Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4269

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
10-07-2014
Zaaknummer
2470845 Rolr. 13-6549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter veroordeelt de stichting Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de eisers te betalen: het bedrag van € 17,00 netto aan maaltijdvergoeding per dag dat zij een 24-uursdienst hebben gedraaid vanaf 1 januari 2013 tot 3 februari 2014, waarop in mindering dient te worden gebracht het brutobedrag dat de stichting reeds in het kader van het advies van de Commissie Hardheidsclausule aan eisers heeft betaald; de vergoeding voor reistijd anders dan reizen tussen huis en de eigen standplaats conform het roosterreglement 2004 vanaf 1 januari 2013 tot 3 februari 2014.

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 1
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 9
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/202
AR 2014/496
JAR 2014/202

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: 2470845 / CV 13-6549

Grosse aan: mr. Uhlenbusch

Afschrift aan: mr. drs. Reinders Folmer

Verzonden d.d. 9 juli 2014

vonnis d.d. 9 juli 2014 van de kantonrechter

in de zaak van

1 [naam 1],

wonende te [plaats],

2. [naam 2],

wonende te [plaats].

3. [naam 3],

wonende te [plaats],

4. [naam 4],

wonende te [plaats],

5. [naam 5],

wonende te [plaats],

6. [naam 6],

wonende te [plaats],

7. [naam 7],

wonende te [plaats],

8. [naam 8],

wonende te [plaats],

9. [naam 9],

wonende te [plaats],

10. [naam 10],

wonende te [plaats],

11. [naam 11],

wonende te [plaats],

12. [naam 12],

wonende te [plaats],

13. [naam 13],

wonende te [plaats],

14. [naam 14],

wonende te [plaats],

15. [naam 15],

wonende te [plaats]

eisende partij,

gemachtigde: voorheen mr. A. Schellaert, thans mr. R.A. Uhlenbusch,

tegen

de stichting Stichting Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland,

gevestigd te Zutphen,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P. Th. Sick.

Partijen worden in het hierna volgende eisers en de stichting genoemd.

1 Het procesverloop

1.1

Dit verloop blijkt uit:

- de rolbeschikking van 19 maart 2014;

- de conclusie van dupliek.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Eisers werken op basis van een arbeidsovereenkomst als ambulancechauffeur of ambulanceverpleegkundige bij de stichting.

2.2

In 2004 en in 2010 is een roosterreglement tot stand gekomen waarin onder meer het volgende is te lezen:

“Lunches en diners tijdens diensten

In geval van het draaien van 24 uurs diensten krijgt de medewerker een vergoeding die na overleg met de belastingdienst wordt vastgesteld. Momenteel is die vergoeding € 17,00 per dag. Gedurende de dienst zorgt de werknemer zelf voor lunch, diner en avondbesteding.

(…)

Tabel reiskosten en reisuren

In principe is elke werknemer gekoppeld aan een vaste standplaats. Op het moment dat de werknemer ingezet wordt op een andere standplaats dan kan de medewerker de kilometers en reistijd declareren volgens een vast aantal kilometers en reistijd. Deze tabel is als bijlage toegevoegd aan het roosterreglement.

(…)”

2.3

Met ingang van 1 januari 2011 is de CAO Ambulancezorg 2011 (hierna: de CAO) van kracht geworden. Bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 december 2010 is deze CAO met ingang van 1 januari 2011 algemeen verbindend verklaard tot en met 31 december 2012. In de CAO zijn geen regelingen opgenomen ter zake vergoedingen voor maaltijden en reiskosten zoals voorkomend in het roosterreglement.

2.4

In artikel 1.4 van de CAO is het volgende bepaald:

“De bepalingen in deze cao hebben een standaardkarakter. Dit betekent dat werkgevers en werknemers niet van de standaardbepalingen kunnen afwijken, tenzij in de betreffende bepaling anders is geregeld.”

