Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4212

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
05/740149-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 49-jarige man uit Arnhem is door de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld voor mishandeling en een poging tot doodslag door het steken met een mes. Hij krijgt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Tevens is reclasseringstoezicht opgelegd en moet de man zich laten behandelen voor zijn alcoholverslaving en zijn psychiatrische problematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/740149-13

Datum zitting : 24 juni 2014

Datum uitspraak : 8 juli 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres 1]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. E. Bülbül, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 13 november 2013 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] voornoemd met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 13 november 2013 te Arnhem, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (steekwond in de buik), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes in de buik te steken;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 13 november 2013 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] voornoemd met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

2.

hij op of omstreeks 04 juni 2013 te Arnhem, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), met kracht tegen het lichaam heeft geduwd waardoor zij op/tegen de bank ten

val is gekomen en/of een of meermalen bij de keel heeft gegrepen en/of de keel

met kracht heeft dicht geknepen en/of een of meermalen met kracht het hoofd

van die [slachtoffer 2] tegen de muur heeft geduwd/gedrukt en/of die [slachtoffer 2] in de

wang/kaak heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 24 juni 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E. Bülbül, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen[slachtoffer 1], bijgestaan door [medewerker] van slachtofferhulp.

De officier van justitie, mr. D.E. Schaap, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 13 november 2013 bevonden het slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte zich in de woning van verdachte aan de [adres 1] te Arnhem2. Aldaar is een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer 1] ontstaan3. Vervolgens heeft verdachte uit de keuken van zijn woning een mes gepakt4. [slachtoffer 1] heeft letsel bekomen, veroorzaakt door steken met een mes5.Het letsel bestond uit een schaafwond aan de rechterzijde van de hals en een steekwond in de linker bovenbuik met een lengte van 2 cm en met een diepte groter dan de lengte van de huidonderbreking6.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 1 nu het opzet van verdachte niet was gericht op het doden van [slachtoffer 1] noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1].

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het letsel van aangever is veroorzaakt door opzettelijk handelen van verdachte.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard:

“(…) [verdachte] had mij toen uitgenodigd. We hebben toen veel gepraat en muziek geluisterd. Gewoon gezellig. We hebben toen ook samen gedronken. Hoeveel we toen gedronken hebben weet ik niet meer, wel behoorlijk veel. (…) We dronken wel stevig, we zijn beide alcoholisten namelijk. (…) Het volgende dat ik mij kan herinneren is dat ik op de grond lag en er bloed uit mij kwam. Ik kan niet schatten hoe laat dat is geweest. Ik lag op de grond en de politie en de ambulance kwam binnen. Ik zag dat ik een snee in mijn zij had. Ik zag dat deze in mijn linkerzij, net onder de ribbenkast zat. Ik zag dat deze snee zo’n 2,5cm breed was. Ik moest van de politie mijn hand erop houden totdat de ambulancebroeder er was.”7

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde onder invloed was en dat hij 3 pillen Bromazepam had ingenomen8.

Over de gebeurtenissen in de nacht van 12 op 13 november 2013 heeft verdachte tegenover de politie op 13 november 2013 onder andere verklaard:

“Kort daarna kregen wij een worsteling. (….) Waaruit die worsteling voortkwam weet ik ook niet. (…) [slachtoffer 1] werd ook wild. Ik werd toen bang van hem. (…) Het was meer een krachtmeting.(…) [slachtoffer 1] deed tijdens de worsteling ook weer zo raar met zijn armen. (…) Ik voelde het is een sterke jongen, dit weet ik niet maar vul ik zelf in, dat ik toen het mes ging pakken. (…) Een keukenmes, van mij. (…) Een zwart handvat, ongeveer 20 cm inclusief lemmet. Dit is een puntig mes. Hij loopt echt in een punt. (…) het lag altijd in de keukenla. Dit mes lag in de linker keukenla. (…) Ik had het mes in mijn hand. Ik weet niet meer of [slachtoffer 1] op mij af kwam of ik naar hem toe. (…) V: Toen u het mes voor uw hield, hoeveel afstand was er toen tussen u en [slachtoffer 1]? A: Ik denk één meter of anderhalve meter, Hij zag mij natuurlijk ook het mes pakken. Ik dreef hem naar achteren volgens mij. (…)”9.

