Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3926

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
26-06-2014
Zaaknummer
C/05/263360 / JE RK 14-730
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek MUHP in (netwerk)pleeggezin. Raad vraagt om plaatsing in netwerkpleeggezin, BJZ wil plaatsing in neutraal pleeggezin. Kan plaatsing in netwerkpleeggezin op basis van het afgegeven indicatiebesluit?

Samenvatting

Baby van 10 maanden is onder toezicht gesteld en met spoed uit huis geplaatst. Heeft de eerste 7 maanden met haar moeder bij haar grootouders gewoond.

Raad dient verzoek voor een MUHP voor verblijf bij netwerkpleeggezin (grootouders). Grootouders zijn na netwerkonderzoek geschikt bevonden om de baby op te voeden en te verzorgen. BJZ wil MUHP voor verblijf in een (neutraal) pleeggezin omdat BJZ twijfels heeft over de grootouders.

De kinderrechter is van oordeel dat het belang van de baby is gediend bij plaatsing bij de grootouders.

Ten aanzien van het IB: uit artikel 1:261, tweede lid, BW volgt dat het verzoek MUHP is gericht op de effectuering van het overgelegde indicatiebesluit. Blijkens artikel 19, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg kan de stichting slechts aangeven of het gaat om verblijf bij een pleegouder of verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder. Op grond hiervan gaat de kinderrechter er vanuit dat verblijf in een specifiek netwerkpleeggezin (ook) valt onder “verblijf bij een pleegouder”. Het IB verzet zich dan ook niet tegen verlenging van een machtiging strekkende tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/263360 / JE RK 14-730

Datum uitspraak: 2 mei 2014

beschikking van de kinderrechter

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Arnhem,

hierna te noemen de Raad,

betreffende

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats],

hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

Mw. [moeder] (de moeder),

wonende te[woonplaats], gemeente[gemeente],

[adres].

Het procesverloop

Gezien de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 29 april 2014, ingekomen ter griffie op 30 april 2014.

Op 2 mei 2014 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord daarbij zijn:

- Mw. [moeder], bijgestaan door mr. C.H.J. Willemsen, advocaat te Arnhem,

- een vertegenwoordigster van de Raad,

- een tweetal vertegenwoordigsters van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland.

Met bijzondere toestemming van de rechtbank is mevrouw [grootmoeder mz], de grootmoeder mz, als toehoorder bij de zitting aanwezig geweest.

De feiten

Bij beschikking van 4 februari 2014, welke mondeling is gegeven op 3 februari 2014, is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 mei 2014. Bij voormelde beschikking is tevens machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van 4 weken. De beslissing is voor het overige aanhouden.

Bij beschikking van de kinderrechter van 14 februari 2014 is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 3 mei 2014.

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder.

Het verzoek

De Raad heeft een verzoekschrift ingediend, daartoe strekkende dat de definitieve ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige wordt uitgesproken.

Tevens heeft de Raad verzocht machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin “zoals vermeld in bijgevoegde indicatiebesluit” voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De Raad heeft – kort en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat Lindenhout positief heeft geadviseerd ten aanzien van plaatsing van de minderjarige bij de grootouders moederszijde (hierna te noemen: de grootouders). De Raad is op basis van het onderzoek van de Raad en het onderzoek van Lindenhout van mening dat de minderjarige bij de grootouders kan en moet worden geplaatst. Er zijn door Lindenhout zes voorwaarden gesteld voor plaatsing van de minderjarige bij de grootouders. De grootouders zijn akkoord met deze voorwaarden en hebben deze ondertekend. De grootouders hebben hard gewerkt aan de verbetering van de veiligheid in en rondom de woning. De hygiëne is goed en zal worden geëvalueerd. De Raad heeft een goede samenwerking met de grootouders ervaren. De grootouders hebben meegewerkt aan het netwerkonderzoek. Over drie maanden zal een evaluatie plaatsvinden. Wanneer de mogelijkheid bestaat een kind terug te plaatsen in het netwerk, dan geeft de Raad hieraan altijd de voorkeur boven plaatsing in een neutraal pleeggezin, ook als de opvoeding en de verzorging die een kind zou krijgen in dat neutrale pleeggezin wellicht iets beter zou zijn. De Raad begrijpt niet waarom de stichting bezwaren heeft tegen plaatsing van de minderjarige bij haar grootouders en wat de stichting nog onderzocht wenst te hebben. De Raad verzoekt specifiek machtiging te verlenen tot plaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin.