2.5

In artikel 1.6 van de CAO is het volgende bepaald:

“ Het kan voorkomen dat een werkgever en een werknemer het niet eens zijn over de wijze waarop een of meer bepalingen uit deze cao moeten worden gelezen of uitgelegd. Als zij daar in onderling overleg niet uitkomen, kunnen zij hun meningsverschil voorleggen aan de Interpretatiecommissie cao. (…) De Commissie geeft binnen twee maanden nadat het geschil aan haar is voorgelegd een bindend advies af. (…)”

2.6

Met ingang van 1 januari 2013 is de nieuwe CAO Ambulancezorg van kracht geworden. Deze CAO voorziet per 1 juli 2013 in een maaltijdvergoeding. Op 3 februari 2014 is deze CAO algemeen verbindend verklaard.

3 De vordering en het verweer

3.1

Eisers vorderen, na vermeerdering/wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

a. de stichting zal veroordelen aan eisers te betalen het bedrag (maaltijdvergoeding) à € 17,00 netto per dag dat zij een 24-uursdienst gedraaid hebben, (met terugwerkende kracht) van 1 januari 2011 tot en met 3 februari 2014. Op dit bedrag dient in mindering te worden gebracht, het brutobedrag dat de stichting reeds in het kader van het advies van de Commissie Hardheidsclausule aan eisers heeft betaald;

b. de stichting zal veroordelen aan eisers te betalen de vergoeding voor reistijd anders dan reizen tussen huis en de eigen standplaats conform het roosterreglement 2004 (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2011 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst (en) geëindigd zal (zullen) zijn;

Subsidiair

c. de stichting zal veroordelen aan eisers te betalen bedragen ter zake het (vervallen van) de hiervoor genoemde vergoedingen volgens een naar billijkheid door de kantonrechter vast te stellen overgangsregeling;

en zowel primair als subsidiair:

d. bovengenoemde vorderingen zal vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het moment van de opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 363,00;

e. de stichting zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2

Aan deze vordering leggen eisers - bezien in het licht van de vastgestelde feiten - het volgende ten grondslag. De in de roosterreglementen 2004 en 2010 opgenomen regelingen, zijn deel gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomsten van eisers. De stichting heeft deze arbeidsvoorwaarden met de invoering van de CAO per 1 januari 2011, ten onrechte laten vervallen. Eisers stellen zich op het standpunt dat de arbeidsvoorwaarden uit het roosterreglement - voor zover en omdat de CAO daarover niets regelt – gelden, zodat zij ook na 1 januari 2011 recht hebben op de maaltijdvergoeding en reistijdcompensatie waarbij bij de vergoeding van reisuren de tijd gemoeid met reizen naar andere ‘opkomplaatsen’ dan de eigen (in de arbeidsovereenkomst vermelde) standplaats wordt meegeteld. Eisers maken voorts aanspraak op de wettelijke rente en wettelijke verhoging over de verschuldigde bedragen. Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat zij kosten hebben gemaakt ter verkrijging van voldoening van hun vordering buiten rechte. De stichting dient deze kosten aan hen te vergoeden. Subsidiair vorderen eisers dat de kantonrechter een afbouwregeling zal vaststellen, omdat door het vervallen van de arbeidsvoorwaarden sprake is van een aanzienlijke inkomensachteruitgang.

3.3

De stichting heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij heeft geconcludeerd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, eisers in hun vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel die vorderingen als ongegrond zal afwijzen, met veroordeling van eisers in de kosten van de procedure.

Op de inhoud van het verweer zal zonodig in het navolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Als meest verstrekkende verweer heeft de stichting aangevoerd dat eisers niet- ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. Zij heeft daartoe verwezen naar artikel 1.6 van de CAO waarin een binden adviesbeding is opgenomen. Op grond van genoemd artikel kunnen partijen in geval van een meningsverschil over de interpretatie van een of meer bepalingen uit de CAO, hun meningsverschil voorleggen aan de

‘interpretatiecommissie CAO’. Deze interpretatiecommissie geeft bindende adviezen ten aanzien van voorgelegde interpretatiegeschillen. Omdat de rechtsvraag in dit geding een interpretatieverschil is, hadden eisers volgens de stichting, alvorens de zaak bij de rechter aan te brengen, eerst een bindend advies moeten vragen aan de interpretatiecommissie. Omdat zij dit hebben nagelaten, zijn zij in hun vorderingen niet-ontvankelijk.

