Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4265

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
AWB 13_5088 tot en met 13_5104, 13_5106 tot en met 13_5114 en 13_5164 tot en met 13_5167
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KB Lux. Ontkenner. Voor het bewijs van de identificatie kan zowel het proces-verbaal van de identificatie worden gebruikt als de door eiser zelf ten overstaan van de FIOD-ECD afgelegde bekennende verklaring. Geen aanleiding om in afwijking van het eerdere oordeel van de strafrechter over de betrouwbaarheid daarvan die verklaring terzijde te stellen. Gelet op omvangrijke saldo en de omstandigheid dat geen rente-inkomsten of saldi zijn aangegeven, is sprake van kwade trouw en kan op die grond de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard. Schatting is redelijk. Bewijs voor de boetes is door verweerder voor alle jaren geleverd. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt verlengd omdat eiser zelf steeds heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de bezwaren en vanwege de veelheid aan aanslagen en de complexiteit van de procedures, die mede is veroorzaakt doordat eiser blijft weigeren openheid van zaken te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1708
V-N Vandaag 2014/1502

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 13/5088 tot en met 13/5104, 13/5106 tot en met 13/5114 en 13/5164 tot en met 13/5167

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 10 juli 2014

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde], advocaat te [Q]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen opgelegd:

 met dagtekening 31 december 2002:
navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 1990 (aanslagnummer [000].H.08) en navorderingsaanslag vermogensbelasting (hierna: VB) voor het jaar 1991 (aanslagnummer K.18);

 met dagtekening 31 mei 2003:
navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1994 (aanslagnummers H.18, H.28, H.38 en H.48) en
navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1992 tot en met 1995 (aanslagnummers K.28, K.38, K.48 en K.58);

 met dagtekening 12 december 2003 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 (aanslagnummer H.06);

 met dagtekening 24 november 2006 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 (aanslagnummer H.26);

 met dagtekening 29 november 2006 een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2001 (aanslagnummer H.17);

 met dagtekening 7 december 2007:
navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1995 tot en met 1999 (aanslagnummers H.57, H.67, H.77, H.87 en H.97) en
navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1996 tot en met 2000 (aanslagnummers K.67, K.77, K.87, K.97 en K.07);

 met dagtekening 7 december 2007:
aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 (aanslagnummers H.36 en H.46);

 met dagtekening 3 oktober 2008 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 (aanslagnummer H.56);

 met dagtekening 9 april 2009 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 (aanslagnummer H.66);

 met dagtekening 23 april 2011 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 (aanslagnummer H.76);

 met dagtekening 7 januari 2012 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 (aanslagnummer H.86);

 met dagtekening 10 mei 2012 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2009 (aanslagnummer H.96).

Gelijktijdig met het vaststellen van de belastingaanslagen zijn aan eiser verhogingen dan wel boetes (hierna beide genoemd: boetes) van 100% opgelegd en is aan eiser bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 juli, 26 juli, 30 juli, 31 juli en 1 augustus 2013 de onderhavige (navorderings)aanslagen IB/PVV en VB en beschikkingen heffingsrente verminderd, in die zin dat de bij het berekenen van de correcties toegepaste factor van 1,5 is gewijzigd in factor 1. De boetes zijn voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1994 en VB 1991 tot en met 1995 vervallen en de voor de overige jaren opgelegde boetes zijn wegens undue delay verlaagd tot 80%.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 30 augustus 2013 en 4 september 2013, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroepen ingesteld. Bij brief van 1 oktober 2013 heeft eiser zijn beroepen nader gemotiveerd.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014. Namens eiser zijn verschenen [A] en zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en [B].

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser is op [1936] geboren en is gehuwd met [Y]. Het sofinummer van eiser is [000].

2.

In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: KB-Lux) documenten en microfiches van KB-Lux ontvreemd. Op 27 oktober 2000 zijn de gegevens welke betrekking hebben op de microfiches (hierna: de renseignementen) door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling aan het (Nederlandse) Ministerie van Financiën verstrekt.

Deze gegevens bestonden uit fotokopieën van afgedrukte microfiches, die afkomstig zijn uit de interne administratie van de KB-Lux. De afdrukken bevatten gegevens van Nederlandse rekeninghouders bij de KB-Lux. Op basis van deze gegevens is door de Belastingdienst en de FIOD-ECD een onderzoek ingesteld, het zogenoemde Rekeningenproject.

