Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3889

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
05/701669-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Arnhem heeft een 20-jarige man uit Beesd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De man heeft op 14 oktober 2012 als bestuurder van een personenauto met zeer hoge snelheid gereden over de Rijksweg A2 in de richting van Utrecht. De auto is ter hoogte van Hedel in de slip geraakt en bij een talud in de wegberm terechtgekomen , waarna de auto tegen een portaalpaal van een lager gelegen spoorweg tot stilstand is gekomen. Bij dit ongeval zijn de drie passagiers om het leven gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/701669-12

Data zittingen : 19 april 2013 en 13 juni 2014

Datum uitspraak : 27 juni 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsvrouw : mr. W.A. Koers, advocaat te Leusden.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 14 oktober 2012, te Hedel, gemeente Maasdriel, in elk

geval in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg, de Rijksweg A2 (links), ter hoogte van hectometerpaal 106,2,

roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd,

heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 200 kilometer per uur, in elk

geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane

maximumsnelheid van 120 kilometer per uur, en/of

(daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of (vervolgens) in een slip is geraakt, en/of

(vervolgens) achterwaarts de berm in is gegleden en/of geschoven, in elk geval

in die berm terecht is gerecht is gekomen, en/of

(vervolgens) over de vangrail is gegleden/geschoven, en/of

(vervolgens) los is gekomen van grond, en/of

(vervolgens) terecht is gekomen in een naast die Rijksweg A2 lager gelegen

veld, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een

portaal/mast,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en) ([slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]) werd(en) gedood,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige

mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte de ter plaatse voor dat

motorrijtuig toegestane maximum snelheid van 120 kilometer per uur met 80

kilometer per uur, in elk geval aanzienlijk overschreden.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 13 juni 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte steeds verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. W.A. Koers, advocaat te Leusden.

Als benadeelde partijen zijn ter terechtzitting verschenen:

 de nabestaanden van [slachtoffer 1];

 de nabestaanden van [slachtoffer 3].

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 oktober 2012 heeft verdachte als bestuurder van een personenauto gereden over de Rijksweg A2 in de richting van Utrecht. Ter hoogte van hectometerpaal 106.22 is de auto in de slip geraakt en ter hoogte van hectometerpaal 106.1 in de wegberm terechtgekomen , waarna de auto tegen een portaal van de bovenleiding van een lager gelegen spoorweg tot stilstand is gekomen.3 Bij dit ongeval zijn de inzittenden [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] om het leven gekomen.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit en dat verdachte grove schuld verweten kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de mate van schuld, met dien verstande dat er geen sprake is roekeloosheid.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende voorop. Om tot een veroordeling op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te komen, is vereist dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid.

Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt opgemerkt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte is op 14 oktober 2012 in zijn personenauto over de Rijksweg A2 in de richting van Zaltbommel gereden. De maximum snelheid bedroeg ter plaatse 120km/u.5 De straatverlichting was in werking, het weer was helder, het wegdek was nieuw en het zicht werd niet beperkt.6 Door getuigen, die op dat moment op dezelfde weg reden is gezien dat verdachte met een aanzienlijk hoge snelheid reed.7 Ter hoogte van hectometerpaal 106.2 is een eerste zichtbaar slipspoor op de rijbaan te zien.8 Op een afstand van ongeveer 111,50 meter, ter hoogte van hectometerpaal 106.19, is de auto via de vangrail10 achterwaarts - daarbij een dwingspoor achterlatend11 - in de berm geraakt en is gelanceerd.12 Uit snelheidsberekeningen is naar voren gekomen dat het voertuig, op het moment dat de geleiderail van de vangrail werd geraakt, minimaal een snelheid van 173,9 km/u had13, zodat de snelheid vanaf het eerste slipspoor op het wegdek tenminste 200 km/u is geweest.14

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte schuldig is aan het door hem veroorzaakte verkeersongeval.

Ten aanzien van de mate van schuld overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft met een buitengewoon hoge snelheid, namelijk 60% harder dan toegestaan, over de rijksweg A2 gereden. Op het moment dat verdachte, mede door de hoge snelheid, de controle over zijn voertuig kwijtraakte, is hij niet meer in staat geweest het voertuig weer onder controle te krijgen, dan wel af te remmen of te stoppen. Voorts is verdachte beginnend bestuurder.15 De onervarenheid van beginnende bestuurders vraagt van hen extra oplettendheid en zorgvuldigheid op het moment zij zich in het verkeer begeven. Desondanks heeft verdachte over een lang traject aanzienlijk te hard gereden en daarbij, met zijn gedrag, ook overige verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. Diverse getuigen hebben verklaard dat zij zijn ingehaald door een auto die gevaarlijk hard reed.

Tot slot was verdachte, als bestuurder, verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn passagiers. Verdachte heeft op diverse momenten de gelegenheid gehad zijn rijgedrag en snelheid aan te passen.