Op 14 november 2013 heeft verdachte hieromtrent verklaard:

“Toen vond de worsteling plaats tussen de twee banken. (…) Toen werd ik bang. Toen ben ik vliegensvlug naar de keukenla gegaan.(…) Daar heb ik het mes uit gehaald (…) Hij is niet achter mij aan gelopen toen ik het mes ging pakken. Hij is volgens mij op de plek waar de worsteling begon blijven staan. Althans, dat vermoed ik. (..) Ik liep weer terug naar [slachtoffer 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] terugdeinsde (…) Dat is het nu juist, kwam hij op mij af of niet. Ik had het mes met gestrekte arm voor mij. (…)”10

Voorts heeft verdachte bij de rechter-commissaris op 15 november 2013 over deze gebeurtenissen verklaard:

“ [slachtoffer 1] had een flesje voor zich staan met wodka. Ik heb dat leeggedronken helemaal en toen ontstond de worsteling. [slachtoffer 1] werd er namelijk boos en agressief over. Ik ben naar de keuken gegaan en heb een mes uit de keukenla gepakt. Ik was bang (…)”

Ter terechtzitting heeft verdachte eveneens verklaard dat er een worsteling tussen hem en [slachtoffer 1] ontstond en hij in paniek naar de keukenla is gegaan en daar een mes heeft gepakt om [slachtoffer 1] op afstand te houden. Tevens heeft verdachte verklaard;

“ We stonden tussen de bankstellen en ik wilde hem op afstand houden en heb een mes gepakt uit keuken. Ik was bang. Ik heb dit namelijk in het verleden eerder meegemaakt. Ik had mijn rechterarm gestrekt en hield zelf met mijn linkerarm mijn rechteronderarm vast. (…) [slachtoffer 1] stond in de hoek waar het wasrek stond. (…) Hem wegdrijven was dan ook moeilijk, maar dat was wel mijn bedoeling. De afstand tussen ons was één tot anderhalve meter, herinner ik mij. (…)“11.

Bij zijn verklaring op 13 november 2013 heeft verdachte over het steken verklaard:

“(…) Ik voelde ook dat het niet zo diep was. Ik heb nog nooit iemand gestoken. (…) De punt ging er niet diep in. (…) Het eerste dat ik toen deed is een theedoek pakken om op de wond te drukken en 112 gebeld.”12

In de verklaring van verdachte op 14 november 2013 heeft hij hierover verklaard:

“(…) Ik zag toen dat de punt van het mes er bij [slachtoffer 1] inging. Ik trok het mes toen gelijk terug.(…) En toen stak ik hem met mijn mes in de borst onder of tussen de ribben.”13

De raadsman heeft betoogd dat de verklaring die verdachte op 14 november 2013 heeft afgelegd, onbetrouwbaar is, nu verdachte aantoonbaar onjuist heeft verklaard dat hij zag dat “[slachtoffer 1] zijn trui omhoog deed” en dat toen de punt van het mes er bij [slachtoffer 1] inging. Er is immers bij het sporenonderzoek van het t-shirt van verdachte gebleken dat [slachtoffer 1] door zijn t-shirt heen is gestoken. Dit verweer treft echter geen doel nu de onjuistheid van een deel van een verklaring er niet zonder meer toe leidt dat de volledige verklaring moet worden uitgesloten van de bewijsmiddelen. Zeker niet nu de voornoemde verklaring van verdachte wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals eerdere en latere verklaringen van verdachte en de letselverklaring.

Op grond van voornoemde verklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte bij of naar aanleiding van de worsteling met [slachtoffer 1] op eigen initiatief een keukenmes uit de keukenla heeft gepakt, vervolgens naar [slachtoffer 1] is toegelopen terwijl hij dit mes met gestrekte arm in de richting van [slachtoffer 1] vasthield, waarbij hij [slachtoffer 1] naar achteren dreef.

Daarnaast kan uit de verklaringen van verdachte en de tekeningen die hij van deze situatie heeft gemaakt, worden opgemaakt dat [slachtoffer 1] naar achter werd gedreven tot hij niet verder kon omdat er achter hem een muur was, althans een wasrek stond14.

Verder overweegt de rechtbank dat gelet op de verklaringen van verdachte omtrent het steken, verdachte zich bewust was van het steken en van de plaats waar [slachtoffer 1] met het mes werd gestoken.

