Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4056

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_2800
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1613, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving betreffende het KOMO-productcertificaat. Daarop is van toepassing de Nationale Beoordelingsrichtlijn (hierna: de Beoordelingsrichtlijn) voor het KOMO-productcertificaat voor hulpstoffen voor beton, mortels of injectiemortel. De Beoordelingsrichtlijn is niet vastgesteld door overheidsorganen of particuliere instellingen die in dit geval als overheidsbedrijf of op grond van een monopoliepositie of overheidsmandaat als overheidsorgaan optreden. Bovendien is geen sprake van opgelegde regels of voorwaarden die het gebruik van bouwproducten met een CE-markering belemmeren. Er is geen overtreding van artikel 8, vierde en vijfde lid, van de Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/2800

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

en

de minister voor Wonen en Rijksdienst te 's-Gravenhage, verweerder.

Procesverloop

Op 26 september 2012 heeft eiseres, voor zover hier van belang, de VROM-inspectie het volgende verzocht :

“…In de Nationale Beoordelingsrichtlijn kunt u lezen dat er in Nederland nog steeds in strijd wordt gehandeld met de Europese richtlijn en dat terwijl lidstaten geen aanvullende eisen mogen eisen.

Wij verzoeken u maatregelen te treffen tegen het aanvullende keurmerk en handhavend op te treden.

Ons belang bij handhavend optreden is, dat wij zonder extra kosten op een eerlijke wijze hulpstoffen voor beton, mortel of injectiemortel kunnen leveren. Er is als het ware sprake van een kartelvorming op basis van schijnkwaliteit in Nederland door KOMO …”.

Bij besluit van 12 oktober 2012 (het primaire besluit) is op dit verzoek afwijzend beslist.

Bij besluit van 3 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2014. Eiseres heeft zich daar laten vertegenwoordigen door [namen]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. P.C. Cup en mr. E. de Ruiter.

Overwegingen

1.Het door eiseres in haar verzoek om handhaving genoemde keurmerk betreft het KOMO-productcertificaat. Daarop is van toepassing de Nationale Beoordelingsrichtlijn (hierna: de Beoordelingsrichtlijn) voor het KOMO-productcertificaat voor hulpstoffen voor beton, mortels of injectiemortel, vastgesteld door het College van Deskundigen Betonmortel en Mortels van BMC Certificatie van 30 juni 2010, en aanvaard door de Harmonisatie Commissie Bouw van de Stichting Bouwkwaliteit op 1 september 2010.

2.In artikel 1.1. van de Beoordelingsrichtlijn wordt onder meer aangegeven welke aanvullende verplichtingen – aanvullend ten opzichte van de geharmoniseerde Europese normen voor hulpstoffen voor beton, mortel en injectiemortel neergelegd in de normen NEN_EN 934 deel 1-6 – er gelden om een KOMO-productcertificaat te verkrijgen.

3.Zakelijk samengevat stelt verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de eisen die in de Beoordelingsrichtlijn worden gesteld niet zien op de essentiële producteigenschappen die zijn opgenomen in geharmoniseerde Europese normen en dat het feit dat betoncentrales in de handel aan bedrijven als eiseres het voldoen aan een aanvullend keurmerk (als het KOMO-productcertificaat) verplicht stellen niet betekent dat die bedrijven handelen in strijd met artikel 1.7, tweede lid, van het Bouwbesluit.

Ook is volgens verweerder artikel 6 van de Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de voor de bouw bestemde producten ( hierna: de Richtlijn) op een juiste wijze geïmplementeerd in de Woningwet en het Bouwbesluit 2012.

4.In beroep stelt eiseres zich onder meer op het standpunt dat Nederland door het KOMO-keurmerk nog steeds in strijd handelt met de Richtlijn, en dat terwijl lidstaten geen aanvullende keurmerken mogen eisen.

5.De rechtbank overweegt als volgt.

6.Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn mogen de lidstaten het vrije verkeer, het in de handel brengen en het gebruik van producten die in overeenstemming zijn met de richtlijn, op hun grondgebied niet belemmeren en dragen de lidstaten er zorg voor dat het gebruik van deze producten en voor het doel waarvoor ze bestemd zijn, niet wordt belemmerd door regelingen of voorwaarden die worden opgelegd door overheidsorganen of particuliere instellingen die als overheidsbedrijf of op grond van een monopoliepositie als overheidsorgaan optreden.

7.De rechtbank stelt vast dat de Richtlijn vervangen is door de Verordening (EU)

nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad voor de EER (hierna: de Verordening) en dat de Verordening op 1 juli 2013, derhalve na het bestreden besluit, in werking is getreden.

8.Ingevolge artikel 8, vierde lid, van de Verordening mogen de lidstaten, op hun grondgebied of onder hun verantwoordelijkheid, het op de markt aanbieden of het gebruik van bouwproducten met de CE-markering niet verbieden of belemmeren wanneer de aangegeven prestaties overeenstemmen met de voorschriften voor dat gebruik in die lidstaat.

9.Ingevolge artikel 8, vijfde lid, van de Verordening zorgen de lidstaten ervoor dat het gebruik van bouwproducten met de CE-markering niet wordt belemmerd door regels of voorwaarden die zijn opgelegd door overheidsorganen of particuliere instellingen die als overheidsbedrijf of op grond van een monopoliepositie of overheidsmandaat als overheidsorgaan optreden, wanneer de aangegeven prestaties overeenstemmen met de voorschriften voor dat gebruik in die lidstaat.

10.Nu de Richtlijn inmiddels is ingetrokken, heeft de rechtbank het verzoek om handhaving van artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn van eiseres aangemerkt als een verzoek om handhaving van artikel 8, vierde en vijfde lid, van de Verordening.

11.Naar het oordeel van de rechtbank is er geen overtreding van artikel 8, vierde en vijfde lid, van de Verordening. De rechtbank overweegt dat de Beoordelingsrichtlijn niet is vastgesteld door overheidsorganen of particuliere instellingen die in dit geval als overheidsbedrijf of op grond van een monopoliepositie of overheidsmandaat als overheidsorgaan optreden, mede omdat het KOMO-productcertificaat geen aan het Bouwbesluit gerelateerde eisen bevat – zie punt 4 van de Beoordelingsrichtlijn – en daarom ook niet kan worden aangemerkt als een kwaliteitsverklaring in de zin van artikel 1 onder i van de Woningwet. Ter zitting is voorts gebleken dat tussen partijen niet in geschil is - wat de rechtbank, gelet op de inhoud van artikel 1.1. van de Beoordelingsrichtlijn ook onderschrijft - dat het KOMO-keurmerk juridisch gezien niet is vereist of verplicht wordt gesteld, zodat bovendien geen sprake is van opgelegde regels of voorwaarden die het gebruik van bouwproducten met een CE-markering belemmeren.

12.Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. J.J. Catsburg en mr. D.S.M. Bak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.