Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3979

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_5625
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende genoot een WW-uitkering. Het UWV heeft die uitkering herzien en teruggevorderd nadat bekend werd dat belanghebbende als taxichauffeur in dienstbetrekking werkzaamheden verrichtte. Afgezien van één week is niet aannemelijk geworden dat 5 uur of meer arbeidsurenverlies resteerde. De als extra uren aangeduide uren zijn geen overuren die bij de berekening van het urenverlies buiten beschouwing moeten blijven. Wetgeving van voor 1 januari 2013 van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/5625

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres]

(gemachtigde: mr. M.M.K. van Dooren),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 27 augustus 2012 tot en met 18 november 2012 herzien en van eiseres als over deze periode ten onrechte ontvangen WW-uitkering € 2.036,40 bruto teruggevorderd.

Bij besluit van 12 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A. van Klaveren-Drost.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Aan eiseres is met ingang van 15 juni 2012 een WW-uitkering toegekend gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek van 18,46 en een dagloon van per 15 juni 2012 € 52,02 en vanaf 1 juli 2012 € 52,36. Bij het primaire besluit heeft verweerder het recht op uitkering over de periode van 27 augustus 2012 (begin week 35) tot en met 18 november 2012 (week 46) herzien op de grond dat eiseres niet tijdig heeft doorgegeven dat zij sedert 20 augustus 2012 werkzaam is bij [werkgever] Het over deze periode ontvangen bedrag aan WW-uitkering van € 2.036,40 ( drie maal € 678,80) heeft verweerder van eiseres teruggevorderd.

1.2

Tot de stukken behoort een door eiseres ingevulde specificatie van gewerkte uren, ondertekend op 30 december 2012. Volgens die specificatie heeft eiseres in de betrokken periode met uitzondering van week 35 (beginnend op maandag 27 augustus 2012) steeds 15 uur gewerkt verdeeld over vijf dagen per week. In week 35 heeft eiseres volgens dit overzicht 4 en een half uur gewerkt verdeeld over 2 en een halve dag.

1.3

Tot de stukken behoren ook rittenstaten die per week zijn opgemaakt over de periode 3 september 2012 tot en met 2 december 2012. Volgens de rittenstaten heeft eiseres de volgende aantallen uren gewerkt:

- in week 36 24 uur en 50 minuten;

- in week 37 19 uur;

- in week 38 25 uur;

- in week 39 22 en 15 minuten;

- in week 40 22 uur en 55 minuten;

- in week 41 22 uur;

- in week 42 19 uur en 5 minuten;

- in week 43 14 uur en 10 minuten;

- in week 44 17 uur en 35 minuten;

- in week 45 16 uur en 30 minuten;

De rittenstaten van de weken 35 en 46 zijn niet overgelegd.

1.4

Volgens een emailbericht van de werkgever van eiseres aan verweerder van 8 juli 2013 heeft eiseres in week 46 17 uur en 41 minuten gewerkt.

1.5

Ook behoren tot de stukken salarisoverzichten over de periode september, oktober en november. Volgens het salarisoverzicht voor de maand september heeft eiseres voor die periode € 397,19 bruto ontvangen aan basissalaris en € 59,76 bruto voor 4,89 extra gewerkte uren. Volgens het salarisoverzicht voor de maand oktober heeft eiseres naast haar basissalaris van € 397,19 bruto 3,6 uur extra gewerkt en heeft zij daarvoor € 43,99 bruto ontvangen. Voorts is aan eiseres in die maand € 397,15 bruto uitbetaald voor 32,5 uur onder vermelding van ‘correctie norm 2012-2013’. Volgens de salarisstrook voor de maand november heeft eiseres in die maand € 468,10 bruto aan periodesalaris ontvangen, is aan haar in die maand € 1.793,77 bruto voor extra gewerkte uren uitbetaald en is daarop € 1.191, 45 bruto in mindering gebracht onder vermelding van ‘correctie norm 2012-2013’. In de maanden oktober en november zijn aan eiseres ook betalingen gedaan ten titel van vakantiegeld.

1.6

Tot de stukken behoort verder een brief van [werkgever], de werkgever van eiseres, met dagtekening 7 november 2012. Daarin is onder andere het volgende opgenomen:

“Bijgaand ontvangt u het normeringsformulier voor het schooljaar 2012-2013.

