. …

2. De ongewenstverklaring is inmiddels ouder dan vijf jaren en had heroverwogen moeten worden.

De raadsman wijst voorts op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 december 2013 (9962):

Artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn luidt als volgt:

‘De duur van het inreisverbod wordt volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.’

In de onderhavige zaak dateert de ongewenstverklaring van verdachte van 7 juli 2006. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op dat moment ook het inreisverbod is ingegaan, nu -zoals hiervoor overwogen- uit artikel 3, punt 6 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een inreisverbod niet alleen het verbod tot toegang tot het grondgebied van de lidstaat inhoudt, maar ook het verbod tot het verblijf op dit grondgebied.

Dit betekent dat, uitgaande van de ingangsdatum van 7 juli 2006 en een maximale geldigheidsduur van vijf jaar, op de in de tenlastelegging genoemde datum van 16 juli 2013 geen sprake (meer) was van een geldig inreisverbod. Weliswaar houdt de ongewenstverklaring van verdachte in dat hij “een gevaar vormt voor de openbare orde”, maar niet - zoals artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn- “een ernstige bedreiging voor de openbare orde.” Dat verdachte zo’n ernstige bedreiging zou vormen is ter terechtzitting niet aangevoerd, noch anderszins aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat feit niet strafbaar is en verdachte daarom ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman stelt dat in onderhavige zaak sprake is van gelijke omstandigheden zoals aangegeven in laatstgenoemd arrest. De raadsman geeft aan dat zijn cliënt bij beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op 14 augustus 2006 tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

Het tenlastegelegde feit onder 2 (als vreemdeling in Nederland verblijven terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard) vermeldt een datum van 7 april 2014. De raadsman merkt hierbij op dat na ommekomst van de in eerdergenoemd arrest genoemde termijn van vijf jaar de ongewenstverklaring had moeten worden heroverwogen. Op grond van het vorenstaande verzoekt de raadsman om het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de feiten 1,3 en 4

De raadsman refereert zich met betrekking tot de tenlastegelegde feiten onder 1, 3 en 4 aan het oordeel van de politierechter en geeft hierbij aan dat, gelet op alle omstandigheden, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand voldoende is. Voorts verzoekt de raadsman om de voorlopige hechtenis op te heffen op het moment dat de opgelegde straf is ondergaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de feiten 1 t/m 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie merkt ten aanzien van feit 2 op dat als cruciaal punt kan worden gezien dat de op 9 april 2014 inbewaringstelling is bevolen op verdenking van diefstal. De officier van justitie refereert zich met betrekking tot het preliminair verweer aan het oordeel van de politierechter.

Beoordeling door de politierechter

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

1.

De beleidsbrief van het College van Procureurs-Generaal van 20 oktober 2008 geeft vervolgingsrichtlijnen terzake artikel 197 WvSr. Deze beleidsbrief bevat contra-indicaties voor het vergunnen van een terme de grâce. Een contra-indicatie is onder meer het plegen/verdacht worden van een strafbaar feit na uitreiken van de beschikking of afloop van detentie.1

De politierechter constateert op basis van het strafblad van verdachte dat verdachte sinds 2006 meermalen voor gekwalificeerde vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld en thans opnieuw van soortgelijke feiten wordt verdacht. Uit de zich in het dossier bevindende processtukken en het verhandelde ter terechtzitting is bovendien niet aannemelijk geworden dat de verdachte in de afgelopen jaren zelf serieuze pogingen heeft ondernomen om Nederland te verlaten, dan wel om aan identiteitspapieren te komen.

Gelet op het voorgaande en nu de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan zijn verplichting tot vertrek uit Nederland (artikel 66a, Vreemdelingenwet 2000) wordt het (preliminaire) verweer verworpen en is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

2.

De politierechter verwijst hierbij naar HR 21 mei 2013, (LJN: BY3151). Daaruit blijkt dat de ongewenstverklaring heeft te gelden als een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De Terugkeerrichtlijn is dan ook van toepassing in zaken waarin het gaat om ongewenstverklaringen die zijn opgelegd voordat de Terugkeerrichtlijn in werking was getreden.

Voorts verwijst de politierechter naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 24 april 2013 (LJN: CA 1958). Daaruit volgt dat de ongewenstverklaring in de onderhavige strafzaak heeft te gelden als een terugkeerbesluit met een inreisverbod. Voorts volgt hieruit dat de aanvangstermijn van de duur van het inreisverbod gaat lopen nadat de verdachte het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten.

In lijn met eerdere jurisprudentie is de politierechter van oordeel dat de vijf-jarentermijn waarop de raadsman doelt, pas gaat lopen vanaf het moment waarop verdachte Nederland heeft verlaten. Nu verdachte ten tijde van het onder feit 2 tenlastegelegde Nederland nog geen vijf jaren had verlaten, verbleef hij op dat moment – in strijd met het in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde – als ongewenst vreemdeling in Nederland. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van het bewijs

De politierechter acht, gelet op alle in het strafdossier bevindende stukken wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 t/m 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 07 april 2014 te gemeente Nijmegen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen diverse levensmiddelen en verzorgingsproducten (met een totaalwaarde van 107,83 euro), toebehorende aan [benadeelde] ([adres]); art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op 07 april 2014 te gemeente Nijmegen, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard; art 197 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op 11 juni 2014 te gemeente Nijmegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden aspirant van de politie Gelderland-Zuid) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak je/jullie dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op 11 juni 2014 te gemeente Nijmegen opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden aspirant van de politie Gelderland-Zuid), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, - in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "vuile kankerlijers" en "vieze teringlijers" en "ik neuk je moeder" en "ik neuk jullie moeder", althans woorden van gelijke beledigende aard en strekking en - die [slachtoffer 1] in het gezicht gespuugd heeft;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

“diefstal”

Feit 2

“als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard”

Feit 3

“bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”

Feit 4

“eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, meermalen gepleegd”

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf heeft de politierechter rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 7 april 2014.

De politierechter overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal, belediging en bedreiging en was daarnaast in Nederland terwijl hij ongewenst vreemdeling is.

Verdachte is meermalen veroordeeld voor overtreding van artikel 197 Sr. De LOVS-oriëntatiepunten gaan uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden per overtreding. In geval van recidive wordt deze straf telkens met een maand verhoogd. De rechtbank zal deze verhoging echter – eveneens conform de oriëntatiepunten - niet toepassen nu verdachte, nadat hij weer op vrije voeten is gekomen al binnen enkele dagen weer is opgepakt.

Verdachte is echter eveneens eerder veroordeeld voor vermogensdelicten. Ook toen zijn (langere) gevangenisstraffen opgelegd. Nu verdachte zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan diefstal en bovendien aan belediging en bedreiging, is de politierechter van oordeel dat voor deze feiten eveneens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft te volgen.

De politierechter acht, alles overwegende, geen andere sanctie aangewezen dan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de eis van de officier van justitie.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikel 10, 27, 57, 197, 266, 267, 285, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De politierechter, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. M.G.J. Post, politierechter,

in tegenwoordigheid van R.G. van Geenen, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2014.

1 PaG/HB/13161-beleidsbrief, in het bijzonder p. 13 en 14.