3.

Een renseignement van 17 februari 1994 betreft een fiche van het rekeningnummer [001] ten name van “[D]” met per 31 januari 1994 saldo’s van fl. 2.728 negatief, fl. 720.790,97 positief en fl. 7,76 negatief. Verweerder heeft eiser geïdentificeerd als rekeninghouder van deze rekening (hierna: KB-Lux rekening).

4.

In een proces-verbaal van ambtshandeling van de FIOD-ECD van 16 oktober 2001 is onder meer opgenomen:

" (…)

1.

Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor:

[D] ;

2.

Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt als enige hit naar voren:

Hr. [X], gehuwd met Mw. [Y],

Sofinr. [002];

3.

Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux, inclusief sofinummer, met het RDW-bestand komt is gebleken dat op naam van [D], sofinr. [002], geen rijbewijs is uitgegeven.

(…) "

5.

Op 30 oktober 2001 hebben medewerkers van de FIOD-ECD eiser verhoord in zijn woning over het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting.

6.

In het najaar van 2002 heeft verweerder aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV en VB op te leggen in verband met in het buitenland aangehouden tegoeden. Vervolgens zijn met dagtekening 31 december 2002 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boetes opgelegd. Met dagtekening 31 mei 2003 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1994 en VB 1992 tot en met 1995 met boetes opgelegd.

7.

Verweerder heeft bij brief van 7 november 2003 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2000 en een boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven ontvangen rente van de KB-Lux rekening is vastgesteld op fl. 80.514. Met dagtekening 12 december 2003 is de aanslag opgelegd.

8.

De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 8 september 2004 (ECLI:NL:RBUTR:2004:AR2626) eiser voor de jaren 1995 tot en met 1998 strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk niet doen van een juiste aangifte. Eiser heeft in dat vonnis berust. In het vonnis is onder meer het volgende overwogen:

" (…)

Door de raadslieden wordt voorts het verweer gevoerd dat de verdachte door zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal de cautie niet begrepen heeft. Verdachte heeft tevens het door hem ondertekende proces-verbaal niet goed kunnen lezen, omdat hij een slecht gezichtsvermogen heeft. Nu de betrokken opsporingsambtenaren geen tolk voor verdachte opgeroepen hebben, dient het verhoor van 30 oktober 2001 van het bewijs te worden uitgesloten.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt.
De ter gelegenheid van het verhoor op 30 oktober 2001 door verdachte afgelegde verklaring is consistent, coherent en specifiek. De verklaring komt bovendien op onderdelen overeen met hetgeen uit de overige bewijsmiddelen blijkt. Mede gelet op de gedetailleerdheid waarmee verdachte heeft verklaard acht de rechtbank het daarom onaannemelijk dat sprake was van dusdanige taalproblemen dat van een effectieve communicatie geen sprake was. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank voorts af dat verdachte ook de cautie moet hebben begrepen. Daarnaast is de rechtbank op geen enkele wijze gebleken dat verdachte zijn verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd.
De rechtbank merkt in dit verband nog op dat verdachte zich reeds op 14 november 2001 heeft gewend tot zijn raadsman die kennelijk op dat moment en ook nadien, geen aanleiding heeft gezien enige actie te ondernemen met betrekking tot mogelijk gerezen taal- en communicatieproblemen die zijn cliënt ondervond. (…) "

9.

De navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 tot en met 1999 en VB 1996 tot en met 2000 zijn, deels met boetes, met dagtekening 7 december 2007 opgelegd.

10.

In de aangiften IB/PVV 2001 tot en met 2009 heeft eiser geen saldi aangegeven van de KB-Lux rekening.

11.

Verweerder heeft bij brief van 2 juni 2005 aangekondigd de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening zijn vastgesteld op € 595.484.

12.

Verweerder heeft bij brief van 2 juni 2005 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2002 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening zijn vastgesteld op € 632.569.

13.

Bij brief van 21 augustus 2007 heeft verweerder inzake de afhandeling van de aangifte IB/PVV 2003 eiser verzocht om informatie over het voordeel uit sparen en beleggen (box 3) en de KB-Lux rekening te overleggen. Verweerder heeft eiser daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) inzake de omkering van de bewijslast.

14.

Verweerder heeft bij brief van 1 november 2007 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2003 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening zijn vastgesteld op € 667.778.

15.

Verweerder heeft bij brief van 1 november 2007 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2004 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening zijn vastgesteld op € 697.249.