Op het eerste formulier staan de uren en het salaris wat u maandelijks krijgt uitbetaald voor uw vaste schoolroute. Op het tweede formulier ziet u het aantal uren dat wij hiervoor als basis hebben genomen.

Indien u nog meerdere routes rijdt dan treft u ook lijsten aan voor deze routes. (…) Deze uren krijgt u (…) maandelijks achteraf uitbetaald aan de hand van de gereden ritten.

De urennormering is gebaseerd op een reële instelling van de gemiddelde reistijd (routeplanner). Deze zal in de meeste gevallen afwijken van uw dienststaten.

Hiervoor zijn de volgende redenen te geven:

Tijd voor het afrekenen, tanken en wassen wordt niet in de normering meegenomen maar krijgt u als extra uren uitbetaald. Dit is gebaseerd op 50 minuten bij een volledige werkweek,

Tijd voor cursussen en overige incidentele zaken worden ook niet meegenomen in de normering, maar als extra tijd uitbetaald.

Wachttijden vanwege te vroeg arriveren bij de school of instellingen worden niet uitbetaald.”.

2.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres in de periode van 27 augustus 2012 tot en met 18 november 2012 ten minste 14 uren per week gewerkt heeft en dat dus geen sprake is van een verlies van ten minste vijf arbeidsuren per kalenderweek. Daarbij heeft verweerder de WW-uitkering bruto teruggevorderd op de grond dat terugbetaling niet plaatsvindt in hetzelfde lopende boekjaar als waarin de onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden.

3.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Volgens eiseres werkte zij voor [werkgever] aanvankelijk 32,5 uur per maand en vanaf november 38,3 uur en zijn de overige uren extra uren. Volgens eiseres heeft zij over een periode van 15 weken gemiddeld 10 uur per week gewerkt en had zij dus wel een urenverlies van minstens 5 uur per week. Volgens eiseres heeft verweerder de laatste drie weken van november ten onrechte niet meegenomen. Eiseres stelt ook dat in november de door haar in de voorafgaande maanden gemaakte extra uren zijn uitbetaald onder verrekening van de eerder uitbetaalde extra uren. Verder stelt eiseres dat een deel van haar loon niet is uitbetaald maar gereserveerd voor vakanties. Eiseres stelt voorts dat niet bruto maar netto had moeten worden teruggevorderd, omdat verweerder al in 2012 bekend was met de werkzaamheden waarmee de terugvordering verband houdt.

4.1

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW (tekst tot 1 januari 2013) is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.

4.2

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder b, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer niet langer werkloos is.

4.3

Ingevolge artikel 20, derde lid, onder a, van de WW eindigt op grond van het eerste lid, onderdeel b, het recht op uitkering geheel indien de werknemer al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als werknemer verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16.

5.

Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres over de periode in geding werkloos is, meer in het bijzonder op de vraag of in de periode in geding een verlies aan arbeidsuren resteert van meer dan vijf van de arbeidsuren van eiseres, zoals eiseres bepleit en verweerder betwist. Niet in geschil is dat eiseres sinds 20 augustus 2012 voor [werkgever] als taxichauffeur werkzaam is. Ook niet in geschil is dat sindsdien niet meer voldaan is aan de eis dat eiseres tenminste de helft van haar arbeidsuren heeft verloren.

6.

Met ingang van 1 januari 2013 is artikel 16 WW gewijzigd. In samenhang daarmee is in artikel 1a van de WW een definitie opgenomen van het begrip arbeidsuren. Dat begrip heeft daarmee een andere invulling gekregen. Om die reden is het in de onderhavige zaak van belang om te beoordelen of het oude dan wel het nieuwe artikel 16 van de WW moet worden toegepast. De periode in geding betreft 27 augustus 2012 tot en met 18 november 2012, echter de besluitvorming dateert van na 1 januari 2013.

7.

