Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3993

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_6751
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangsom; beroep tegen niet tijdig besluit. Artikel 6:20 Awb. Bezwaar tegen voorlopige aanslag niet-ontvankelijk; verweerder had het bezwaar dienen te beschouwen als verzoek om herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1564
V-N Vandaag 2014/1382
mr. R. Marchal annotatie in NTFR 2014/1972

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 13/6751

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 juli 2014

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een voorlopige aanslag (aanslagnummer [000].H.20.03) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.092.

Eiser heeft daartegen bij brief van 13 augustus 2013 bezwaar gemaakt.

Eiser heeft bij brief van 29 oktober 2013, ontvangen door de rechtbank op 30 oktober 2013, beroep ingesteld wegens het overschrijden van de beslistermijn door verweerder en een beroep gedaan op de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (hierna: Wet dwangsom).

Bij brief van 6 november 2013, door verweerder ontvangen op 8 november 2013, heeft eiser verweerder bericht dat hij een beroep wil doen op de Wet dwangsom wegens het overschrijden van de beslistermijn.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 november 2013 het bezwaar van eiser tegen de voorlopige aanslag afgewezen.

Eiser heeft daartegen bij brief van 21 november 2013, ontvangen door de rechtbank op 22 november 2013, beroep ingesteld. Dat beroep is met een afzonderlijk zaaknummer (13/7389) ingeschreven.

Bij besluit van 15 november 2013 heeft verweerder het beroep op de toekenning van een dwangsom afgewezen.

Bij brief van 24 november 2013 heeft eiser laten weten dat hij het beroep met zaaknummer 13/7389 wenst in te trekken.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014. Partijen zijn - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

1.

Op 23 maart 2013 heeft eiser zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 ingediend. Daarbij heeft hij onder meer een bedrag van € 8.400 als aftrekpost opgegeven wegens onderhoudsverplichtingen, bestaande uit periodieke betalingen aan zijn ex-echtgenote [Y] (hierna: [Y]).

2.

Op 4 juni 2013 heeft eiser een herziene aangifte ingediend, waarbij opnieuw de aftrekpost wegens onderhoudsverplichtingen van € 8.400 is opgenomen.

3.

Bij brief van 22 juli 2013 heeft verweerder eiser - onder meer, voor zover thans van belang - meegedeeld dat de aftrek alimentatie van € 8.400 bij de voorlopige aanslag zal komen te vervallen. In de voorlopige aanslag, die gedagtekend is 16 augustus 2013, is deze aftrekpost niet meegenomen.

4.

In de brief van 24 november 2013, waarin eiser heeft laten weten dat hij het beroep met zaaknummer 13/7389 wenst in te trekken, heeft hij het volgende geschreven:

“Er is al een zaak in de bovengenoemde zaak bij u bekend onder het zaaknummer ARN 13/6751 IB/PVV omdat ik in deze zaak een beroep had gedaan op de Wet Dwangsom waardoor de zaak omtrent de Wet Dwangsom is voortgezet in een beroepszaak die hetzelfde is als zaaknummer ARN 13/7389 IB/PVV (zie copie brief rechtbank).

Daarom zou ik u willen vragen om zaaknummer ARN 13/7389 IB/PVV in te trekken.”

Geschil

5.

In geschil is of verweerder een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.

Beoordeling van het geschil

Verschuldigdheid dwangsom

6.

Ingevolge artikel 4:13 van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit gelet op artikel 4:14, eerste lid, van de Awb aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

7.

Artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb luidt, voor zover van belang, als volgt:

1.

Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. (…)

3.

De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

8.

Voor zover het gaat om een uitspraak op bezwaar, zijn deze bepalingen - die deel uitmaken van paragraaf 4.1.3.2. - op grond van artikel 7:14 van de Awb eveneens van toepassing.

9.

De rechtbank laat in het midden of verweerder te laat heeft beslist op het bezwaar. Een dwangsom wordt immers pas verschuldigd als voldaan is aan alle voorwaarden van artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb. Zoals in het procesverloop is overwogen, heeft eiser op 6 november 2013 een brief aan verweerder verstuurd waarin een beroep op de Wet dwangsom is gedaan. Verweerder heeft die brief op 8 november 2013 ontvangen. Deze brief kan als ingebrekestelling worden beschouwd. Dit betekent dat verweerder niet eerder dan vanaf 23 november 2013 een dwangsom werd verschuldigd. Nu verweerder op 15 november 2013 heeft beslist, is hij reeds om die reden geen dwangsom verschuldigd geworden.

10.

Gelet daarop het voorgaande wordt het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.

Inhoudelijke beoordeling

11.

De brief van 29 oktober 2013 van eiser is door de rechtbank oorspronkelijk (mede) beschouwd als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Eiser heeft uitdrukkelijk gewezen op het feit dat verweerder op dat moment al vijf weken te laat was. Alleen in dat licht is ook de brief van 24 november 2013 te begrijpen, waarin eiser schrijft dat de zaak omtrent de Wet dwangsom is voortgezet in een beroepszaak. Klaarblijkelijk doelt eiser hierbij op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, dat bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Die laatste situatie doet zich hier niet voor. Het beroep is derhalve tevens gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 15 november 2013. Met het oog op hetgeen hierna wordt overwogen, voegt de rechtbank hieraan toe dat artikel 6:20 van de Awb ook van toepassing is op het niet tijdig nemen van een primair besluit. Dit vloeit voort uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.

12.

Het voorgaande brengt mee dat thans de vraag voorligt of verweerder terecht de aftrek in verband met periodieke betalingen aan [Y] niet heeft toegelaten bij het vaststellen van de voorlopige aanslag.

13.

Verweerder heeft de brief van eiser van 13 augustus 2013 als bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag beschouwd. Artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) bepaalt, voor zover hier van belang, dat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld indien het betreft een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Gelet op artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, van de Awr, wordt onder belastingaanslag mede een voorlopige aanslag verstaan.

14.

Artikel 9.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepaalt voor de inkomstenbelasting echter dat in afwijking van de Awb en artikel 26 van de Awr een voorlopige aanslag niet voor bezwaar vatbaar is. Gelet hierop had verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, is het beroep in zoverre gegrond.

15.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder het bezwaarschrift - gelet op de inhoud daarvan en de onmogelijkheid bezwaar te maken - tevens dienen op te vatten als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag. Ingevolge het bepaalde in artikel 9.5, tweede lid van de Wet IB 2001 wordt op een dergelijk verzoek beslist bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Verweerder heeft ten onrechte niet op dit verzoek beslist. Ook in zoverre is het beroep derhalve gegrond. De rechtbank zal verweerder opdragen alsnog op het verzoek om herziening (het alsnog toekennen van de aftrek van € 8.400 in verband met de periodieke betalingen aan [Y]) te beslissen.

16.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gebleken van kosten aan de zijde van eiser die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    draagt verweerder op alsnog te beslissen op het verzoek om herziening;

  • -

    wijst het verzoek om een dwangsom af;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 44 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Sadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.