Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4214

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_2563
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:4084, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWR/Verdrag Nederland-VK, omkering bewijslast, nieuw feit, is belanghebbende inwoner van Nederland of Groot-Brittannië?, toepassing Verdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1719
PFR-Updates.nl 2014-0182
V-N Vandaag 2014/1504
Drs. A. Rozendal annotatie in NTFR 2014/2034

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 13/2563

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 10 juli 2014

in de zaak tussen

[X], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H.57) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 301.000. Tevens is bij beschikking € 33.426 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2013 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 8 mei 2013, ontvangen door de rechtbank op 13 mei 2013, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde, mr. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen

mr. [gemachtigde], mr. drs. [A] en [B].

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent de pleitnota en de bijlagen tot de gedingstukken.

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser is op 28 januari 1953 geboren te [Q]. Eiser stond vanaf zijn geboorte tot 29 januari 1994 ingeschreven op het adres [A-straat 1] te [R]. Eiser was in 2005 eigenaar van een appartement, gelegen [A-straat 2] te [S], Verenigd Koninkrijk (hierna: VK). Hij stond met ingang van 29 januari 1994 ook in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven op dit adres.

2.

Eiser is gehuwd geweest met [Y]. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren. Eiser en [Y] wonen sinds 1999 duurzaam gescheiden.

3.

In een e-mailbericht van 11 december 2011 aan verweerder heeft eiser omtrent zijn woonplaats onder meer het volgende aangegeven:

“-reeds in het jaar 1994 heb ik Nederland metterwoon verlaten en heb ik mij, met mijn (toenmalige) echtgenote en kinderen in Spanje gevestigd.(…)

-in 1999 ben ik vervolgens metterwoon van Spanje naar het Verenigd Koninkrijk verhuisd. Deze verhuizing is terug te voeren tot zowel het duurzaam gescheiden gaan leven van mijn echtgenote en de wens om, vanuit het Verenigd Koninkrijk ([S] als financieel centrum!), verder vorm te geven aan de internationalisatie van het [C]-concern.”

4.

Eiser heeft in 1995 het [C]-concern opgericht. Het concern richtte zich op de verkoop van ‘international living’, een levensstijl waarbij personen op verschillende luxueuze plekken in de wereld werken en wonen, onder het comfort van hoogstaande persoonlijke service. De activiteiten bestonden voornamelijk uit de verkoop van exclusief onroerend goed en het leveren van persoonlijke dienstverlening aan de kopers daarvan. [C] richtte zich eerst op de buurt van [T] (Spanje). Medio 2004 is het hoofdkantoor van [C] van Spanje naar Nederland verhuisd omdat men ook buiten Spanje projecten wilde opstarten, zoals in Antigua, Panama en Vietnam. [C] beschikte in 2005 over een kantoorruimte in [U] ([A-straat 3]).

5.

Eiser had in 2005 en heeft ook thans nog, een relatie met [D] (hierna: [D]). [D] was directeur bij [C] en is sinds 27 oktober 2000 woonachtig op het adres [A-straat 4] te [V].

6.

Eiser en [D] hebben tevens in privé projecten ontwikkeld. Eiser had in 2005 onder meer onroerend goed in Frankrijk, Spanje, Nederland en Oostenrijk in eigendom. De panden werden via [E] Ltd., gevestigd te [S], te huur aangeboden. Eiser is directeur en enig aandeelhouder van deze vennootschap.

7.

Op 27 april 2004 heeft eiser een woning gekocht, gelegen aan de [A-straat 5] te [W]. Het pand is in 2004 en 2005 ingrijpend verbouwd. Het pand werd in 2006 en 2007 enkele maanden verhuurd aan [F] B.V.

8.

Op 2 november 2004 heeft eiser een appartement, gelegen aan de [A-straat 3] te [U] gekocht. Dit appartement werd gedurende het jaar 2005 als woonruimte verhuurd aan [F] B.V. voor € 4.250 per maand.

9.