16.

Verweerder heeft bij brief van 18 april 2008 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2005 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening zijn vastgesteld op € 721.122.

17.

Verweerder heeft bij brief van 9 december 2008 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2006 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening zijn vastgesteld op € 743.476.

18.

Verweerder heeft bij brief van 18 januari 2010 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2007 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening is vastgesteld op € 766.523. Verweerder heeft bij brief van 20 januari 2011 eiser herhaald verzocht om informatie over de KB-Lux rekening. Verweerder heeft eiser daarbij gewezen op artikel 47 van de AWR.

19.

Verweerder heeft bij brief van 25 november 2011 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2008 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening zijn vastgesteld op € 790.285.

20.

Verweerder heeft bij brief van 26 maart 2012 aangekondigd de aanslag IB/PVV 2009 en boete op te leggen, waarbij wordt afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Door verweerder is onder meer vermeld dat de niet aangegeven gemiddelde saldi van de KB-Lux rekening zijn vastgesteld op € 817.110.

21.

Eiser heeft steeds tijdig bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarbij om uitstel verzocht voor de motivering van de bezwaren in verband met de afhandeling van de strafrechtelijke procedure en de samenwerkingsafspraak procedures rekeningenproject.

22.

Verweerder heeft bij brief van 20 februari 2013 en onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2014:BJ1298) aangekondigd, dat hij de (navorderings)aanslagen opnieuw naar geschatte bedragen heeft berekend waarbij de factor 1,5 is geëlimineerd, dat de boetes bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1994 en VB 1991 tot en met 1995 vervallen en dat de voor de overige jaren opgelegde boetes wegens undue delay worden verlaagd tot 80%. Voorts is eiser uitgenodigd om te worden gehoord over het bezwaar.

23.

Op 5 juni 2013 heeft een hoorgesprek plaatsgehad.

24.

Bij brief van 12 juli 2013 heeft verweerder de uitspraken op de bezwaarschriften gemotiveerd. Verweerder heeft vervolgens op respectievelijk 24 juli, 26 juli, 30 juli, 31 juli en 1 augustus 2013 de uitspraken op de bezwaar gedaan.

25.

Bij brief van 22 augustus 2013 heeft eiser verzocht om vernietiging van de navorderingsaanslagen. Hierbij heeft eiser verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juni 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:CA3163). In reactie hierop heeft verweerder bij brief van 28 augustus 2013 medegedeeld dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1999 en VB 1991 tot en met 2000 niet met voldoende voortvarendheid zijn vastgesteld en dat hij deze navorderingsaanslagen zal vernietigen.

26.

Bij kennisgevingen van vermindering met dagtekening 27 september 2013 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1999 en VB 1991 tot en met 2000 alsmede de heffingsrente en de boetes verminderd tot nihil.

Geschil

27.

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige (navorderings)aanslagen IB/PVV, de beschikkingen heffingsrente en boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

- is de identificatie van eiser als rekeninghouder van de KB-Lux rekening juist?

- zijn de (navorderings)aanslagen tijdig en voortvarend opgelegd?

- heeft verweerder terecht omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast?

- zijn de (navorderings)aanslagen in redelijkheid vastgesteld?

- zijn de boetes terecht en tot juiste bedragen opgelegd?

- is de redelijke termijn overschreden en heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding?

Beoordeling van het geschil

Navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1999 en VB 1991 tot en met 2000

28.

Verweerder heeft, nadat eiser beroep heeft ingesteld, ambtshalve bij verminderingsbeschikkingen van 27 september 2013 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1999 en VB 1991 tot en met 2000 en de bijbehorende beschikkingen heffingsrente en verhogingen verminderd tot nihil. Gelet hierop, zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren en bepalen dat deze tot nihil verminderde navorderingsaanslagen worden gehandhaafd.

Identificatie

29.

Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte is geïdentificeerd als rekeninghouder. Daarbij heeft hij erop gewezen dat zijn sofinummer onjuist is weergegeven op het proces-verbaal van identificatie, dat zijn echtgenote [Y] heet en dat het goed mogelijk is dat in 2001 ten tijde van de identificatie nog andere personen in Nederland voorkwamen met dezelfde naam en dat dit nu niet meer kan worden nagegaan. Ook heeft verweerder nagelaten een origineel microfiche over te leggen. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder zich niet mag beroepen op het vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 september 2004 in de strafzaak aangezien eiser niet op de zitting aanwezig was en uit de door eiser overgelegde producties volgt dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was om te begrijpen wat hij tegen de medewerkers van de FIOD-ECD heeft verklaard.