Dit verweer faalt, waartoe het navolgende redengevend is.

4.2

Nog daargelaten of de in het geding zijnde rechtsvraag een interpretatiegeschil is ten aanzien van een of meer bepalingen uit de CAO, biedt het beding in de CAO de mogelijkheid een bindend advies te vragen. Het beding sluit niet uit dat partijen hun geschil aan de gewone rechter kunnen voorleggen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan eisers verplicht zijn hun geschil eerst voor te leggen aan de interpretatiecommissie. Eisers zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen.

4.3

Eisers hebben hun vordering gebaseerd op de roosterreglementen 2004 en 2011. Zij hebben primair gesteld dat de roosterreglementen deel zijn gaan uitmaken van hun arbeidsovereenkomsten. De stichting heeft betoogd dat deze roosterreglementen geen onderdeel zijn geworden van de individuele arbeidsovereenkomsten.

4.3.1

De stichting heeft ter onderbouwing van haar verweer ten eerste aangevoerd dat de beide roosterreglementen zijn aan te merken als ordevoorschriften in de zin van artikel 7:660 BW, zodat het de Stichting vrij stond de reglementen in te trekken en eisers niet meer met succes een beroep kunnen doen op de bepalingen uit de roosterreglementen. Hierin zal de stichting niet worden gevolgd. Ordevoorschriften zijn instructies ten behoeve van een goede gang van zaken in een onderneming. Hoewel de beide roosterreglementen ook ordevoorschriften bevatten (zoals bijvoorbeeld regelingen met betrekking tot pauzes en dienstruilingen), valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat de in het geding zijnde bepalingen met betrekking tot de maaltijdvergoedingen en reistijdvergoedingen zouden moeten worden aangemerkt als ordevoorschriften en niet als arbeidsvoorwaarden.

4.3.2

De stichting heeft voorts aangevoerd dat de roosterreglementen niet van toepassing zijn verklaard in de individuele arbeidsovereenkomsten en evenmin schriftelijk zijn aanvaard door eisers, zodat de reglementen niet op die grond zijn geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomsten.

Eisers hebben echter gesteld dat dat de maaltijd- en reistijdvergoedingen door het structureel gedurende jaren achtereen uitbetalen, tot overeengekomen arbeidsvoorwaarden zijn geworden. Hierover wordt als volgt overwogen.

4.3.3

Indien door de stichting bij de eisers het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat ten aanzien van de maaltijd- en reistijdvergoeding van een daadwerkelijk recht sprake was, dan is sprake van een verworven recht ten aanzien waarvan het de stichting in beginsel niet vrij staat dat recht eenzijdig in te trekken. Hoewel de stichting zich heeft verweerd door aan te voeren dat een verworven recht niet snel mag worden aangenomen en dat primaire arbeidsvoorwaarden eerder verworden tot een verworven recht dan secundaire of zelfs tertiaire arbeidsvoorwaarden, wordt gelet op de na te noemen omstandigheden, geoordeeld dat ten aanzien van de maaltijd- en reistijdvergoeding sprake is van een verworven recht.

De reglementen zijn tot stand gekomen na diverse overlegvergaderingen met een afvaardiging van het personeel dat belast is met de decentrale roostering en met leden van de ondernemingsraad. Voorts is er ten aanzien van de maaltijd- en reistijdvergoeding geen sprake van louter tijdsverloop, maar van gedragingen van de werkgever, bestaande uit het structureel uitkeren van de op de reglementen gebaseerde vergoedingen. Bovendien is ten aanzien van deze vergoedingen - in ieder geval tot aan het tijdstip van de inwerkingtreding van de CAO - geen enkel voorbehoud gemaakt door de stichting. Sterker nog, blijkens het verslag van de overlegvergadering van 13 december 2010, ging ook de stichting zelf er van uit dat werknemers aan de reglementen rechten konden ontlenen.

4.3.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningen met betrekking tot de maaltijd- en reistijdvergoedingen uit de roosterreglementen onderdeel zijn geworden van de individuele arbeidsovereenkomsten van eisers.