Op 25 juli 2005 zijn door verhuisbedrijf [G] aan eiser verhuiskosten in rekening gebracht inzake het overbrengen van goederen van [A-straat 4] te [V] en [U] naar [q] en van [q] naar [A-straat 4] te [V]. Op 28 september 2005 zijn door [G] aan eiser verhuiskosten in rekening gebracht inzake het overbrengen van meubilair van de [A-straat 3] te [U] naar de loods van [G]. Voorts zijn opslagkosten in rekening gebracht. Op 21 december 2005 heeft [G] eiser gefactureerd inzake de verhuizing van [A-straat 4] te [V] en [r] naar de woning van eiser in [W], alsmede inzake het transport van diverse schilderijen van [A-straat 3] te [U] naar [W]. In juni en juli 2006 heeft [G] eiser gefactureerd inzake de verhuizing van goederen van [U] naar [W] en de loods van [G] en inzake de verhuizing van goederen van de [A-straat 3] te [U] naar de [A-straat 6] te [U].

10.

In een verslag van 15 juni 2006 van Van Lanschot Bankiers inzake een kredietaanvraag van eiser staat het volgende vermeld:

“(…) Inmiddels heeft [C] besloten haar kantoor in het [H] aan te houden en zelf uit te breiden naar 3 etages. In het verleden was sprake van een eventuele verplaatsing naar een locatie buiten [U], maar hier is men definitief van afgestapt. Dat is ook de reden waarom de heer [X] een nieuw appartement met garage in het [H] wenst aan te kopen voor eigen gebruik. (Hij heeft reeds eerder een appartement gehad in het [H], maar verkocht vooruitlopend op de mogelijke verhuizing.)(…) Woning is alleen bestemd voor eigen gebruik.”

11.

Bij brief van 31 augustus 2005 heeft [I] B.V. aan eiser het volgende meegedeeld:

“Met referte aan het telefonisch onderhoud van 30 augustus jl. kunnen wij u meedelen dat uitwonende studerende kinderen tot 27 jaar standaard zijn meeverzekerd onder uw inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren bij [J]. (…)”

12.

Eiser had in 2005 een ziektekostenverzekering in Nederland. Het betrof een zogenoemde buitenlandpolis die een werelddekking geeft. Het woonadres van [D] diende als correspondentieadres.

13.

Tot de gedingstukken behoren aan [D] gerichte facturen betreffende de schoonmaak van het onder 1. genoemde appartement in [S].

14.

Eiser had in 2005 een TV-licentie voor zijn appartement in [S].

15.

Tot de gedingstukken behoren facturen van de vaste telefoonlijn van het appartement in [S].

16.

Aan eiser is door energiebedrijf [K] over het jaar 2005 ruim £ 300 gefactureerd voor de levering van elektriciteit ten behoeve van het appartement in [S].

17.

Eiser heeft zich in 2004 in het VK laten registreren om te kunnen deelnemen aan verkiezingen.

18.

Eiser heeft 2004 een nummer van de National Insurance in het VK verkregen.

19.

In een “Memorandum on Examination” van [F] B.V. per 31 december 2005, opgemaakt door [L] RA van [M] [U], is weergegeven dat de managementfee van eiser € 300.000 bedraagt.

20.

Uit een “Executive service agreement” van 21 januari 2005, gesloten tussen eiser en [N] (gevestigd te Gibraltar) blijkt dat eiser als Chief Executive Officer van [O] optreedt en dat hij een beloning van € 12.000 per jaar ontvangt.

21.

Uit een overzicht dat door verweerder is aangetroffen in de administratie van het [C]-concern blijkt dat werknemer [P] in het jaar 2006 een beloning van € 20.833 per maand ontvangt.

22.

Eiser heeft op 31 mei 2007 een aangifte IB/PVV 2005 voor buitenlandse belastingplichtigen ingediend. In de aangifte heeft eiser bij vraag 1c vermeld dat hij in 2005 niet in Nederland verplicht verzekerd was voor de volksverzekeringen en dat hij geen inkomsten uit Nederland of bezittingen in Nederland had. Voorts is in de aangifte bij de vragen 32, 33 en 34 vermeld dat eiser overige onroerende zaken in Nederland bezat met een gemiddelde waarde van € 6.005.736 en schulden met een gemiddelde waarde van € 6.015.000.

23.

Met dagtekening 23 augustus 2007 is een aanslag IB/PVV 2005 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil.

24.

