Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3684

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_6077
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Er is sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Eiseres heeft in de eerste maanden van 2007 activa ter beschikking gesteld aan tot de groep behorende vennootschappen. Hierover moet zakelijke gebruiksvergoeding in aanmerking worden genomen. Eiseres heeft de vereiste aangifte niet gedaan. Verweerder heeft de aanslag gebaseerd op een redelijke schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1209
FutD 2014-1432
NTFR 2014/1971 met annotatie van E.P. Hageman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team Belastingrecht

zaaknummer: 13/6077

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 17 juni 2014

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

De inspecteur Belastingdienst, kantoor Heerenveen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2007 een navorderingaanslag (aanslagnummer [000].V.77.0112) vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 502.516. Tevens is bij beschikking € 23.697 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2013 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij beroepschrift van 12 juli 2013, ontvangen door de Rechtbank Noord-Nederland op 15 juli 2013, beroep ingesteld. De Rechtbank Noord-Nederland heeft de zaak doorgestuurd naar de Rechtbank Gelderland.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Tevens zijn aanvullende stukken ingediend, waarvan een kopie aan eiseres is verstrekt.

Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken ingediend, welke in afschrift zijn verstrekt aan verweerder. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingezonden. Ook deze is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B] en haar gemachtigde, bijgestaan door [C].Namens verweerder zijn verschenen bovengenoemde gemachtigde en [D].

Namens eiseres is ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Deze pleitnota’s en eventuele bijlagen maken deel uit van het procesdossier.

Overwegingen

Feiten:

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.

Eiseres is opgericht op [2000]. Op 1 januari 2007 droeg zij de naam [E] BV, bedroeg haar nominaal gestorte aandelenkapitaal € 18.000 en was [F] BV (hierna: [F]) haar enige aandeelhouder.

De aandeelhouders van [F] waren:

- [G] BV (22,58%);

- [H] BV (22,58%);

- [I] BV (22,58%);

- [J] BV (22,58%);

- [K] BV (9,68%).

2.

[F] bezat tevens de aandelen in de volgende werkmaatschappijen:

- [L] BV;

- [M] BV;

- [N] BV;

- [O] BV;

- [P] BV.

De drie eerst genoemde vennootschappen handelden (alle drie) onder de naam [a].

3.

Eiseres bezat binnen de onder 2. genoemde groep van vennootschappen alle relevante bedrijfsmiddelen en verhuurde die binnen de groep aan de andere werkmaatschappijen en aan de moedermaatschappij.

4.

Op enig moment is besloten de groep te ontvlechten. In het kader van die ontvlechting is een ontvlechtingsovereenkomst gesloten. Tot de gedingstukken behoort een niet getekende conceptversie van deze overeenkomst, waarbij alle onder 1. genoemde aandeelhouders zijn betrokken, alsmede [F] en eiseres (toen nog genaamd [E] BV). In artikel 1.1 onder B is in de ontvlechtingsovereenkomst opgenomen:

“[F] koopt en aanvaardt van [E], gelijk [E] verkoopt en levert aan [F], activa conform de koopovereenkomst die als bijlage IV aan deze overeenkomstis gehecht.”

Deze bijlage IV bevat twee onderdelen:

1.

Een taxatie van taxateur [b] waarin de inventaris die [a] heeft overgenomen, is getaxeerd op een waarde van € 258.350, en

2.

een inventarislijst.

Blijkens een afzonderlijke (concept)koopovereenkomst worden de activa verkocht voor € 70.658. De activa zijn nader gespecificeerd in een bijlage bij de overeenkomst.

Onderdeel van de ontvlechting is voorts onder meer dat [K] BV haar aandelen in [F] overdraagt.

5.

[J] BV heeft in het kader van de ontvlechting van [F] de aandelen gekocht van de drie werkmaatschappijen van de groep die handelden onder de naam [a]. Voorts heeft [J] BV roerende zaken van [F] gekocht voor een bedrag van € 278.000.

6.

De onder 4. en 5. genoemde overeenkomsten gaan uit van een leveringsdatum op 18 juni 2007.

7.

De vennootschappen aan wie eiseres haar bedrijfsmiddelen verhuurde, hebben hun ondernemingen tot aan het moment van ontvlechting ongewijzigd gedreven. Na ontvlechting zijn deze ondernemingen in beginsel ongewijzigd voortgezet. Het enige verschil was dat zij de bedrijfsmiddelen voorheen van eiseres huurden en na de ontvlechting niet meer.

8.

Volgens de jaarcijfers over 2006 heeft eiseres in het jaar 2006 een omzet behaald van € 370.817 en een winst van € 38.283. De boekwaarde van de vaste activa bedraagt ultimo 2006 in totaal € 357.812. In 2006 is er nog voor een bedrag van € 188.638 in de vaste activa geïnvesteerd. De materiële vaste activa (exclusief het vervoermiddel) van eiseres hebben per 31 mei 2007 volgens de betreffende jaarrekening een boekwaarde van € 282.490.

9.

Bij notariële akte van 6 augustus 2007 heeft [F] de aandelen in eiseres geleverd aan [K] BV (hierna: [K]) en aan de heer [B] (hierna: [B]). [K] en [B] verkrijgen ieder 90 aandelen van € 100 nominaal in eiseres voor een koopsom van € 1. De heer [A] (hierna [A]) bezat alle aandelen [K]. Volgens artikel 3 van genoemde akte waren [K] en [B] volledig bekend met de omvang en samenstelling van het vermogen van eiseres en verlangden zij daarvan geen nadere omschrijving. [K] en [B] hebben geen due dilligence onderzoek laten verrichten in verband met de verwerving van deaandelen.