4.4

De Stichting heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de bepalingen ten aanzien van de maaltijd- en reistijdvergoedingen nietig zijn. De CAO is algemeen verbindend verklaard. Omdat de CAO een standaardkarakter heeft, mag niet ten nadele maar ook niet ten voordele van de CAO worden afgeweken. Hetgeen in de roosterreglementen is bepaald (en deel is gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomsten), wijkt af van wat in de CAO is bepaald en is daarom nietig. Eisers hebben op dit punt aangevoerd dat de CAO op het gebied van maaltijdvergoedingen en reistijdvergoedingen helemaal niets regelt, zodat er geen sprake is van met de CAO strijdige bedingen. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

4.4.1

In artikel 3 lid 1 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet AVV) is bepaald dat bepalingen in individuele arbeidsovereenkomsten die in strijd zijn met hetgeen in een algemeen verbindend verklaarde CAO is bepaald, nietig zijn. Partijen twisten of de vraag wat “in strijd met de CAO” betekent indien in de CAO niets is geregeld met betrekking tot een onderwerp dat in de individuele arbeidsovereenkomst wel is geregeld.

Hoewel aan eisers kan worden toegegeven dat de regelingen met betrekking tot de maaltijd- en reistijdvergoeding, nu daarover in de CAO niets is geregeld, in letterlijke zin niet in strijd zijn met de CAO, zal dat niet leiden tot integrale toewijzing van de primaire vordering van eisers.

De bedoeling van partijen die een standaardcao sluiten is dat de normatieve bepalingen uit die CAO werknemers en werkgevers die onder de werkingssfeer van de CAO vallen, binden, onder meer om loonconcurrentie tegen te gaan. Er kan niet ten nadele van een werknemer worden afgeweken, maar ook niet ten voordele, zoals dat wel kan in het geval van een minimumcao. Indien werkgevers en werknemers voor werknemers gunstige voorwaarden overeenkomen die niet in de CAO zijn geregeld, doet dat afbreuk aan de bedoeling van een standaardcao. Dat betekent dat de in dit geval voor de eisers gunstigere maaltijd- en reistijdvergoedingen, nietige bedingen zijn in de zin van artikel 3 lid 1 WAVV, in ieder geval voor de duur van algemeen verbindendverklaring van de CAO (van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012).

4.5

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de maaltijd- en reistijdvergoeding verschuldigd is vanaf het moment dat de CAO 2011/2012 afliep en de nieuwe CAO 2013/2014 nog niet algemeen verbindend was verklaard.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 januari 2003 (Rode Kruis Ziekenhuis/Te Riet), bepaald dat bepalingen die op grond van artikel 3 lid 1 en 3 WAVV onderdeel zijn geworden van de individuele arbeidsovereenkomst geen nawerking hebben. In zoverre kan het standpunt van eisers worden gevolgd.

4.5.1

De stichting heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eisers en de stichting, buiten de periode van de algemeen verbindend-verklaring om, aan de CAO gebonden zijn door middel van een incorporatiebeding. In de bij de dagvaarding gevoegde arbeidsovereenkomsten (van twee werknemers) is de CAO CAR B4 van toepassing verklaard met ingang van 1 januari 2006. Voorts heeft de stichting opgemerkt dat in artikel 11 van de arbeidsovereenkomsten is bepaald dat aanpassingen van de CAO CAR B4 rechtstreeks doorwerken in de arbeidsovereenkomst. De CAO CAR B4 is te beschouwen als de voorloper van de CAO Ambulancezorg en de reikwijdte van het incorporatiebeding moet ruim worden uitgelegd, aldus de stichting. Voor zover de stichting hiermee wenst te betogen dat de afspraken over de reiskosten- en maaltijdvergoedingen nietig zijn in de zin van artikel 12 Wet CAO, wordt het volgende overwogen.