Eiser heeft over de belastingjaren 2004/2005 en 2005/2006 aangifte inkomstenbelasting in het VK gedaan. Bij brief van 31 mei 2012 heeft de belastingdienst van het VK (hierna: HMRC) verklaard dat eiser in deze jaren voor belastingdoeleinden is aangemerkt als ordinarily resident. Bij brief van 3 mei 2013 heeft HMRC verklaard dat een onderzoek is ingesteld in verband met het verzoek van eiser om vrijstelling van buitenlandse inkomsten. HMRC heeft voorts verklaard dat het onderzoek is gesloten en dat de buitenlandse inkomsten van eiser, die eerst niet belastbaar in het VK werden geacht, alsnog in de heffing zijn betrokken.

25.

Begin 2010 is voor [a] B.V. het faillissement aangevraagd en is voorts voor [b] N.V., [F] B.V. en [c] B.V. surseance van betaling aangevraagd. Deze vennootschappen maakten deel uit van het [C] concern.

26.

Verweerder heeft bij brief van 29 juni 2010 aangekondigd dat bij [d] B.V. een onderzoek zou worden ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting vanaf het jaar 2006 tot en met het eerste kwartaal over 2010. [d] B.V. is onderdeel van het [C]-concern.

27.

Verweerder heeft bij brief van 6 december 2010 aangekondigd dat een onderzoek vennootschapsbelasting bij [b] N.V., [F] B.V. en [c] B.V. zou worden ingesteld.

28.

Verweerder heeft bij brief van 23 november 2011 aangekondigd dat een onderzoek inkomstenbelasting vanaf het jaar 2004 bij eiser zou worden ingesteld. In dit kader is aan eiser gevraagd om een aantal inlichtingen ter zake van zijn inkomsten te verstrekken.

29.

Eiser heeft diverse malen aan verweerder medegedeeld dat hij het standpunt inneemt dat hij niet gehouden is om de gestelde vragen te beantwoorden en de gevraagde informatie te verstrekken. Hierbij voert eiser aan dat hij in de in het informatieverzoek genoemde jaren inwoner was/is van het VK en dat door de werking van het belastingverdrag tussen Nederland en het VK geen heffingsbevoegdheid toekomt aan Nederland. Omdat Nederland niet mag heffen, kunnen de gestelde vragen en inlichtingen niet van belang zijn voor de belastingheffing, aldus eiser.

30.

Verweerder heeft, na aankondiging, met dagtekening 31 december 2011 de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 opgelegd. Hiertoe heeft verweerder een bedrag van € 250.000 in aanmerking genomen als fictief loon in de zin van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 en € 51.000 in verband met de terbeschikkingstelling van het appartement gelegen aan de [A-straat 3] te [U] door [F] B.V. aan eiser. Eiser heeft tegen deze aanslag tijdig bezwaar gemaakt.

31.

[b] N.V., [F] B.V. en [c] B.V. zijn in november 2012 in staat van faillissement verklaard. Op 28 november 2012 is eiser door de Official Receiver in het VK persoonlijk failliet verklaard.

32.

Eiser heeft verweerder per brief van 24 april 2013 in gebreke gesteld ter zake van het doen van uitspraak op bezwaar.

33.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2013 heeft verweerder het bezwaar afgewezen en de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Geschil

34.

In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

  • -

    is sprake van omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte;

  • -

    is sprake van een nieuw feit;

  • -

    indien geen sprake is van een nieuw feit: is eiser te kwader trouw;

  • -

    is eiser op grond van de nationale wetgeving binnenlands belastingplichtig;

  • -

    is eiser op grond van de nationale wetgeving van het VK inwoner aldaar;

  • -

    wordt eiser geacht op grond van het verdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk 1980 (hierna: het Verdrag) inwoner te zijn van Nederland;

  • -

    heeft verweerder de navorderingsaanslag tot een juist bedrag vastgesteld;

- heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding.

35.

Nu verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de verklaringen van [e] en [f] niet voor het jaar 2005 zijn gebruikt, is niet meer in geschil het antwoord op de vraag of deze verklaringen op rechtmatige wijze zijn verkregen.

36.

Verweerder heeft voorts ter zitting zijn stelling dat eiser in strijd met artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) heeft gehandeld ingetrokken.

Beoordeling van het geschil

Omkering van de bewijslast

37.

