Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4116

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-07-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
14/608
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging uitspraak in beklag. Matroos vrijgesproken van overmatig alcoholgebruik in strijd met een dienstbevel dan wel dienstvoorschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Locatie Arnhem

Team strafrecht

Meervoudige militaire kamer

Rechtbanknummer : 14/608

Datum zitting : 23 juni 2014

Uitspraak : 7 juli 2014

Uitspraak van de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Gelderland, op het beroep van:

[gestrafte], matroos der eerste klasse logistieke dienst goederenbeheer (PS nr [nummer]),

tijdelijke geplaatst bij het [afdeling],

thans woonachtig aan de [adres], [woonplaats],

– hierna aangeduid als gestrafte –, waarbij de beslissing op beklag wordt bestreden.

Procedureverloop

De procedure in eerste aanleg

Door de commandant is aan gestrafte op 9 maart 2014 een beschuldiging uitgereikt, luidende:

“Betrokkene is op 3 maart 2014 aan boord van [schip] varend in het operatiegebied ten behoeve van NAVO-operatie [naam] tussen ongeveer 21:30 en 22:00 door verschillende personen aangetroffen in kennelijke staat van dronkenschap. Zij heeft aan boord van [schip] alcohol genuttigd in dermate mate dat dit in strijd is met CDS Aanwijzing A-153 punt 3 en richtlijn van de commandant van [schip]. Daarnaast is door betrokkene aanstootgevend gedrag vertoond door op 3 maart 2014 omstreeks 21:30 in het trappenhuis voor aan boord van [schip] een mannelijke opvarende van het [team] te betasten. Daarmee heeft zij in strijd gehandeld met CDS Aanwijzing A-154 punt 2. Tevens tast betrokkene de persoon van haar collega's in slaapverblijf twee aan, doordat zij door haar houding en gedrag haar collega's de ruimte ontneemt.”,

met vermelding van artikelen 15, 18 en 22 van de Wet militair tuchtrecht.

Op 17 maart 2014 heeft het onderzoek (‘de parade’) plaatsgevonden. De commandant heeft op 17 maart 2014 beslist. De beslissing is neergelegd in een schriftelijke uitspraak, die aan gestrafte op 18 maart 2014 is uitgereikt.

Gestrafte werd wegens schending van de gedragsregels van artikelen 15 (niet opvolgen dienstbevel) en 18 (niet opvolgen dienstvoorschrift) van de Wet militair tuchtrecht (verder WMT) gestraft met een geldboete van € 450,00, op grond van de bewezen gedraging, die luidt:

Betrokkene is op 3 maart 2014 aan boord van [schip] varend in het operatiegebied ten behoeve van NAVO-operatie [naam] tussen ongeveer 21:30 en 22:00 door verschillende personen aangetroffen in kennelijke staat van dronkenschap. Zij heeft aan boord van [schip] alcohol genuttigd in dermate mate dat dit in strijd is met CDS Aanwijzing A-153 punt 3 en richtlijn van de commandant van [schip].

De beklagprocedure

Op 21 maart 2014 heeft gestrafte een beklagschrift ingediend.

Het onderzoek op beklag heeft op 4 april 2014 plaatsgevonden. Gestrafte en haar vertrouwensman zijn hierbij aanwezig geweest. Gestrafte is in persoon gehoord. De beklagmeerdere heeft op 7 april 2014 beslist en op 8 april 2014 is de beslissing aan gestrafte uitgereikt.

De beklagmeerdere heeft de bestreden beslissing bevestigd.

De beroepsprocedure

Gestrafte heeft op 9 april 2014 tegen de beslissing op beklag een beroepschrift ingediend bij het Hoofd Maritieme Ondersteuning met het verzoek tot doorzending. Op 9 april 2014 is namens gestrafte het beroepschrift naar het gerecht gestuurd, ex art 82 Wet Militaire Tuchtrecht (hierna: WMT). Kort weergegeven is gestrafte van mening dat er geen bewijs is voor hetgeen bewezen is geacht.

Het openbaar ministerie heeft op 12 mei 2014 ter zake van het beroep een advies uitgebracht, dat aan deze uitspraak is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

Het beroep is op 23 juni 2014 ter zitting van de meervoudige militaire kamer behandeld. Gestrafte is daar verschenen en bijgestaan door haar vertrouwensman, [vertrouwensman]. Beiden hebben het woord ter verdediging gevoerd.

De officier van justitie, mr. J.C. Stikkelman, heeft ter zitting het advies van het openbaar ministerie nader toegelicht. Hij persisteert bij het reeds eerder ingediende advies en maakt als zijn oordeel kenbaar dat de militaire kamer de beslissing waartegen het beroep is ingesteld dient te bevestigen, zo nodig met verbetering of aanvulling daarvan.