4.5.2

Door het incorporatiebeding zijn partijen niet gebonden aan de CAO, zoals bedoeld in artikel 12 jo artikel 9 Wet CAO. Omdat voorts niet gesteld of gebleken is dat partijen gebonden zijn aan de CAO vanwege - kort gezegd - lidmaatschap van een vereniging die cao-partij is, stond het hen vrij na afloop van de periode waarin de CAO algemeen verbindend is verklaard, afspraken te maken (te laten herleven) die in strijd zijn met de CAO, of zoals in dit geval tot 1 juli 2013, een aanvulling vormen op de CAO. Dat betekent dat de primaire vordering van eisers (zoals weergegeven onder 3.1. sub a en b) over de periode 1 januari 2013 tot 3 februari 2014 zal worden toegewezen.

4.6

Omdat uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van onverminderde voortzetting van regelingen uit de roosterreglementen, zal thans ook een beslissing moeten worden gegeven ten aanzien van de subsidiaire vordering van eisers. Eisers hebben aangevoerd dat zij recht hebben op een afbouwregeling omdat er sprake is van een aanzienlijke inkomensachteruitgang. Het afschaffen van de vergoedingen heeft volgens eisers zodanig ernstige gevolgen dat compensatie ervan gerechtvaardigd is. Ter onderbouwing van deze stelling hebben eisers een rekenvoorbeeld genoemd van een van de eisers. Deze eiser kon in het jaar 2010 aanspraak maken op € 1.326,00 netto aan maaltijdvergoeding en op een bedrag van € 1.362,45 bruto aan reistijdvergoeding.

Hiermee hebben eisers niet voldaan aan hun stelplicht. In tegenstelling tot wat eisers hebben betoogd, zijn de vergoedingen niet afgeschaft, maar volgt het niet meer gelden van de bepalingen uit de roosterreglementen uit het systeem van de wet, in die zin dat deze bepalingen - voor zover in strijd met de CAO - door algemeen verbindend bepaling van de standaardcao nietig zijn. Het enkele feit dat daardoor sprake is van een inkomensachteruitgang brengt nog niet met zich dat het niet meer verstrekken van de vergoedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bovendien heeft de stichting aangevoerd dat de inkomensachteruitgang moet worden bezien in het licht van het totale arbeidsvoorwaardenpakket dat op basis van de algemeen verbindend verklaarde CAO tussen partijen geldt. Eisers hebben op dat punt echter niets gesteld.

Dit leidt er toe dat de vordering van eisers om een afbouwregeling naar billijkheid vast te stellen, als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

4.7

De gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken en op de wet gegrond, over de toe te wijzen bedragen worden toegewezen vanaf de datum waarop de stichting met betaling van de vergoedingen in verzuim verkeerde.

4.8

Eisers hebben wettelijke verhoging gevorderd. Deze vordering zal worden afgewezen. De reistijd- en maaltijdvergoeding kunnen niet worden aangemerkt als een vergoeding voor in loondienst verrichte werkzaamheden. Het zijn immers vergoedingen ter compensatie van reistijd en maaltijden en niet ter compensatie van verrichte werkzaamheden. Dat betekent dat zij niet onder het loonbegrip van artikel 7:625 BW vallen.

4.9

Eisers hebben ten slotte nog vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering is door de stichting niet weersproken en zal - als op de wet

gegrond - worden toegewezen.

4.10

In de uitkomst van de procedure wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 Beslissing

De kantonrechter:

5.1

veroordeelt de stichting om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ieder der eisers te betalen:

a. het bedrag van € 17,00 netto aan maaltijdvergoeding per dag dat zij een 24-uursdienst hebben gedraaid vanaf 1 januari 2013 tot 3 februari 2014, waarop in mindering dient te worden gebracht het brutobedrag dat de stichting reeds in het kader van het advies van de Commissie Hardheidsclausule aan eisers heeft betaald;

b. de vergoeding voor reistijd anders dan reizen tussen huis en de eigen standplaats conform het roosterreglement 2004 vanaf 1 januari 2013 tot 3 februari 2014,

deze bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de stichting met betaling van deze bedragen in verzuim verkeerde;

c. de buitengerechtelijke kosten van € 363,00;

5.2

compenseert de kosten van het geding, in die zin dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;

5.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en uitgesproken op 9 juli 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.