Verweerder neemt het standpunt in dat de bewijslast moet worden omgekeerd omdat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Verweerder stelt dat eiser de in het aan hem uitgereikte aangiftebiljet gevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud heeft ingevuld. Verweerder wijst hiertoe erop dat:

- de vragen 1a (in welke landen woonde u) en 1b (nationaliteit) niet zijn ingevuld;

- vraag 1c onjuist is ingevuld. Eiser heeft aangegeven dat hij geen inkomsten uit Nederland of bezittingen in Nederland had, terwijl hij, zo ook blijkt uit de vragen 32 en 33, wel bezittingen in Nederland heeft.

- indien eiser vraag 1c wel juist had ingevuld, hij ook de vragen 4 en verder had moeten invullen.

- eiser had moeten verzoeken om een aangiftebiljet voor binnenlands belastingplichtigen dan wel zijn gemachtigde had hem hierop moeten wijzen.

38.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Niet iedere formele of inhoudelijke tekortkoming in een aangifte heeft tot gevolg dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Het verzuim moet voldoende ernstig zijn om de omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Hierbij heeft te gelden dat de vereiste aangifte niet is gedaan ingeval tekortkomingen in de aangifte van dien aard zijn dat de verweerder daardoor onvoldoende in staat is de verschuldigde belasting en de grondslag daarvan vast te stellen (vergelijk Gerechtshof ’s-Gravenhage 30 maart 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM4145). Nu de door verweerder geconstateerde formele gebreken, waaronder het niet vermelden van een aanmerkelijk belang, in het onderhavige geval niet leiden tot een ander belastbaar inkomen, is hiervan geen sprake. Eiser was voorts op grond van artikel 8 van de AWR slechts gehouden de aan hem uitgereikte aangifte voor buitenlands belastingplichtigen in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden. Hij was niet gehouden om een aangiftebiljet voor binnenlands belastingplichtigen te verzoeken. Eiser mocht er voorts in redelijkheid van uitgaan dat hij enkel buitenlands belastingplichtig was.

Nieuw feit

39.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit.

40.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of de navorderingsaanslag voortvloeit uit feiten die bij het opleggen van de primitieve aanslag reeds bij de inspecteur bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen (zie Hoge Raad 6 juni 2001, nr. 36 306, ECLI:NL:HR:2001:AB2890, BNB 2001/397). De inspecteur behoeft in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de in het aangiftebiljet opgenomen posten, indien er voor deze posten ook een andere, niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk is (vergelijk Hoge Raad 12 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, BNB 2010/155). De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit berust bij verweerder.

41.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder geen aanleiding te twijfelen aan de aangifte van eiser. De in de aangifte vermelde gegevens noopten niet tot een nader onderzoek. Het is immers niet ongebruikelijk dat een buitenlands belastingplichtige in Nederland onroerende zaken bezit. Daarnaast is de aangifte ingediend door een belastingadviseur en zag er verzorgd uit. Verweerder heeft eerst tijdens de hiervoor onder 8. en 9. genoemde boekenonderzoeken en derhalve na het opleggen van definitieve aanslag op 23 augustus 2007 kennis genomen en kunnen nemen van de informatie die heeft geleid tot het opleggen van de navorderingsaanslag. Er is derhalve sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Toetsingskader inwonerschap op basis van het Verdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk 1980

42.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Verdrag is inwoner van één van de Staten

‘Iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die Staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in die Staat.’

43.

In artikel 4, tweede lid, van het Verdrag is het volgende bepaald:

‘Indien een natuurlijk persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:

a. hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);

b. indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;

c. indien hij in beide Staten of geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

d. indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.’

44.

Tussen partijen is niet in geschil dat Nederland slechts heffingsrecht ter zake van het fictief loon toekomt indien eiser op grond van artikel 4 van de AWR inwoner is van Nederland en, ingeval eiser op grond van de wetgeving van het VK tevens inwoner is van het VK, geacht wordt voor de toepassing van het Verdrag inwoner te zijn van Nederland. Nu dit geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zal de rechtbank partijen hierin volgen (vergelijk: Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8398).

Inwonerschap in Nederland op basis van artikel 4 van de AWR

45.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR wordt waar iemand woont naar omstandigheden beoordeeld. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land. Alle omstandigheden dienen in aanmerking te worden genomen. Er is geen sprake van een rangorde (vergelijk: Hoge Raad 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466).

