Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3838

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
230363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afrekening bij einde vennootschap. De rechtbank verwerpt de bezwaren tegen het deskundigenrapport waarin de vrije onderhandse verkoopwaarde van de opstallen is geschat en volgt de taxatiewaarde van de deskundige. De bezwaren tegen het deskundigenrapport over de vrije onderhandse verkoopwaarde van de vrachtwagen en de oplegger zijn wel deels gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/230363 / HA ZA 12-376

Vonnis van 14 mei 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L. Wonnink te Tiel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.J.H. van der Meijden te Culemborg.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 augustus 2013

  • -

    het concept deskundigenbericht en het definitieve deskundigenbericht van Ing. M.M. van Gellicum RMT van respectievelijk 13 oktober 2013 en 11 december 2013

  • -

    het eerste deskundigenbericht, nadere bericht en de nog weer nadere verklaring van H.C. Gerritse van respectievelijk 14 oktober 2013, 4 december 2013 en 10 januari 2014

  • -

    de begrotingsbeschikkingen van 24 en 29 januari 2014

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] van 12 februari 2014

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] van 12 maart 2014

  • -

    de akte wijziging van eis in reconventie van [gedaagde] van 12 maart 2014

  • -

    de akte na wijziging van eis in reconventie alsmede akte houdende overlegging producties van [eiser] van 26 maart 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

De rechtbank verwijst naar voormeld tussenvonnis en blijft daarbij. Bij dat tussenvonnis heeft de rechtbank twee verschillende deskundigen benoemd om de waarde van de stille reserves vast te kunnen stellen per peildatum 22 mei 2013 (datum ontbinding VOF). De rechtbank heeft Ing. M.M. van Gellicum RMT (verder: Van Gellicum) benoemd om de vrije onderhandse verkoopwaarde te schatten van de opstallen en de rechtbank heeft H.C. Gerritse (verder: Gerritse) benoemd om de vrije onderhandse verkoopwaarde te schatten van de vrachtwagen en de oplegger.

Voor de nadere invulling van de aan de deskundigen voorgelegde vragen verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis.

de opstallen

2.2.

Van Gellicum heeft de vrije onderhandse verkoopwaarde van de opstallen per 22 mei 2013 getaxeerd op € 31.275,00. De deskundige heeft deze waarde vastgesteld aan de hand van de vervangingswaardemethode met oplopende waardevermindering als correctiefactor. Daarbij wordt uitgegaan van genormeerde stichtingskosten, waarop een bepaald percentage in mindering wordt gebracht op grond van, onder andere, leeftijd functionaliteit, aanwendingsmogelijkheden en onderhoudstoestand.

Volgens de deskundige begeeft de vervangingswaarde van de bedrijfsgarage en veeschuur (bouwfase I) zich in de orde van grootte van € 750,00 per m2 b.v.o. (exclusief btw) en is hier, rekening houdend met bovenstaande factoren, een correctie van 70% geboden.

De vervangingswaarde van de aangebouwde opslag-/stallingsruimte (bouwfase II) begeeft zich volgens de deskundige in de orde van grootte van € 600,00 per m2 b.v.o. en hier acht de deskundige, rekening houdend met diezelfde factoren, een correctie van 60% geboden.

De deskundige gaat uit van respectievelijk 75 m2 en 60 m2 en komt daarmee op een totale opstalwaarde van € 31.275,00.

De deskundige rapporteert dat hij voorkeur heeft voor de zogenaamde vergelijkingsmethode, maar dat het onderhavige object dusdanig incourant is, dat nauwelijks vergelijkingsobjecten beschikbaar zijn. Hij heeft daarom de vergelijkingsmethode slechts als controlemiddel gebruikt en als zodanig twee enigszins bruikbare vergelijkingsobjecten, verkocht in juli 2012, in zijn beschouwingen betrokken. De huurwaarde kapitalisatie-methode acht de deskundige niet geschikt voor het onderhavige object, onder meer bij gebrek aan referenties.

2.3.

[eiser], die moet uitkopen, meent dat Van Gellicum de waarde te hoog heeft vastgesteld. [gedaagde], die uitgekocht moet worden, vindt de vastgestelde waarde te laag.