Nu verdachte [slachtoffer 1] naar achter heeft gedreven door met gestrekte arm met een mes naar hem toe te lopen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gestoken met dit mes. De mogelijkheid dat [slachtoffer 1] wellicht naar voren is gestapt en zodoende in het mes is gelopen, doet hieraan niet af nu [slachtoffer 1] door verdachte in een hoek werd gedreven.

Hierbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat [slachtoffer 2], een vriendin en buurvrouw van verdachte, tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat verdachte over het voorval tegen haar heeft verteld; “het was hij of ik”15.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het handelen van verdachte, het steken in de buik, naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het toebrengen van letsel in de buik van aangever. Daaruit leidt de rechtbank zijn opzet af op (tenminste) het toebrengen van letsel.

Vervolgens moet de rechtbank in deze zaak beslissen of de handeling van verdachte een poging tot doodslag, hetzij het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Uit de medische informatie blijkt dat [slachtoffer 1] door het steekincident een verwonding heeft in de linker bovenbuik, twee centimeter onder de ribbenboog. Het betreft een huidonderbreking van circa twee centimeter lang en een breedte die varieert van circa twee millimeter in de beide hoeken tot in het midden van circa zeven millimeter.

Er heeft een spoedoperatie plaatsgevonden ter vaststelling van inwendig buikletsel , hetgeen niet het geval was. Daarna heeft er opname op de verpleegafdeling plaatsgevonden voor herstel na de buikoperatie en antibioticatherapie. In de letselverklaring staat:

“ (…)Het had goed mogelijk kunnen zijn dat de darmen, de milt een deel van de lever, de alvleesklier of de linker nier met bijbehorende bloedvatvoorziening door de steekverwonding geraakt waren. Inwendig buikletsel aan de bloedvaten leidt tot veel inwendig bloedverlies in de buikholte en tot een levensbedreigende situatie.(…)

Inwendig borstletsel zou kunnen zijn het aanprikken van de linker long met bijbehorende bloedvatvoorziening. Er zou een levensbedreigende bloeding in de linkerborstholte kunnen ontstaan. Het aanprikken van een long leidt tot een klaplong. (…) Er was derhalve potentieel levensbedreigend gevaar voor beschadiging van vitale lichaamsdelen op/nabij de plaats van de steekverwoning.”16

Het blijvend letsel bij [slachtoffer 1] zal bestaan uit een litteken ten gevolge van de steekverwonding en een litteken ten gevolge van de buikoperatie17.

De rechtbank overweegt dat uit geen van de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] met het mes heeft gestoken met het opzet hem van het leven te beroven. Niettemin kan (voorwaardelijk) opzet op de dood bewezen worden geacht als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] door de steekwond zou komen te overlijden. Of dit bewezen kan worden geacht, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de aard van de handeling en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Nu vaststaat dat verdachte [slachtoffer 1] éénmaal met een puntig mes van 20 cm (inclusief handvat) heeft gestoken in de bovenbuik waardoor een steekverwonding van meer dan 2 cm diep is ontstaan, kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat vitale lichaamsdelen zouden worden getroffen. Mede gelet op de letselverklaring waaruit blijkt dat sprake was van potentieel levensbedreigend gevaar, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1].

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 4 juni 2013 had verdachte in zijn woning te Arnhem ruzie met [slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) en heeft hij haar geduwd en gebeten18.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft naar voren gebracht dat deze zaak voor zowel verdachte als mevrouw [slachtoffer 2] al lang niet meer speelde en dat zij, gelet op het tijdsverloop na de aangifte van [slachtoffer 2], ervan waren uitgegaan dat de zaak was geseponeerd. [slachtoffer 2] heeft dan ook aangegeven dat zij haar aangifte wil intrekken, aldus de raadsman.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat nu is komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer 2] krachtig heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen en haar bij de kaak en/of het hoofd heeft vastgepakt en tegen de deur heeft geduwd ,alsmede haar heeft gebeten in wang of kaak19 waardoor bij haar meerdere blauwe plekken op arm, been, rug en nek zijn ontstaan20, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Hoewel aangeefster [slachtoffer 2] blijkens haar brief van 18 juni jl. is teruggekomen van haar aangifte, hecht de rechtbank meer geloof aan haar bij de politie afgelegde verklaring nu deze gedetailleerd is en ondersteuning vindt in het geconstateerde letsel.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 13 november 2013 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] voornoemd met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 04 juni 2013 te Arnhem, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), met kracht tegen het lichaam heeft geduwd waardoor zij tegen de bank ten val is gekomen en het hoofd van die [slachtoffer 2] tegen de muur heeft geduwd en die [slachtoffer 2] in de wang/kaak heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, primair:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt ambulante behandeling voor zijn psychiatrische- en verslavingsproblematiek met de mogelijkheid van klinisch opname voor de duur van maximaal 7 weken alsmede opname van verdachte in een instelling voor beschermd wonen.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen, te weten een trui, een theedoek en een vleesmes verbeurd worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 integrale vrijspraak bepleit en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 2.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 15 mei 2014;