De vertrouwensman heeft zich op het standpunt gesteld dat gestrafte dient te worden vrijgesproken van de haar verweten gedraging, aangezien de verklaringen ten aanzien van het vermeende alcoholgebruik onsamenhangend zijn en dat er enige tijd heeft gezeten tussen het moment van de gedraging en de verklaringen van de getuigen, waarbij deze zouden zijn beïnvloed door de roddels aan boord.

De militaire kamer heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter zitting in beroep.

De motivering van de beslissing

De meervoudige militaire kamer gaat op basis van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten, die niet zijn betwist:

Gestrafte was op 3 maart 2014 geplaatst aan boord van [schip]. Het schip nam op dat moment deel aan de NAVO-operatie “[naam]” en bevond zich in het operatiegebied. Tijdens deze operatie was aanwijzing CDS A-153 van kracht. Op grond van deze aanwijzing is het aan de opvarenden niet toegestaan alcoholische consumpties te gebruiken. Hiervan kan een ontheffing worden verleend tot een maximum van twee licht alcoholische consumpties per dag. Door de commandant van [schip] is ter gelegenheid van een barbecue in de namiddag, tussen 16.00 en 18.00 uur, op het helikopterdek van het schip toestemming gegeven om twee licht alcoholische consumpties te gebruiken, de zogenaamde “two-can rule”.

Ten aanzien van mogelijke verzuimen in de procedure overweegt de militaire kamer dat ten aanzien hiervan geen verweren zijn gevoerd en de militaire kamer ook ambtshalve geen schendingen heeft geconstateerd. De militaire kamer zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de verklaringen met betrekking tot de verweten gedraging.

Ten aanzien van het deel van de beschuldiging dat ziet op de gedraging van artikel 15 WMT, te weten het niet opvolgen van een dienstbevel overweegt de militaire kamer als volgt.

Een dienstbevel bevat een ge- of verbod dat enig dienstbelang moet betreffen. Uit de bijlage bij het straffenformulier leidt de militaire kamer af dat de commandant van [schip] op 3 maart 2014 toestemming heeft gegeven om maximaal 2 licht alcoholische consumpties te gebruiken tussen 16.00 en 18.00 uur en daarmee heeft verboden meer dan twee licht alcoholische consumpties te nuttigen. Gestrafte heeft verklaard dat zij tijdens de barbecue, in de periode van 16.00-18.00 uur twee blikjes bier heeft gedronken en de “two-can rule” niet heeft overtreden.

De militaire kamer stelt vast dat uit de in het dossier opgenomen getuigenverklaringen blijkt dat geen van de getuigen heeft waargenomen dat gestrafte in het tijdstip gelegen tussen 16.00 en 18.00 uur op 3 maart 2014 meer dan twee (licht) alcoholische consumpties heeft genuttigd. Ook ander bewijs dat gestrafte het desbetreffende dienstbevel van de commandant heeft overtreden ontbreekt.

Voor wat het deel van de beschuldiging dat ziet op het overtreden van een dienstvoorschrift, artikel 18 WMT, merkt de militaire kamer het volgende op.

Een dienstvoorschrift betreft, kort weergegeven, een door het bevoegde gezag vastgesteld schriftelijk besluit van algemene strekking dat enig dienstbelang betreft en dat een tot de militair gericht ge- of verbod bevat.

De Directeur Operaties bij de Defensiestaf is bevoegd om dienstvoorschriften vast te stellen. Op 6 januari 2011 heeft hij de “Aanwijzing CDS nummer A-153” vastgesteld. Deze aanwijzing betreft het gebruik van alcohol en drugs tijdens de inzet van militairen bij vredes- en humanitaire operaties. Op grond van artikel 1 van deze aanwijzing is personeel dat deelneemt aan een dergelijke operatie verboden alcoholhoudende drank te nuttigen in het operatiegebied. Bij uitzonderlijke gelegenheden kan de commandant van de eenheid op grond van artikel 3 hiervan afwijken. Hij kan in een dergelijke situatie bepalen gedurende welke periode en tot welke maximale hoeveelheid per persoon alcohol mag worden genuttigd, met dien verstande dat een persoon nimmer meer dan twee licht alcoholische consumpties per dag gebruiken.

Volgens de, na beklag bevestigde, bewezen gedraging is gestrafte tussen 21.30 en 22.00 uur in kennelijke staat van dronkenschap aangetroffen.

Volgens gestrafte heeft zij op 3 maart 2014 twee blikjes bier gedronken en is die dag in het geheel niet dronken of aangeschoten geweest. Voorts heeft de gestrafte verklaard dat zij en [betrokkene 3] die avond in een luidruchtige bui waren en erg moesten lachen en dat dit gedrag door anderen wellicht is geïnterpreteerd als aangeschoten en dronken.