2.4.

De kritiek van [eiser] houdt vooral in dat de uitkomst van de vervangingswaardemethode aan de bovengrens zit van de bandbreedtes van de huurwaarde kapitalisatie-methode en de vergelijkingsmethode. Verder verwijt [eiser] de deskundige dat hij niet heeft onderbouwd op welke manier hij de leeftijd, functionaliteit, aanwendingsmogelijkheden en onderhoudstoestand heeft meegewogen. [eiser] houdt vast aan de eerdere taxatie van Waerde State (productie 13 bij dagvaarding) ten bedrage van € 27.500,00, zijnde € 3.775,00 lager dan die van de door de rechtbank benoemde deskundige Van Gellicum.

2.5.

De rechtbank overweegt dat het eerste kritiekpunt van [eiser] niet terecht is. Van Gellicum heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval de huurwaarde kapitalisatie-methode niet geschikt acht. Zijn belangrijkste argument is dat voor de bepaling van de huurwaarde de noodzakelijke marktreferenties ontbreken. Het gaat immers om een incourant object. Om dezelfde reden is de vergelijkingsmethode volgens Van Gellicum ook niet goed bruikbaar voor de taxatie van de verkoopwaarde. Aan zijn berekeningen volgens die twee methodes (ter controle, respectievelijk op verzoek van partijen) en de daaruit gekomen bandbreedtes kan dan ook geen zelfstandige betekenis worden toegekend.

2.6.

Wat [eiser] bedoelt met zijn tweede kritiekpunt is de rechtbank niet helemaal duidelijk. Van Gellicum heeft in het hoofdstuk ‘2. Object’ alle parameters omschreven die hij als uitgangspunt heeft genomen voor zijn waardering. Bij de beantwoording van de vierde onderzoeksvraag (‘welke kenmerken van de zaken waren voor u bij de waardering van belang?’) heeft Van Gellicum nog eens puntsgewijs een aantal specifieke kenmerken opgesomd. Hoe Van Gellicum bij zijn taxatie het een tegen het ander heeft afgewogen, welk gewicht hij aan de verschillende kenmerken heeft toegekend en waarom hij op grond van de door hem genoemde factoren tot correcties op de genormeerde bouwkosten is gekomen van 70% en 60% staat weliswaar niet stap voor stap beschreven, maar dit betreft nu juist zijn specifieke deskundigheid, om welke deskundigheid hij is benoemd. Als [eiser] nadere uitleg had willen hebben, dan had hij die kunnen en moeten vragen naar aanleiding van het conceptrapport. De rechtbank heeft zelf geen nadere vragen, twijfelt niet aan de deskundigheid van Van Gellicum en vindt zijn rapport duidelijk en goed bruikbaar.

2.7.

[gedaagde] is het dus ook niet eens met de taxatie van Van Gellicum. [gedaagde] vindt in het bijzonder dat geen correctiefactor van 70%, maar een van 50% op de vervangingswaarde per m2 moet worden toegepast. [gedaagde] vindt 50% passender, mede gezien de gedegen constructie, goede staat en ouderdom. Voorts meent [gedaagde] dat Van Gellicum ten onrechte de open zolderruimte niet in de waardering heeft meegenomen. [gedaagde] houdt het zelf op een waarde van € 60.187,50, welk bedrag meer in lijn ligt met de door hem in een eerder stadium overgelegde taxatie van Pim van Veen makelaardij.

2.8.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat niet juist is dat Van Gellicum voor alle opstallen een correctiefactor van 70% op de stichtingskosten heeft gehanteerd. Voor bouwfase II is 60% aangehouden. Verder legt [gedaagde] niet goed uit waarom de door hem voorgestane correctie van 50% passender zou zijn. [gedaagde] verwijst naar ‘de gedegen constructie en goede staat’ en naar ‘de ouderdom’, maar uit het rapport van Van Gellicum blijkt niet dat Van Gellicum is uitgegaan van een mindere constructie en staat of van een onjuiste leeftijd (bouwjaren circa 1972, respectievelijk 1979). Wat daarvan verder zij, ook hier gaat het om een waardering, die nu juist aan de deskundige is toevertrouwd. Wat [gedaagde] aanvoert is onvoldoende om te moeten twijfelen aan de deskundigheid van de door de rechtbank als onpartijdige deskundige benoemde Van Gellicum en om zijn taxatie terzijde te stellen ten faveure van de eigen inschatting van [gedaagde] en die van de partijdeskundige Van Veen.