46.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende aanwijzingen dat in 2005 sprake was van een duurzame persoonlijke band tussen eiser en Nederland. De rechtbank heeft daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen: Eiser had in 2005 en heeft ook thans nog een duurzame relatie met een in Nederland woonachtige partner. Uit hetgeen hiervoor onder 7, 8 en 9 is vermeld kan worden afgeleid dat eiser in 2005 over woonruimte in Nederland kon beschikken en ook daadwerkelijk heeft beschikt. Daarnaast had eiser in 2005 een inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren en was in hij in 2005 in Nederland verzekerd voor ziektekosten. Uit het vorenstaande volgt dat eiser op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR in 2005 in Nederland woonde.

Inwonerschap in het VK op basis van de nationale wet

47.

Indien een Nederlands belastingplichtige in het VK als inwoner in de belastingheffing is betrokken, dient voor de toepassing van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag ervan te worden uitgegaan dat die belastingplichtige op grond van de regelgeving van het VK als inwoner van het VK aan belasting is onderworpen. Dit is slechts anders indien verweerder aannemelijk maakt dat de gegevens op grond waarvan de fiscus in het VK het inwonerschap van de betrokkene in het VK naar VK recht heeft aangenomen, onjuist of onvolledig zijn, hetzij de heffing niet in redelijkheid op enige regel van VK recht kan zijn gestoeld. Verweerder dient zulks gemotiveerd te stellen (vergelijk Hoge Raad 12 mei 2006, nr. 40450, ECLI:NL:HR:2006:AR5759).

48.

Vaststaat dat eiser door HMRC is aangemerkt als ordinarely resident in het VK. Uit hetgeen hiervoor onder 24. is overwogen volgt voorts dat het wereldinkomen van eiser aan belastingheffing in het VK is onderworpen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser als inwoner van het VK aan de belastingheffing is onderworpen. Gelet op het feit dat HMRC een uitgebreid onderzoek naar de belastingplicht van eiser heeft ingesteld, is niet aannemelijk dat de gegevens op grond waarvan HMRC het inwonerschap van eiser heeft aangenomen onjuist dan wel onvolledig waren.

Toepassing artikel 4, tweede lid, van het Verdrag

49.

Nu eiser op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in 2005 inwoner was van beide staten dient op grond van de in artikel 4, tweede lid, van het Verdrag worden opgenomen criteria te worden bepaald van welke land eiser wordt geacht in 2005 inwoner te zijn geweest.

a.1. duurzaam tehuis

50.

In de eerste plaats moet worden nagegaan in welk land aan eiser in het jaar 2005 een duurzaam tehuis ter beschikking stond.

51.

Uit hetgeen hiervoor in 1. en 13. tot en met 16. is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het appartement in [S] duurzaam aan eiser ter beschikking heeft gestaan.

52.

Uit hetgeen hiervoor in 8. tot en met 10. is overwogen volgt voorts dat eiser in Nederland kon beschikken over het appartement aan de [A-straat 3] te [U] en verder aan de [A-straat 4] te [V] woonde bij [D]. Het appartement aan [A-straat 3] werd weliswaar verhuurd aan [F] B.V., maar uit het onder 10. vermelde verslag van Van Lanschot en de onder 9. vermelde verhuiskostennota kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat het appartement feitelijk door eiser werd gebruikt.

a.2. persoonlijke en economische betrekkingen

53.

Nu uit het vorenstaande volgt dat eiser in beide landen een duurzaam tehuis had, dient te worden beoordeeld met welk land eiser de nauwste persoonlijke en/of economische betrekkingen had. Ingevolge paragraaf 15 van het commentaar op het OESO-modelverdrag 1992 zijn daarbij onder meer van belang: familiale en/of vriendschappelijke betrekkingen, bezittingen, politieke, culturele en/of andere activiteiten, plaats van zakendoen en de plaats van financiële administratie.