Het standpunt van de moeder

Door en namens de moeder is – kort en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat de moeder en de grootouders overal aan mee willen werken. Het is van belang dat de minderjarige zich hecht aan haar familie. De moeder ziet de minderjarige thans slechts eenmaal per week gedurende drie kwartier. Zij heeft begrepen dat stapsgewijs wordt gewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder. De moeder heeft het gevoel door de stichting aan het lijntje te worden gehouden. De moeder voldoet aan de voorwaarden. Ze heeft een training gevolgd en er zijn geen zorgen meer over eventuele borderline problematiek. De moeder ontvangt ambulante ondersteuning vanuit Siza. De partner van de moeder heeft contact gehad met de GGZ. GGZ heeft aangegeven dat sporten kan helpen om agressie kwijt te raken. De partner van de moeder wil kijken of dit werkt, alvorens een ander traject wordt gevolgd.

De moeder kan instemmen met een uithuisplaatsing mits de minderjarige bij de grootouders wordt geplaatst. Dat is voor de moeder belangrijk. De grootouders hebben voldaan aan de gestelde voorwaarden en daarom begrijpt de moeder niet waarom de stichting daar niet aan wil meewerken.

Het standpunt van de stichting

De stichting heeft – kort en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat de minderjarige nog niet kan worden teruggeplaatst bij de moeder. Anders dan de Raad, is de stichting van mening dat de minderjarige (nu nog) niet bij de grootouders kan worden geplaatst. Lindenhout heeft weliswaar positief geadviseerd ten aanzien van een plaatsing van de minderjarige bij de grootouders, maar het gaat hier slechts om een advies. De stichting houdt zich het recht voor om een ander besluit te nemen. In de komende periode dient gekeken te worden naar de door Lindenhout gestelde voorwaarden voor plaatsing van de minderjarige bij de grootouders. Weliswaar hebben de grootouders de door Lindenhout gestelde voorwaarden ondertekend maar er zijn bij de stichting zorgen over de mate waarin de gemaakte afspraken door de grootouders zullen worden nagekomen. Daartoe wordt aangevoerd dat de ervaring van de stichting, met name van de gezinsvoogd van de broer van de minderjarige, is dat er met grootouders afspraken worden gemaakt die zij vervolgens niet nakomen. Zo blijft de hygiëne bij de grootouders een aandachtspunt. Verder is aan één van de voorwaarden, dat grootouders een contract ondertekenen met betrekking tot de besteding van de pleegzorggelden, nog niet voldaan. Volgende week vindt pas het contact met de bewindvoerder plaats. Er is sprake van een forse weerstand bij de grootouders ten aanzien van de samenwerking met de stichting. Dit maakt het voor de stichting lastig met de grootouders samen te werken. De grootvader is zeer bepalend. Er zijn bij de stichting zorgen over het feit dat de zoon van de grootouders bij de grootouders in de woning verblijft. De minderjarige zal hierdoor meerdere opvoeders krijgen. De stichting vindt dit geen goede zaak. Wanneer de minderjarige bij de moeder zou worden teruggeplaatst, moet eerst gezien worden dat de moeder in staat is op eigen kracht de minderjarige op te voeden. Op dit moment is de grootvader nog erg bepalend ten aanzien van de moeder, dat blijft zo als de minderjarige bij de grootouders wordt geplaatst.

De stichting wil de tijd krijgen om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen ten aanzien van de plaats waar de minderjarige moet verblijven. De stichting is, anders dan de Raad, van mening dat de minderjarige thans niet bij de grootouders dient te worden geplaatst en de stichting verzet zich dan ook tegen de verlening van een machtiging strekkende tot uithuisplaatsing bij het netwerkpleeggezin. De stichting heeft dan ook bewust een indicatiebesluit afgegeven voor plaatsing in een pleeggezin, niet bij een netwerkpleeggezin.

De beoordeling

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de kinderrechter komen vast te staan dat de minderjarige zodanig opgroeit dat de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid ernstig worden bedreigd en dat de andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien zullen falen (artikel 1:254 lid 1 Burgerlijk Wetboek).

Tevens is de kinderrechter van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel 1:261 lid 1 Burgerlijk Wetboek, de uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Dit is op zichzelf ook niet in geschil. In geschil is of de gevraagde machtiging – conform het verzoek – specifiek moet worden verleend voor plaatsing in een netwerkpleeggezin.

De kinderrechter overweegt daaromtrent als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat de minderjarige tot december 2013 met haar moeder bij haar grootouders heeft gewoond.

Uit de beschikking van de kinderrechter van 14 februari 2014 blijkt dat het van meet af aan de bedoeling was dat de minderjarige bij haar grootouders zou worden geplaatst maar dat de mogelijkheid daartoe nog wel onderzocht diende te worden door de Raad en Lindenhout. Uitdrukkelijk staat in de beschikking vermeld: “Indien ook Lindenhout instemt zal [minderjarige] bij grootouders (mz) geplaatst worden.”