30.

De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. In het hierboven onder punt 4. aangehaalde proces-verbaal van 16 oktober 2001 is de identificatie van eiser als rekeninghouder vastgelegd. De rechtbank is van oordeel dat eiser op correcte en juiste wijze is geïdentificeerd als rekeninghouder. Dat niet het juiste sofinummer van eiser in het proces-verbaal is vermeld vanwege een kennelijke typefout, vormt geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid dan wel de correctheid van de identificatie van eiser in het proces-verbaal. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat niet alle voorletters van de echtgenote van eiser staan vermeld of dat alleen haar meisjesnaam wordt genoemd. Daarbij komt dat de rechtbank in de stellingen van eiser onvoldoende aanknopingspunten ziet om te twijfelen aan de juistheid van de hierboven onder punt 8. weergegeven beoordeling van de strafkamer van de rechtbank Utrecht. Uit die overwegingen volgt dat en waarom kan worden uitgegaan van eisers verklaringen waarin hij heeft erkend over de bankrekening te beschikken. Hetgeen eiser thans heeft aangevoerd bevat op dit punt geen nieuwe gezichtspunten die nopen tot een afwijkende beoordeling. In zoverre kan ook het vonnis van 8 september 2004 voor het bewijs van de identificatie worden gebruikt. Voor zover eiser in dit verband nog heeft gewezen op brieven van zijn gemachtigde aan KB Lux waarin wordt bevestigd dat KB Lux geen informatie wil geven over eiser met betrekking tot de jaren 2010 en 2011, stelt de rechtbank vast dat die brieven, wat van de inhoud verder zij, niet van belang zijn in de onderhavige procedures, reeds omdat zij expliciet alleen betrekking hebben op thans niet in geschil zijnde jaren.

31.

Eiser is naar het oordeel van de rechtbank derhalve terecht aangemerkt als rekeninghouder van de KB Lux-rekening. De beroepen falen op dit punt.

Navorderingsaanslag IB/PVV 2001

32.

Met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 heeft eiser ter zitting erkend dat een primitieve aanslag over 2001 is opgelegd. Wel ontbreekt volgens eiser een nieuw feit dat navordering zou rechtvaardigen.

33.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van kwade trouw aan de zijde van eiser, zodat een nieuw feit niet is vereist. Van kwade trouw in de zin van artikel 16 van de AWR is sprake indien een belastingplichtige de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (vgl. Hoge Raad 3 december 2010, nr. 09/04514, ECLI:NL:HR:2010:BO5989). Uit het hierboven overwogene volgt dat eiser beschikte over aanzienlijke tegoeden bij KB Lux die hij heeft verzwegen. Aannemelijk is, nu eiser heeft gekozen voor een land met een bankgeheim, dat eiser wist dat hij die inkomsten in zijn aangiften moest opgeven en dat hij opzettelijk daarvan heeft afgezien. In zoverre kan het beroep op dit punt geen doel treffen.

(Navorderings)aanslagen IB/PVV 2000 tot en met 2009

34.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de aanslagen IB/PVV 2002, 2003, 2007 en 2008 buiten de aanslagtermijn zijn opgelegd, heeft verweerder onder verwijzing naar correspondentie met eerdere gemachtigden van eiser betoogd dat uitstel is gevraagd en door hem is verleend voor het doen van die aangiftes. Eiser heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank vaststelt dat de aanslagen IB/PVV 2002, 2003, 2007 en 2008 tijdig zijn opgelegd. Voor zover eiser verder heeft betoogd dat de (navorderings)aanslagen op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur eerder hadden moeten worden opgelegd op de grond dat over en weer de standpunten bekend waren, volgt de rechtbank dat niet, reeds niet omdat eiser zelf om uitstel voor het indienen van de aangiften heeft verzocht. Voorts mag van verweerder worden verwacht dat hij de aanslagen zorgvuldig oplegt en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen de termijn waarbinnen een aanslag moet worden opgelegd daarvoor niet bekorten.

35.