54.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de persoonlijke en economische betrekkingen van eiser met Nederland in 2005 sterker waren dan die met het VK. Het omgekeerde kan evenmin worden vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser in beide landen over woningen beschikte en dat tot het [C]-concern onder meer vennootschappen in Nederland en in het VK behoorden. De omstandigheid dat de partner van eiser in Nederland woonde en eiser (een deel van) zijn bezittingen heeft overgebracht naar de woning van zijn partner is een belangrijke aanwijzing dat eiser regelmatig in Nederland verbleef en een persoonlijke band had met Nederland. Dit geldt evenzeer voor het feit dat eiser in 2005 een ziektekostenverzekering en een inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering in Nederland had. Ook het feit dat het hoofdkantoor van [C] in 2004 naar Nederland is overgebracht en dat het [C]-concern in 2005 over kantoorruimte in [U] beschikte, duidt op een zakelijke band met Nederland. Het feit dat eiser in het VK een woning had en de onder 13. tot en met 19. genoemde feiten en omstandigheden, duiden op persoonlijke betrekkingen met het VK. Dit geldt tevens voor het feit dat het persoonlijke faillissement van eiser in het VK is uitgesproken.

b. gewoonlijke verblijfplaats

55.

Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden vastgesteld in welk land eiser het middelpunt van zijn levensbelangen had. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenmin op basis van de gedingstukken worden vastgesteld waar eiser in 2005 gewoonlijk verbleef. Eiser heeft geen inzicht gegeven in zijn zakelijke afspraken, bijvoorbeeld door het overleggen van een agenda en ook kan niet worden vastgesteld waar eiser zijn vrije tijd heeft doorgebracht.

c. onderdaan

56.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van het Verdrag wordt eiser geacht inwoner te zijn van het land waarvan hij onderdaan is. Verweerder heeft onweersproken gesteld, dat eiser de Nederlandse en niet de Britse nationaliteit heeft. Eiser is derhalve voor de toepassing van het Verdrag inwoner van Nederland.

Loon uit dienstbetrekking

57.

Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag rekening gehouden met loon uit dienstbetrekking van € 301.000, zijnde een gebruikelijk loon van € 250.000 en een loon in natura genoten uit de terbeschikkingstelling van het appartement [A-straat 3] van € 51.000. Ten aanzien van het gebruikelijk loon stelt verweerder dat dit is gebaseerd op de bij diverse (derden)onderzoeken achterhaalde loongegevens van andere personen.

58.

Eiser heeft zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013, nr. 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129, op het standpunt gesteld dat verweerder de stukken waarop hij zich heeft gebaseerd, moet inbrengen.

59.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op hetgeen hiervoor onder 20. tot en met 22. is vermeld, aannemelijk gemaakt dat het gebruikelijk loon niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser dat verweerder niet alle stukken waarop hij de hoogte van het gebruikelijk loon heeft gebaseerd, heeft ingebracht. De hiervoor genoemde gegevens bieden voldoende onderbouwing voor de correctie. Voorts heeft eiser de door verweerder vastgestelde hoogte van het gebruikelijk loon niet gemotiveerd weersproken.

60.

Ten aanzien van de waarde van de terbeschikkingstelling van het appartement [A-straat 3] heeft verweerder zich gebaseerd op de maandelijkse huur die [F] B.V. aan eiser heeft betaald. Eiser heeft hier geen gronden tegen aangevoerd. Nu aannemelijk is dat dit appartement in 2005 een duurzaam tehuis was voor eiser, is ook aannemelijk dat sprake is van een verstrekking voor de loonbelasting. Eiser heeft de hoogte van de correctie niet gemotiveerd weersproken.

Heffingsrente

61.

Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

62.

Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

63.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

64.

De termijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank stelt vast dat na de indiening van het bezwaarschrift van eiser op 21 januari 2012 tot de datum van deze uitspraak meer dan twee jaren zijn verstreken. De redelijke termijn is derhalve met –afgerond- een halfjaar overschreden. Deze termijnoverschrijding vormt grond voor een immateriële schadevergoeding. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan die vergoeding achterwege zou moeten blijven zijn de rechtbank niet gebleken. Op grond van het vorenstaande en gelet op de duur van de bezwaarfase, komt de rechtbank tot het oordeel dat door verweerder aan eiser een vergoeding voor immateriële schade dient te worden betaald ten bedrage van € 500.

Conclusie

65.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskostenveroordeling

66.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van € 500 aan eiser wegens immateriële schade.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr.dr. N. Djebali, rechters, in tegenwoordigheid van mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 10 juli 2014

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.