De kinderrechter stelt vast dat, blijkens het indicatiebesluit van 29 april 2014, de stichting aan Lindenhout heeft verzocht om een netwerkonderzoek te verrichten om te beoordelen of de grootouders geschikt zijn om als pleegouders te functioneren. Verder kan worden vastgesteld dat dat Lindenhout een positief advies heeft gegeven voor netwerkplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders. Lindenhout heeft hierbij wel voorwaarden gesteld. Vaststaat dat de grootouders akkoord zijn gegaan met de voorwaarden, dat zij deze hebben ondertekend en dat zij inmiddels grotendeels aan de voorwaarden voldoen. Er dient enkel nog een contract te worden ondertekend met betrekking tot de besteding van de pleegzorggelden. In het licht van het advies van Lindenhout en in het licht van de omstandigheid dat de stichting – blijkens het indicatiebesluit – zelf ook achter het voornemen stond om de minderjarige bij de grootouders te plaatsen, wekt het bevreemding dat de stichting thans een andere mening is toegedaan, of op zijn minst bedenkingen heeft. De stichting heeft de bezwaren tegen de (onmiddellijke) plaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin onvoldoende aannemelijk kunnen maken. Onweersproken is gesteld dat Lindenhout tijdens dit onderzoek ook aspecten heeft betrokken die de stichting nu zorgen baren, zoals de aanwezigheid van een broer van de moeder in het gezin van de grootouders.

De stichting heeft nog gewezen op het feit dat de gezinsvoogd van het andere minderjarige kind van de moeder, slechte ervaringen heeft met het nakomen van afspraken door de grootouders. Daar hecht de kinderrechter op dit moment geen overwegende waarde aan gezien het feit dat de stichting – ondanks deze ervaring – zelf achter het netwerkonderzoek heeft gestaan en dat ook heeft geëntameerd. Niet is gebleken dat de moeizame samenwerking met de grootouders van zeer recente datum is.

De kinderrechter is, in navolging van de Raad, van oordeel dat, indien een minderjarige uit huis geplaatst moet worden en de mogelijkheid bestaat om de minderjarige in een netwerkpleeggezin te plaatsen en dat netwerkpleeggezin voldoende in staat is de minderjarige op te voeden en te verzorgen, een netwerkplaatsing de voorkeur geniet boven plaatsing binnen een neutraal pleeggezin. Nu zowel de Raad als Lindenhout positief adviseren ten aanzien van plaatsing van [minderjarige] bij de grootouders, nu gebleken is dat de grootouders bereid zijn te voldoen aan de gestelde voorwaarden en de stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er grondige bezwaren zijn tegen de netwerkplaatsing, is de kinderrechter van oordeel dat het belang van [minderjarige] gediend is bij plaatsing bij de grootouders. De kinderrechter overweegt daarbij dat de stichting in het kader van de ondertoezichtstelling kan toezien op de naleving van de aan de grootouders gestelde voorwaarden. De grootouders, van hun kant, dienen doordrongen te zijn van het belang van de naleving van de gestelde voorwaarden. Immers, wanneer de gestelde voorwaarden niet naar behoren worden nageleefd, zou alsnog kunnen worden overgegaan tot een plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin.

Ten aanzien van het indicatiebesluit overweegt de kinderrechter als volgt.

Bij het verzoek bevindt zich een indicatiebesluit van 29 april 2014 met een zorgaanspraak voor “verblijf pleeggezin 24 uur”. Daarin staat niet (specifiek) vermeld of het gaat om plaatsing in een netwerkpleeggezin.

Uit artikel 1:261, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat indien – zoals in het onderhavige geval – de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Jeugdzorg, het verzoek om een machtiging strekkende tot uithuisplaatsing is gericht op de effectuering van het overgelegde indicatiebesluit.

Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Jeugdzorg, moet het indicatiebesluit onder meer omschrijven op welke vorm van jeugdzorg de uithuisplaatsing betrekking heeft. Blijkens artikel 19, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg kan de stichting slechts aangeven of het gaat om verblijf bij een pleegouder of verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder. Op grond hiervan gaat de kinderrechter er vanuit dat verblijf in een specifiek netwerkpleeggezin (ook) valt onder “verblijf bij een pleegouder”. Om die reden is de kinderrechter dan ook van oordeel dat de inhoud van voornoemd indicatiebesluit zich niet verzet tegen verlening van een machtiging strekkende tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin.

Om er voor zorg te dragen dat [minderjarige] op een rustige en zorgvuldige wijze kan worden geplaatst bij de grootouders en om er op toe te zien dat de grootouders aan alle gestelde voorwaarden hebben voldaan, zal de kinderrechter machtiging verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken, tot 17 mei 2014, en zal vervolgens machtiging worden verleend voor plaatsing van de minderjarige in een voorziening voor netwerkpleegzorg voor de duur van de ondertoezichstelling.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt de minderjarige (definitief) onder toezicht van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, locatie Arnhem, tot 3 februari 2015;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg, overeenkomstig het indicatiebesluit van 29 april 2014, tot 17 mei 2014;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor netwerkpleegzorg (grootouders mz), overeenkomstig het indicatiebesluit van 29 april 2014, met ingang van 17 mei 2014 tot 3 februari 2015;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S.W. Kroon, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Sluijters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2014.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.