  • -

    voorlichtingsrapportages van de reclassering Iriszorg, te weten een reclasseringsadvies gedateerd 25 maart 2014, een voortgangsverslag gedateerd 11 juni 2014, een beknopt reclasseringsadvies gedateerd 20 juni 2014 en een voortgangsverslag van 23 juni 2014, betreffende verdachte;

  • -

    een trajectconsult door psychiater [psychiater] d.d. 24 december 2013; en

  • -

    het Pro Justitia rapport van drs. [psycholoog], psycholoog, gedateerd 14 maart 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes in de buik te steken. Het is enkel aan geluk te wijten dat het slachtoffer niet dodelijk gewond is geraakt. Het feit vond plaats in de woning van verdachte en verdachte en het slachtoffer hadden veel alcohol gedronken. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij bewust en op eigen initiatief een puntig mes uit de keuken heeft gepakt en hiermee het slachtoffer heeft bedreigd en gestoken.

Tevens heeft verdachte, enige maanden voordat voornoemde gebeurtenis plaatsvond, een vriendin (en buurvrouw) van hem mishandeld.

De ervaring leert dat fysieke aanvallen en aantastingen, zoals door verdachte gepleegd, een enorme en vaak onuitwisbare impact hebben op de slachtoffers daarvan. Zij moeten niet alleen fysiek zoveel mogelijk herstellen, maar ondervinden ook vaak nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen door wat hen is aangedaan. Dat dit zeker ook bij [slachtoffer 1] het geval is, blijkt wel uit de schriftelijke slachtofferverklaring die het slachtoffer heeft opgesteld en ter terechtzitting heeft voorgelezen. Bovendien veroorzaakt een dergelijk feit onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Verdachte is niet eerder wegens geweldsmisdrijven veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat voor een poging tot doodslag, zoals door verdachte begaan, in beginsel geen andere straf dan een gevangenisstraf op zijn plaats is.

Uit het onderzoek van de psycholoog volgt dat bij verdachte sprake is van een obsessief compulsieve persoonlijkheidsstoornis en borderline persoonlijkheidstrekken en afhankelijkheid van alcohol en sedativa.

Het psychologisch rapport beschrijft dat bovenstaande meespeelde bij het gepleegde feit:

“(…) De dag waarop de ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd is tussen betr, zijn buurvrouw en een RIBW medewerker een gesprek geweest om te bemiddelen bij langer durende problemen. Voor betr was dit een emotioneel belastend gesprek, wat spanning veroorzaakte. Betr heeft drie Boromazepam ingenomen (…) Bij thuiskomst, kwam hij zijn buurman tegen en beiden zijn alcohol gaan drinken. Op een gegeven moment ontstond een worsteling en de buurman zou een soort karatebewegingen hebben uitgevoerd. Betr zou hierdoor erg angstig zijn geworden en deze angst actualiseerde de herinneringen aan een incident waar betr. mishandeld is. (…) Hij is naar de keuken gegaan en heeft een mes gepakt, de buurman bedreigd en gestoken. In deze specifieke situatie, waarin betr al langere tijd spanning ervaart, is het alcohol gebruik van betr fors toegenomen. Op de avond waarop de ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd heeft betr veel alcohol gebruikt in combinatie met Bromazepam. (…) Vanwege zijn problematiek is betr minder dan de gemiddelde mens in staat zijn gedrag bij te sturen en de consequenties van zijn handelen te overzien. Het geheel maakt dat te adviseren valt om betr als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen mocht het ten laste gelegde bewezen worden verklaard.(…)”

De rechtbank stelt op grond van voornoemd onderzoek vast dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat verdachte de feiten verminderd kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is verder, met de officier van justitie alsmede verdachte zelf, van oordeel dat verdachte behandeling behoeft. De psycholoog overweegt met betrekking tot de kans op recidive dat indien verdachte geen begeleiding en behandeling wordt geboden hij door zijn onmacht en beperkingen makkelijk in risicovolle situaties terecht kan komen en tot grensoverschrijdend, agressief gedrag komt.