2.9.

Verder is wel juist dat Van Gellicum geen afzonderlijke waarde uitsplitst of vierkante meters bijtelt voor de halfopen zolderruimte boven de bedrijfsgarage en veeschuur (bouwfase I). Dit maakt echter niet dat daarvoor nu, zoals [gedaagde] betoogt, nog eens 50% van de waarde van de vierkante meterprijs van de begane grond moet worden bijgeteld. Van Gellicum heeft immers in het hoofdstuk ten aanzien van de huurwaarde gerapporteerd dat aan de opslagruimte op de zolderruimte door hem geen economische waarde wordt toegekend. Dan ligt in de rede dat voor die zolderruimte ook geen meters worden bijgeteld en dat de stichtingskosten daarvan begrepen zijn in vierkante meter prijs voor de begane grond.

2.10.

Het een en ander leidt tot de slotsom dat de rechtbank de taxatiewaarde ad € 31.275,00 van Van Gellicum zal volgen. De boekwaarde was € 2.929,00, zodat ter zake een stille reserve ad € 28.346,00 in de afrekening moet worden betrokken. Aan [gedaagde] komt ter zake de helft toe, dus € 14.173,00.

de vervoermiddelen

2.11.

Gerritse taxeert de vrije onderhandse verkoopwaarde per 22 mei 2013 van de trekker op € 26.000,00 en van de oplegger op € 72.500,00.

2.12.

Ook hier kan [eiser] zich niet vinden in het deskundigenrapport. [eiser] verwijt Gerritse dat hij zijn onderzoek niet naar behoren heeft uitgevoerd en [eiser] twijfelt aan de deskundigheid van Gerritse. [eiser] houdt het op de eerder door hem in het geding gebrachte (nadere) taxatie van de heer Links van Rüttchen Automotive ten bedrage van respectievelijk € 25.000,00 en € 40.000,00 (een jaar eerder was dat € 77.000,00 voor de combinatie).

[gedaagde] kan zich wel vinden in de waarderingen van Gerritse.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.13.

Aan [eiser] moet worden toegegeven dat uit de rapportage en de nadere verklaringen van Gerritse niet of onvoldoende blijkt dat hij zich stipt heeft gehouden aan de instructies van de rechtbank. In het bijzonder blijkt niet dat hij het onderzoek zoveel mogelijk in overleg met de advocaten van partijen heeft uitgevoerd en dat hij de advocaten steeds van zijn verrichtingen en van de door hem ontvangen informatie op de hoogte heeft gehouden, noch dat en hoe de opmerkingen en verzoeken van partijen zijn verwerkt.

2.14.

Verder heeft [eiser] wel gelijk dat de taxaties van Gerritse niet erg uitvoerig zijn onderbouwd. Dit geldt niet zozeer voor de trekker, waar de taxatie wordt onderbouwd met een vrij groot aantal aanbiedingen op het internet met vergelijkbare prijzen. Maar voor de oplegger geldt in elk geval wel dat de taxatie van Gerritse erg mager is onderbouwd. Hiervoor is slechts één vergelijkingsobject in beeld gebracht en dit vergelijkingsobject heeft een veel ouder bouwjaar en een heel andere vraagprijs (€ 24.900,00). Hoe Gerritse daarmee komt aan een waarde van € 72.500,00 voor de getaxeerde oplegger wordt door hem nauwelijks onderbouwd. Gerritse voegt in zijn laatste verklaring nog wel een aanvullende afschrijvingsberekening uit, maar daarbij gaat hij uit van een lineaire bedrijfs-economische afschrijving, die niet zonder meer geldt voor marktwaardes, en met deze berekening komt Gerritse ook uit op een heel ander bedrag dan zijn taxatiewaarde.

2.15.