Bij de nieuwe regeling is geen overgangsrecht opgenomen. Dat betekent dat de wet per 1 januari 2013 onmiddellijke werking heeft. De rechtbank verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, onder meer de uitspraak van 18 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5454. Uit deze jurisprudentie volgt dat onmiddellijke werking betekent dat een wet vanaf het inwerkingstredingsmoment (in dit geval 1 januari 2013) rechtsgevolgen verbindt aan de op het inwerkingstredingsmoment bestaande toestand alsmede aan feiten die zich op of na het inwerkingstredingsmoment voordoen. Aan feiten die zich vóór aanvang van de werking, dat is bij onmiddellijke werking het inwerkingstredingsmoment, hebben voorgedaan, heeft de oude regel reeds materiële rechtsgevolgen verbonden.

8.

Nu de periode in geding in de onderhavige zaak ligt vóór het inwerkingstredingsmoment, dient artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW, zoals geldend vóór 1 januari 2013, te worden toegepast.

9.

Uit artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW (oud), zoals weergegeven in overweging 4.1, volgt dat het recht op een WW-uitkering per kalenderweek wordt vastgesteld.

10.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de in artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW (oud) vastgelegde systematiek van berekening van het arbeidsurenverlies. Voor de vaststelling van het arbeidsurenverlies onder artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW (oud) zijn de gewerkte uren relevant. Terecht heeft verweerder zich in dit kader dan ook gebaseerd op het overzicht afkomstig van eiseres van de in de kalenderweken, die deel uitmaken van de periode in geding, gewerkte uren, de door eiseres overgelegde urenstaten over de periode in geding en de informatie die verweerder op 8 juli 2013 van de werkgever van eiseres heeft ontvangen. Eiseres heeft volgens haar eigen opgave vanaf week 36 15 uur per kalenderweek gewerkt. Uit de rittenstaten en de informatie van de werkgever van eiseres van 8 juli 2013 komt naar voren dat het per kalenderweek gewerkte aantal uren tenminste 14 uur bedroeg. Bij dat aantal uren resteert geen arbeidsurenverlies. Voor de berekening van eiseres van het verlies aan arbeidsuren die er uit bestaat dat de gewerkte uren over de betrokken weken worden gemiddeld en vervolgens worden herleid tot het aantal gewerkte arbeidsuren per week, biedt de WW geen grondslag. De grief dat verweerder daarbij zou zijn uitgegaan van een te korte periode, behoeft daarom geen bespreking meer.

11.

Eiseres stelt dat de door haar extra gewerkte uren ten onrechte zijn meegenomen. Vaste jurisprudentie is dat overuren niet meetellen bij de bepaling van de arbeidsuren als bedoeld in artikel 16, eerste lid, WW (CRvB 2 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:BP3513, RSV 2011/118). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van zulke overuren. In dit verband acht de rechtbank van belang hetgeen daarover is opgemerkt in de brief van de werkgever van eiseres van 7 november 2012, als vermeld onder 1.6. Daaruit komt naar voren dat de zogenoemde extra uren, reguliere werkzaamheden betreffen die direct samenhangen met de hoofdtaak, althans daardoor worden opgeroepen en dus geen overuren zijn in de hiervoor bedoelde zin. In het midden kan blijven of een deel van de uren werd gereserveerd met het oog op toekomstige vakanties. Onder de wetgeving zoals die gold tot 1 januari 2013 is dat niet van belang.

12.

Hoewel verweerder bij de berekening van het verlies aan arbeidsuren het juiste uitgangspunt heeft gehanteerd, stelt de rechtbank vast dat uitgaande van het gemiddeld aantal arbeidsuren van 18,46 per week in de dienstbetrekking van waaruit eiseres werkloos is geworden en een gewerkt aantal uren in week 35 van 2012 (de week van 27 augustus 2012) van 4,30 uur in week 35 sprake is van een verlies van meer dan vijf arbeidsuren. Verweerder heeft dit punt ter zitting ook naar voren gebracht en erkend. De herziening van de WW-uitkering kan daarom voor wat betreft week 35 niet in stand blijven. De rechtbank zal het beroep op dit punt gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door met herroeping van het primaire besluit, te bepalen dat eiseres over week 35 van 2012 als gedeeltelijk werkloos dient te worden aangemerkt en dat zij met in achtneming van onder meer artikel 20, derde lid, van de WW gedeeltelijk recht heeft op een WW-uitkering over week 35 van het jaar 2012.