Eiser heeft ter zitting desgevraagd erkend dat, indien de rechtbank aannemelijk acht dat eiser terecht is geïdentificeerd als rekeninghouder, vaststaat dat voor de thans in geding zijnde jaren niet de vereiste aangiften zijn gedaan, gelet op de omvang van de aangehouden tegoeden. Blijkens het microfiche bedroeg het tegoed op 31 januari 1994 fl. 720.790,97, waardoor zowel in absolute als relatieve zin aanzienlijke bedragen aan belasting buiten de heffing zijn gebleven. Gelet hierop, dient de bewijslast op de voet van artikel 27e, eerste lid, van de AWR te worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat eiser moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Aangezien eiser tot op heden evenwel ontkent rekeninghouder te zijn, moet de conclusie zijn dat hij niet in die bewijslast is geslaagd.

36.

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder niet van zijn verplichting om door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting (vgl. Hoge Raad 29 september 1993, nr. 28 202, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466).

37.

Verweerder heeft zich bij de schatting gebaseerd op de berekeningsmethode van het Rekeningenproject en heeft overeenkomstig de op dit punt bestendige jurisprudentie bij de uitspraken op bezwaar de correctiefactor verlaagd van 1,5 naar 1 (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324). De rechtbank acht dit, mede gelet op de omstandigheid dat eiser geen openheid van zaken heeft gegeven, redelijk. Desgevraagd heeft eiser niet concreet kunnen aangeven op welke gronden de door verweerder voor de onderhavige jaren gehanteerde rentepercentages onredelijk zouden moeten worden geacht. In hetgeen eiser heeft gesteld ziet de rechtbank voorts geen aanknopingspunten dat sprake zou zijn van inconsistenties bij de schattingen. Aan de redelijkheid van de schatting doet ook niet af dat de strafrechter van lagere bedragen is uitgegaan. Anders dan eiser kennelijk betoogt, is verweerder noch de belastingrechter op dit punt gebonden aan de bevindingen van de strafrechter. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met jaarlijkse consumptie door eiser van zijn vermogen, ligt het op de weg van eiser om daarvoor bewijs aan te dragen, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten.

38.

De conclusie moet zijn dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2000 tot en met 2009 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De andersluidende beroepsgronden kunnen dan ook geen doel treffen.

Heffingsrente

39.

Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dienen de beroepen tegen de beschikkingen heffingsrente in zoverre ongegrond te worden verklaard.

Boetes

40.

De door verweerder gehandhaafde boetebeschikkingen van 100% zijn bij uitspraken op bezwaar verminderd met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

41.

Voor het opleggen van boetes als de onderhavige is vereist dat het aan het opzet van eiser is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven dan wel een onjuiste/onvolledige aangifte is gedaan. De bewijslast voor de boetes ligt voor ieder jaar afzonderlijk, zowel voor wat betreft de vraag of het beboetbare feit zich heeft voorgedaan als de vraag of sprake is geweest van opzet, bij verweerder (vgl. hiervoor aangehaald Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, en Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350).

42.

De rechtbank stelt vast dat het bewijs voor de beboetbare feiten in de onderhavige zaken in de eerste plaats wordt geleverd door de informatie op de microfiches. Uit deze informatie volgt dat eiser op 31 januari 1994 rekeninghouder was van een bankrekening bij KB-Lux en dat die rekening in totaal een aanzienlijk positief saldo vertoonde. Vaststaat dat eiser dit saldo en/of de rente-inkomsten die op die rekening zijn ontvangen niet in de aangiftes over de desbetreffende jaren heeft betrokken.

43.

Op basis van deze feiten mag het bewijsvermoeden worden aangenomen dat eiser over de jaren 2000 tot en met 2009 steeds onjuiste aangiftes heeft gedaan. Een zodanig bewijsvermoeden is gerechtvaardigd, omdat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet zomaar uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen en een bank over het algemeen rente pleegt te vergoeden over een zodanig tegoed (vgl. Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, en Hoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:713). Eiser heeft dit vermoeden niet weerlegd. Wanneer door een belastingplichtige een bankrekening wordt aangehouden in een land met een bankgeheim en aanzienlijke tegoeden daarop en de rente-inkomsten daaruit dan wel de banksaldi ten onrechte niet in zijn aangifte zijn vermeld, kan in het algemeen reeds op grond daarvan worden aangenomen dat hij die aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook het opzet op het niet-aangeven in de jaren 2000 tot en met 2009 bewezen. Voor deze bewezenverklaring is de door eiser afgelegde verklaring bij de FIOD-ECD niet nodig, zodat op de desbetreffende stellingen van eiser niet behoeft te worden ingegaan.