De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de taxaties van Gerritse wel gevolgd kunnen worden bij de trekker, maar niet bij de oplegger. Voor de trekker geldt verder namelijk nog dat de taxatie van Gerritse in lijn ligt met de eerder overgelegde taxaties van Rüttchen Automotive en Autobedrijf Van Dijk Culemborg, waarbij de trekker werd getaxeerd op € 25.000,00, respectievelijk € 26.000,00, en dat die taxatie goed past bij het feit dat de trekker inmiddels bij Rüttchen is ingeruild en door Rüttchen te koop wordt aangeboden voor € 27.950,00 netto (dit blijkt uit een bijlage van Gerritse). [eiser] heeft niet opgehelderd welke prijs hij voor de trekker heeft gekregen, hetgeen wel op zijn weg had gelegen, maar de rechtbank gaat ervan uit dat die prijs heel goed rond de € 26.000,00 kan hebben gelegen en dat Rüttchen daar bij de doorverkoop iets bovenop doet omdat zij als professionele truckhandelaar service en garantie moet bieden en ook een marge zal willen berekenen.

2.16.

Voor de oplegger echter is de taxatie van Gerritse onvoldoende onderbouwd. Maar dit geldt evengoed voor de taxaties van Rüttchen Automotive en Autobedrijf Van Dijk Culemborg, waaraan [eiser] wel waarde schijnt te hechten. Uit deze taxaties komen voor de oplegger ook verschillende bedragen waarvoor in die rapporten geen verklaring is te vinden. Rüttchen taxeert de oplegger op € 40.000,00 en Van Dijk taxeert hem op € 70.000,00. Verder heeft [eiser] bij zijn conclusie na deskundigenbericht nog een aantal aanbiedingen van opleggers op het internet overgelegd met vraagprijzen variërend van € 21.900,00 tot € 26.850,00, maar dit biedt ook geen houvast, in het bijzonder vanwege de (veel) oudere bouwjaren, te weten 1999 tot en met 2004.

2.17.

De rechtbank gaat ervan uit dat de waarde van deze bijzondere oplegger moeilijk is vast te stellen. Nu heeft Gerritse echter in zijn laatste rapport onder overlegging van een taxatie van een (ander) Truckcentrum vermeld dat dit Truckcentrum tegen hem heeft gezegd dat zij de oplegger destijds zou hebben gekocht voor € 62.500,00 (en zou hebben verkocht voor € 72.500,00). Dit (hypothetische) bod van € 62.500,00 acht de rechtbank van groot belang in deze zaak. De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid daarvan en dat bedrag was dan dus de concrete opbrengst die [eiser] en [gedaagde] hadden kunnen realiseren, indien zij dit vermogensbestanddeel van hun onderneming bij de ontbinding van de VOF te gelde hadden gemaakt. De rechtbank zal dit bedrag van € 62.500,00 aanhouden als de vrije verkoopwaarde per 22 mei 2013.

2.18.

Dit een en ander leidt tot de slotsom dat de verkoopwaarde van de trekker gesteld kan worden op € 26.000,00 en die van de oplegger op € 62.500,00. De totale waarde van de voertuigen was dus € 88.500,00, zodat in deze balanspost een stille reserve schuilde van € 88.500,00 minus de boekwaarde van € 63.676,00, dus van € 24.824,00. De helft daarvan komt toe aan [gedaagde]. Dit is € 12.412,00.

recapitulatie

2.19.

In het tussenvonnis van 14 augustus 2013 heeft de rechtbank reeds vast gesteld dat aan [gedaagde] een bedrag van € 32.552,00 moet worden uitgekeerd. Daarbovenop komt nu zijn aandeel in de stille reserves ten bedrage van € 14.173,00 + € 12.412,00 = € 26.585,00. In totaal moet dus door [eiser] aan [gedaagde] worden uitbetaald het bedrage van € 32.552,00 + € 26.585,00 = € 59.137,00. Uiteraard strekt hierop in mindering het bij het deelvonnis toegekende voorschot, indien en voor zover dit voorschot daadwerkelijk aan [gedaagde] is uitbetaald.

de eisvermeerdering

2.20.