Uit het beknopte reclasseringsadvies van 20 juni 2014 komt naar voren dat zowel de toezichthouder van verdachte als de behandelaren van Iriszorg van mening zijn dat verdachte momenteel niet zelfstandig kan wonen en zij stellen voor dat hij een periode beschermd gaat wonen op [adres 2]. Hierbij geven ze aan dat door verdachte een veilige stabiele basis te bieden de kans op slagen van behandeling voor zijn middelengebruik en behandeling bij Kairos voor zijn persoonlijkheidsproblematiek en angstklachten groter is.

Blijkens het voortgangsverslag toezicht van 23 juni 2014 blijkt dat verdachte op 23 juni 2014 naar de [kliniek] is gebracht voor de duur van maximaal 2 weken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Gelet op hetgeen geadviseerd wordt in bovengenoemde rapportages ziet de rechtbank aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden van reclasseringstoezicht, zowel een ambulante verslavingsbehandeling als een ambulante psychiatrische behandeling en opname in een instelling voor beschermd wonen.

In de omstandigheid dat de feiten verdachte verminderd kunnen worden toegerekend alsmede verdachtes persoonlijke omstandigheden en zijn geringe strafrechtelijke documentatie ziet de rechtbank aanleiding een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

Gezien de problematiek van verdachte en de langdurige behandeling die noodzakelijks is, acht de rechtbank een proeftijd van 3 jaren op zijn plaats.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven vleesmes is een voorwerp met behulp waarvan een van de feiten is begaan. Het behoort toe aan verdachte. De rechtbank zal dit voorwerp verbeurd verklaren.

6A. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.420,66.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit en stelt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] derhalve in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 420,66 aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken op dat bedrag is begroot.

Aan de benadeelde partij is door het onder feit 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op een bedrag van € 2.000,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van immateriële schade omdat wat betreft dit deel van de vordering onvoldoende duidelijk is in hoeverre trauma’s uit het verleden een rol spelen in de geleden schade. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoeding maatregel opleggen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 13 november 2013.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 45, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich op de dag na invrijheidstelling zal melden bij Reclassering Nederland, [adres 3] en zich zal blijven melden gedurende door Iriszorg reclassering bepaalde perioden zo frequent en zo lang als Iriszorg reclassering gedurende deze perioden nodig acht, waarbij huisbezoeken deel uit kunnen maken van het reclasseringstoezicht;

5. zich onder ambulante behandeling zal stellen bij een instelling nader te bepalen door de reclassering, teneinde zich te laten behandelen voor zijn middelenproblematiek en zijn psychiatrische problematiek, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

6. zal verblijven bij het RIBW of een soortgelijke voorziening voor zover de reclassering dit, in overleg met die voorziening nodig acht, en zich zal houden aan het programma van die voorziening;

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland te Arnhem tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het vleesmes.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 1], te betalen

€ 2.420,66 (tweeduizendvierhonderdtwintig euro en zesenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen € 2.420,66 (tweeduizendvierhonderdtwintig euro en zesenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 34 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. M.A. Jansen-van Leeuwen (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. J. Barrau, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. M.B. Moll van Charante, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost-Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer 07ADR13097, gesloten op 18 maart 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aanhouding, verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2014.

3 Proces-verbaal van bevindingen p. 52-53, proces-verbaal van verhoor verdachte p. 34-35, verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2014.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 35, verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2014.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 37, een schriftelijk bescheid inhoudende een geneeskundige verklaring p. 69, een schriftelijk bescheid inhoudende een letselverklaring door mr. drs. [arts], forensisch arts p. 74.

6 Een schriftelijk bescheid inhoudende een letselverklaring door mr. drs. [arts], forensisch arts p. 72.

7 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] p. 61-62.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 33.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 34-36.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 44.

11 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2014.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 37.

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 45.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 36 en 40, het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 45 en 48.

15 Een verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 16 april 2014 p. 2.

16 Een schriftelijk bescheid inhoudende een letselverklaring p. 72-73.

17 Een schriftelijk bescheid inhoudende een letselverklaring p. 74.

18 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] p. 175, het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 182, de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2014.

19 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] p. 175, de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2014.

20 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] p. 176-178,