13.

Uitgaande van het gemiddeld aantal arbeidsuren van 18,46 per week is in alle kalenderweken -met uitzondering van week 35 zoals hiervoor onder 12. overwogen - geen sprake van een verlies van ten minste vijf arbeidsuren of ten minste de helft van de arbeidsuren. Van werkloosheid in de zin van artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW is niet (langer) sprake, zodat er gelet op het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onder b, en derde lid, onder a, van de WW geen recht op WW-uitkering bestaat over de periode in geding, uitgezonderd week 35 van 2012.

14.

Verweerder heeft eiseres verweten dat zij niet tijdig heeft doorgegeven dat zij vanaf 20 augustus 2012 werkzaam is bij [werkgever]. Dit is door eiseres niet betwist. Dat betekent dat sprake is van een schending van de op eiseres ex artikel 25 van de WW rustende informatieverplichting.

15.

Het overwogene in rechtsoverweging 13 brengt met zich dat verweerder op grond van artikel 22a van de WW over de weken die deel uitmaken van de periode in geding, met uitzondering van week 35, terecht tot herziening van het recht op WW-uitkering is overgegaan op de wijze als neergelegd in het bestreden besluit. Van dringende redenen om hiervan af te zien is niet gebleken.

16.

Het vorenstaande brengt tevens met zich dat verweerder verplicht is het over de periode in geding door eiseres ten onrechte ontvangen bedrag aan WW-uitkering terug te vorderen. De gegrondverklaring van het beroep voor zover betrekking hebbend op week 35 en de vernietiging van het bestreden besluit dienaangaande brengt echter met zich dat ook het beroep gericht tegen de terugvordering gegrond dient te worden verklaard. Het bestreden besluit wordt tevens op dat punt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om ook ten aanzien van de terugvordering met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, onder herroeping van het primaire besluit op dit punt. Het bedrag dat de terugvordering behelst dient te worden verminderd met het gedeeltelijke recht van eiseres op WW-uitkering in week 35 van 2012.

17.

Eiseres heeft ten slotte betoogd dat ten onrechte tot brutering van het totale terugvorderingsbedrag is overgegaan. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling van eiseres niet kan worden gevolgd. Brutering van de vordering heeft plaatsgevonden omdat terugbetaling zonder meer niet zou plaatsvinden in het jaar waarin de onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden. Deze omstandigheid acht de rechtbank gelegen in de risicosfeer van eiseres, nu zij op generlei wijze aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de stukken komt naar voren dat eiseres verweerder bij brief van 16 november 2011, door verweerder ontvangen op 21 november 2012 op de hoogte heeft gesteld van haar dienstbetrekking bij [werkgever] Daarmee beschikte verweerder echter nog niet over de gegevens die nodig waren om te kunnen beoordelen of en in hoeverre eiseres nog werkloos was in de zin van de WW. Dat verweerder daarover op een zodanig tijdstip beschikte dat terugvordering redelijkerwijs nog in 2012 mogelijk was, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt.

18.

Het beroep is gelet op het overwogene in rechtsoverweging 12 en 16 gegrond.

19.

De rechtbank ziet reden verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 974 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 487 per punt). Voorts heeft eiseres twee maal € 12,43, in totaal zijnde € 24,86 aan verletkosten geclaimd in verband met verlies aan inkomsten wegens het niet kunnen werken tijdens de zitting bij de rechtbank. Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bedraagt het voor vergoeding in aanmerking komende uurtarief maximaal € 78. Ter zitting heeft verweerder zich akkoord verklaard met het door eiseres ingediende bedrag aan verletkosten. De rechtbank zal daarom het bedrag van € 24,86 toewijzen. Met inachtneming van het Bpb worden de proceskosten vastgesteld op € 998,86. Verweerder dient tevens het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten, voor zover verweerder daarbij eiseres in week 35 van 2012 als niet-werkloos heeft aangemerkt en de aan eiseres over deze week uitgekeerde WW-uitkering heeft herzien en in zijn geheel heeft teruggevorderd;

- herroept de primaire besluiten van 22 maart 2013 in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 998,86;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde bedrag aan griffierecht van € 44 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. B. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.