In zijn laatste akte wijziging van eis in reconventie heeft [gedaagde] zijn eis nog vermeerderd met een vordering tot vergoeding van zijn inkomensschade, nader op te maken en te vereffenen volgens de wet, onder toekenning van een voorschot van € 40.000,00 per jaar voor de duur van drie jaren, alsmede tot vergoeding van het bedrag van de overbedeling vast te stellen ex artikel 3:185 BW jo. artikel 10 van de vennootschapsovereenkomst. De rechtbank verstaat dat [gedaagde] deze vorderingen baseert op een aanspraak op schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkomingen van [eiser] en/of een ongedaanmakingsverbintenis wegens diens ongerechtvaardigde verrijking.

2.21.

[eiser] heeft deze aanvullende c.q. herhaalde vorderingen bestreden. Voor een gedeelte heeft de rechtbank op soortgelijke vorderingen van [gedaagde] reeds beslist in het deelvonnis van 22 mei 2013, maar voor alle duidelijkheid overweegt de rechtbank nog eens als volgt.

2.22.

De rechtbank herhaalt en stelt voorop dat in artikel 10 van de vennootschapsovereenkomst uitdrukkelijk is bepaald dat bij de afrekening bij het einde van de vennootschap geen verrekening van goodwill zal plaats hebben. Partijen hebben in die overeenkomst dus niet voorzien in een vergoeding van de toekomstige winstderving van de uittredende of uitgestoten vennoot, anders dan dat deze zijn aandeel in het vennootschapsvermogen in geld krijgt uitgekeerd en dat hij dit geld kan beleggen.

Weliswaar zou [gedaagde] in beginsel aanspraak kunnen hebben op schadevergoeding indien de ontbinding van de vennootschap gegrond is op een toerekenbare tekortkoming van [eiser], maar dat is niet het geval. De rechtbank heeft immers in het deelvonnis overwogen (rechtsoverwegingen 4.4 e.v.) dat juist [gedaagde] een of meer bepalingen van de vennootschapsakte niet is nagekomen en dat dit de ontbinding rechtvaardigt. [eiser] is niet tekortgeschoten in de nakoming van de vennootschapsovereenkomst en er is al helemaal geen sprake van een toerekenbare tekortkoming van [eiser] op grond waarvan [gedaagde] aanspraak zou hebben op schadevergoeding.

Verder is ook geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] ten koste van [gedaagde]. De vennootschap is ontbonden en het vermogen van de vennootschap is verdeeld, waarbij de vermogensbestanddelen aan [eiser] zijn toegescheiden en daartegenover aan [gedaagde] een uitkoopsom is toegekend op de voet van de vennootschapsakte. Rechtens is geen van beiden ongerechtvaardigd verrijkt of verarmd.

De aanvullende eis is dus ongegrond en wordt afgewezen.

slotsom

2.23.

Op grond van het vorenstaande wordt bij dit eindvonnis in aanvulling op het deelvonnis van 22 mei 2013 [eiser] veroordeeld om aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 59.137,00 met verrekening van het reeds betaalde voorschot. Een rentevergoeding is niet gevorderd. De overige vorderingen, voor zover niet reeds toegewezen bij het deelvonnis, worden afgewezen. Dit geldt in het bijzonder ook voor de vordering van [eiser] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering baseert [eiser] op artikel 6:96 BW. Hij merkt zijn buitengerechtelijke advocaatkosten aan als schade. De rechtbank heeft echter in het deelvonnis van 22 mei 2013 in rechtsoverweging 4.11 overwogen dat in deze zaak geen plaats is voor een schadevergoeding aan [eiser]. Daar blijft de rechtbank bij. Als [eiser] geen aanspraak heeft op schadevergoeding, dan komt artikel 6:96 BW niet in beeld.

2.24.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie en in aanvulling op de beslissingen in deelvonnis van 22 mei 2013

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 59.137,00 (negenenvijftigduizend eenhonderdzevenendertig euro), verminderd met het reeds betaalde gedeelte van het bij het deelvonnis onder 5.5. toegewezen voorschot ten bedrage van € 43.044,32,

3.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.