De militaire kamer stelt vast dat uit geen van de getuigenverklaringen blijkt dat is waargenomen dat gestrafte op 3 maart 2014 na 18:00 uur alcoholische consumpties heeft gebruikt. Zoals overwogen verklaart geen van de getuigen te hebben waargenomen dat zij tussen 16:00 en 18:00 uur meer dan twee alcoholhoudende consumpties heeft gebruikt.

Uit de overwegingen van de beklagmeerdere blijkt dat hij de bewezenverklaring met name baseert op verklaringen van getuigen omtrent het gedrag van gestrafte, te weten niet goed recht kunnen lopen/wankelen/zwalken, “dronken indruk geven”.

De militaire kamer stelt vast dat de verklaringen van de getuigen omtrent het gedrag en hetgeen gestrafte daar zelf over heeft verklaard onderling verschillen.

Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren dat zij gestrafte hebben gezien samen met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de midscheeps. Volgens deze getuigen kon gestrafte niet meer recht lopen.

De getuigen [betrokkene 3], [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben verklaard dat zij met gestrafte rond 20.00 uur in de midscheeps waren. Zoals wel vaker maakte gestrafte daar veel lawaai en was erg lacherig. In tegenstelling tot de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren zij dat gestrafte geen dronken indruk maakte.

Getuige [getuige 3] verklaard dat zij gestrafte is tegengekomen in de gang tussen 20.00 en 21.30 uur. Volgens getuige kwam gestrafte melig en instabiel over en zij concludeerde daaruit dat gestrafte “helemaal aangeschoten” was. Getuigen [getuige 4] en [getuige 5] verklaren gestrafte tussen 21.00 en 22.00 uur te hebben gezien. Volgens getuigen kon gestrafte niet meer rechtop lopen en was zij instabiel.

Gestrafte heeft hierover verklaard dat zij rond 21.30 uur van een trap is gegleden omdat deze vochtig was. Zij was samen met [betrokkene 3] en hebben daar toen hard om moeten lachten, wellicht dat anderen dat als rumoerig en onstabiel gedrag hebben aangemerkt. In het algemeen is gestrafte luidruchtig verklaart zij tijdens de zitting.

De volgende morgen op 4 maart 2014 tussen 07.30 en 09.00 uur zien getuigen [getuige 6] en [getuige 7] gestrafte een flesje overboord gooien. Gestrafte ontkent een voorwerp overboord te hebben gegooid.

De militaire kamer is van oordeel dat de verklaringen van de getuigen over het instabiele en rumoerige gedrag van gestrafte een verdenking heeft kunnen doen ontstaan van een groter alcoholgebruik dan twee consumpties. Echter er zijn ook getuigen, te weten [betrokkene 3], [betrokkene 2] en [betrokkene 1], met wie gestrafte bovendien die avond langer contact heeft gehad dan met de andere getuigen, die verklaren dat gestrafte weliswaar zoals vaker melig en rumoerig was maar geen ‘dronken indruk’ maakte. Daarnaast verklaren de getuigen [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 5], die toentertijd in hetzelfde slaapverblijf sliepen als gestrafte, in het algemeen, omtrent het gedrag van gestrafte dat zij rumoerig en lacherig was. Gelet hierop is de militaire kamer van oordeel dat de verklaring van gestrafte zelf over haar gedrag, dat zij slechts melig was en een keer is uitgegleden, zonder dat er meer dan een beperkte hoeveelheid alcohol in het spel was, niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven.

Uitsluitend het feit dat gestrafte rumoerig was en op een aantal, ter zake van het herkennen van (de mate van) alcoholgebruik niet specifiek deskundige collega’s “een dronken indruk maakte” is naar het oordeel van de militaire kamer onvoldoende om tot de overtuiging te komen dat zij in kennelijke staat van dronkenschap was of dat zij meer heeft gedronken dan toegestaan.

De getuigenverklaringen dat gestrafte de volgende dag een bierflesje overboord zou hebben gegooid leiden volgens de militaire kamer evenmin tot de overtuiging dat gestrafte had gedronken buiten de toegestane tijd of boven de toegestane hoeveelheid en daarmee het dienstbevel dan wel de aanwijzing CDS heeft overtreden.

Gelet op het vorenstaande heeft de militaire kamer op grond van de voorhanden bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat een van de in de beschuldiging omschreven gedragingen heeft plaatsgevonden. De uitspraak op beklag zal derhalve worden vernietigd en gestrafte zal worden vrijgesproken van de haar verweten gedragingen.

BESLISSING:

De militaire kamer, rechtdoende in beroep:

Vernietigt de bestreden uitspraak en spreekt gestrafte vrij van de haar verweten gedragingen.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. H.G. Eskes, rechter en kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen militair lid, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2014.