Voormelde gedragingen van verdachte brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte een hoge mate van verwijtbare onvoorzichtigheid kan worden verweten en dat de gedragingen van verdachte zijn aan te merken als grove onoplettendheid, onvoorzichtigheid en onachtzaamheid.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 14 oktober 2012, te Hedel, gemeente Maasdriel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A2 (links), ter hoogte van hectometerpaal 106,2,

zeer, onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam, terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of werd gehinderd, heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 200 kilometer per uur, in elk geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane

maximumsnelheid van 120 kilometer per uur, en (daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en (vervolgens) in een slip is geraakt, en (vervolgens) achterwaarts de berm in is gegleden of geschoven, in elk geval in die berm terecht is gerecht is gekomen, en (vervolgens) over de vangrail is gegleden/geschoven, en (vervolgens) los is gekomen van grond, en (vervolgens) terecht is gekomen in een naast die Rijksweg A2 lager gelegen veld, en (vervolgens) is gebotst tegen, een portaal/mast, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen ([slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]) werden gedood,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige

mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte de ter plaatse voor dat

motorrijtuig toegestane maximum snelheid van 120 kilometer per uur met 80

kilometer per uur, in elk geval aanzienlijk overschreden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 3 jaren.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, aangezien hij sinds het ongeval in een sociaal isolement is geraakt. Hij woont in een gemeente waar een deel van de bewoners haatgevoelens koesteren jegens hem. Daardoor voelt hij zich niet meer vrij om zich in het openbaar te begeven. Gelet op deze omstandigheden acht de verdediging een werkstraf passend.

Ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de verdediging aangevoerd rekening te houden met de bereikbaarheid van het werk van verdachte en het feit dat zijn rijbewijs sinds het ongeval is ingehouden.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 16 mei 2014; en

 een adviesrapportage van Reclassering Nederland, adviesunit 1 Oost, d.d. 06 juni 2014, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden met zeer hoge snelheid, terwijl hij als BOB (bewust onbeschonken rijder) die avond de verantwoordelijkheid had over drie inzittenden, zijn vrienden, waarmee hij die avond op stap was geweest. Verdachte is voorts met die snelheid de macht over het voertuig verloren, zijn auto is doorgeschoten de berm in, van een talud afgevlogen en tegen een portaalpaal van de spoorweg tot stilstand gekomen. Dat dit alles met een enorme snelheid is gebeurd wordt pijnlijk duidelijk uit de schade die aan het voertuig is ontstaan alsmede uit het feit dat de drie inzittenden allemaal op slag dood waren. Deze jongens waren begin 20 en stonden nog maar aan het begin van hun volwassen leven. Hun dood heeft een grote invloed op het leven van meerdere families.

Voor afdoening van een dergelijke zaak komt naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf in aanmerking dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank vindt, om de ernst van het feit en de gevolgen uit te drukken, maar ook vanuit een generaal preventie oogmerk, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook in dit geval een passende strafrechtelijke reactie, maar zal daarbij meer dan de officier van justitie rekening houden met de persoonlijke omstandigheden. Ook verdachte zal immers de rest van zijn leven de gevolgen moeten dragen van dit, door hem veroorzaakte, ongeval.

Verdachte heeft door zijn handelen de verkeersveiligheid in hoge mate geschaad en daarom is het alleszins redelijk een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen. De rechtbank ziet, ondanks het feit dat verdachte zegt de auto nodig te hebben voor zijn werk, geen aanleiding af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

De inbreuk op de verkeersveiligheid laat in dit geval, alle omstandigheden in aanmerking nemende, niet toe dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geheel voorwaardelijk zou worden opgelegd.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 91 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet1994.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot :

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 4 (vier) jaren,

met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat van deze ontzegging 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en mr. M.A. Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juni 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant(en) van de regiopolitie Gelderland-Zuid, district De Waarden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL083H-2012102479, gesloten op 12 maart 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal VOA, pag. 4 onder 1.3

3 Proces-verbaal VOA, pag. 14.

4 Proces-verbaal VOA, pag. 22 onderaan en pag. 23.

5 Proces-verbaal VOA, pag. 6 onder 2.1.3.

6 Proces-verbaal VOA, pag. 8 2.1.8 t/m 2.1.10., alsmede het MVOA, pag. 2 onderaan.

7 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pag. 30 halverwege, getuige [getuige 2], pag. 32 halverwege en getuige [getuige 3] pag. 34 laatste alinea.

8 Proces-verbaal VOA, pag. 13, alsmede het schriftelijk bescheid zijnde fotonr. 12.

9 Proces-verbaal VOA, pag. 6 bovenaan.

10 Proces-verbaal VOA, pag. 13 onderaan en het schriftelijke bescheid zijnde foto 13.

11 Verklaring deskundige [deskundige] ter terechtzitting.

12 Proces-verbaal VOA, pag. 21 onder 5.2.

13 Proces-verbaal VOA, pag. 20 onder 4.3.

14 Proces-verbaal VOA, pag. 21 onder 5.2., alsmede het MVOA, pag. 4, 2e alinea.

15 Proces-verbaal van invordering rijbewijs, pag. 64.