44.

De rechtbank acht de opgelegde boetes passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de verschuldigde belasting is vastgesteld met de omkering van de bewijslast. In hetgeen eiser heeft gesteld omtrent zijn persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van financiële omstandigheden die nopen tot matiging van de boetes. Ook de eventuele slechte gezondheidstoestand van eiser of zijn visuele beperking vormen in dit geval geen omstandigheden die moeten leiden tot matiging. De beroepen met betrekking tot de boetes kunnen daarom niet slagen.

Redelijke termijn

45.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden en dat op die grond de boetes dienen te worden gematigd en een vergoeding wegens geleden immateriële schade dient te worden toegekend.

46.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:O9006, BNB 2005/337, vgl. Hoge Raad 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

47.

Deze termijn vangt in de onderhavige gevallen ten aanzien van de boetes aan op het moment dat jegens eiser een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem door verweerder een boete zal worden opgelegd. In het onderhavige geval is de redelijke termijn aangevangen met de hierboven onder punt 6 bedoelde aankondiging waarbij eiser op de hoogte is gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 op te leggen met boetes. De termijn eindigt met de onderhavige uitspraak. Eiser heeft evenwel steeds toestemming gegeven de behandeling van de bezwaren aan te houden in afwachting van de proefprocedures over KB Lux-zaken. De rechtbank ziet derhalve aanleiding de redelijke termijn te verlengen in verband met de prejudiciële procedure inzake de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten na de uitspraak van het Hof van Justitie van 11 juni 2009 (zaken C-155/08 en C-157/08, ECLI:NL:XX:2009:BI8987) ook de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 (nrs. 43050 bis en 43670bis, LJN: ECLI:NL:HR:2010:9092 en ECLI:NL:HR:2010:9120) af te wachten. Gelet op de rechtsvormende taak van de Hoge Raad was het naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie gewezen arrest van de Hoge Raad immers ook van doorslaggevend belang bij de beoordeling van het geschil. Daarnaast zal de rechtbank de redelijke termijn vanwege de complexiteit van de procedures, die mede wordt veroorzaakt door de aanhoudende weigering van eiser om openheid van zaken te geven, en de veelheid aan belastingaanslagen met nog een jaar verlengen. De redelijke termijn is derhalve overschreden met afgerond 1,5 jaar.

48.

Aangezien verweerder de boetes reeds met 20% heeft gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen aanleiding de boetes op deze grond nog verder te matigen.

49.

Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank dat uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO5046), volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment dat het eerste bezwaarschrift is ontvangen en dat is in dit geval 7 januari 2003. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond (vgl. CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 en Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666).

50.

Gelet op de datum van ontvangst van het eerste bezwaarschrift en hetgeen hiervoor is overwogen over het verlengen van de termijn, is de redelijke termijn overschreden met afgerond 1,5 jaar. Nu de beroepschriften zijn ontvangen op respectievelijk 30 augustus en 4 september 2013, ziet de rechtbank aanleiding om de overschrijding in haar geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Hieruit volgt dat verweerder aan eiser een vergoeding voor immateriële schade dient te betalen ten bedrage van € 1.500 (1,5 jaar termijnoverschrijding * € 500 per half jaar).

Samenvatting

51.

In verband met de na het instellen van de beroepen door verweerder afgegeven verminderingsbeschikkingen zal de rechtbank de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1999 en VB 1991 tot en met 2000 gegrond verklaren en de tot nihil verminderde navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente handhaven. De beroepen tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2000 tot en met 2009 alsmede de bijbehorende beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen zijn ongegrond. Verweerder zal worden veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500.

Proceskosten

52.

Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal zouden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Daarvan is in het onderhavige geval evenwel geen sprake.

53.

De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.559 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een repliek met een waarde per punt van € 487, en een wegingsfactor 1,5 wegens meer dan vier samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1999 en VB 1991 tot en met 2000 gegrond;

  • -

    handhaaft de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1999 en VB 1991 tot en met 2000, de bijbehorende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente zoals deze luiden na de verminderingsbeschikkingen van 27 september 2013;

  • -

    verklaart de beroepen met betrekking tot de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2000 tot en met 2009 ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van immateriële schade van € 1.500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2.559;

  • -

    gelast dat verweerder de betaalde griffierechten deels, tot een bedrag van € 88, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.R. Richardson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 10 juli 2014

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.