10.

In de periode van 12 september 2007 tot 11 maart 2011 draagt eiseres de naam [c] BV. Daarna verkrijgt eiseres haar huidige naam [X] BV.

11.

Eiseres heeft op 2 mei 2009 aangifte Vpb 2007 gedaan naar een belastbare winst over 2007 van € 2.516. De aanslag Vpb 2007 is met dagtekening 31 oktober 2009 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld naar een belastbare winst van € 2.516. Na verliesverrekening is het belastbaar bedrag vastgesteld op nihil.

12.

In augustus 2009 is er contact geweest tussen de heer [d] (hierna: [d]), werkzaam bij verweerder, en de voormalig adviseur van eiseres. Aanleiding waren de ambtshalve aanslagen Vpb over de jaren 2005 en 2006. Naar aanleiding van de hiertegen ingediende bezwaarschriften zijn aangiften/jaarrekeningen over 2005 en 2006 ingediend. De aanslagen Vpb 2005 en 2006 zijn uiteindelijk vastgesteld in overeenstemming met deze aangiften.

13.

Verweerder heeft in november 2012 bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld. Hiervan is op 27 juni 2013 een rapport uitgebracht. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder geconstateerd dat over 2007 alleen over de periode ná de aandeelhouderswisseling resultaten zijn aangegeven. Verweerder stelt dat de aangegeven winst moet worden gecorrigeerd met een bedrag aan ontvangen huur van de activa en een bedrag aan verkoopopbrengst met betrekking tot de vaste activa.

14.

Omdat het einde van de aanslagtermijn naderde, heeft verweerder ter behoud van rechten een navorderingsaanslag Vpb 2007 opgelegd met dagtekening 29 december 2012. Verweerder heeft deze als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbare winst

€ 2.516

Correctie

€ 500.000

Bij navordering vastgestelde belastbare winst

€ 502.516

Aangegeven belastbaar bedrag

€ 0

Correctie in verband met niet aangegeven winst

€ 500.000

Bij navordering vastgesteld belastbaar bedrag

€ 500.000

15.

Eiseres heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. Tijdens de bezwaarfase is het boekenonderzoek afgerond. Tijdens dat boekenonderzoek stelde verweerder vast dat eiseres volgens haar administratie over het jaar 2006 de volgende huurtermijnen in rekening heeft gebracht:

Aan [O]

€ 158.231

Aan [e]

€ 47.355

Aan [F]

€ 105.156

Aan [M]

€ 94.683

Aan [N]

€ 55.919

Aan [L]

€ 139.472

Totaal

€ 600.816

In het memoriaal heeft eiseres deze boekingen per 31 december 2006 (intern) gecrediteerd tot in totaal € 370.817.

16.

Op 11 april 2013 heeft verweerder eiseres een brief gestuurd waar hij stelt dat de winst van eiseres over 2007 tenminste € 770.953 zou moeten zijn (€ 2.516 + € 250.338 aan huur + € 518.099 verkoopopbrengst vaste activa). Verweerder heeft de correctie huuropbrengst berekend door uit te gaan van de oorspronkelijk geboekte jaaropbrengst over 2006 van € 600.816 en deze tijdsevenredig over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2007 in aanmerking te nemen. Dit geeft het hiervoor genoemde bedrag van € 250.338.

17.

Met betrekking tot de correctie verkoopopbrengst is verweerder uitgegaan van de onder 4. bedoelde taxatie en inventarislijst. In zijn verweerschrift vermeldt verweerder hierover:

“Volgens de mutaties in de grootboekrekeningen “Inventaris” die ik in de administratie van eiseres heb aangetroffen, bedroeg de opbrengst van de getaxeerde inventaris en de inventaris volgens inventarislijst gezamenlijk in totaal € 70.658. Zij heeft dit bedrag in rekening gebracht bij [F]. [F] heeft vervolgens de getaxeerde inventaris en de inventaris volgens de inventarislijst doorverkocht aan [J] BV, die op haar beurt alle bedrijfsmiddelen heeft doorverkocht aan de vennootschap die handelen onder de naam [a]. [a] heeft in verband met de bedrijfsmiddelen een herwaarderingsreserve gevormd van € 207.431 (€ 278.000 minus € 70.659). “.

Verweerder heeft, rekening houdend met een extra afschrijving over het jaar 2007, becijferd dat de verkochte activa een waarde in het economisch verkeer hebben die een factor 3,28 hoger is dan de verkoopopbrengst van € 70.659.

18.

Daarnaast heeft eiseres bedrijfsmiddelen verkocht aan andere vennootschappen uit de groep (bedragen exclusief omzetbelasting):

Aan [O]

€ 144.410 (factuur 30 mei 2007)

Aan [e]

€ 21.846 (factuur 30 mei 2007

Aan [F]

€ 45.575

Volgens tabel 2 van het rapport van het boekenonderzoek van verweerder en de daarbij gegeven toelichting komen de factuurbedragen van 30 mei 2007 overeen met de boekwaarden per 31 mei 2007.

19.

In zijn uitspraak op bezwaar van 6 juni 2013 concludeert verweerder dat de navorderingsaanslag in stand moet blijven omdat de bewijslast is omgekeerd vanwege het niet doen van de vereiste aangifte en eiseres volgens verweerder niet in haar bewijslast is geslaagd.

Geschil

20.

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht en tot het juiste bedrag de navorderingaanslag Vpb 2007 heeft opgelegd. Het geschil spitst zich in het bijzonder toe op de volgende vragen:

1.

Is de vereiste aangifte gedaan?

2.

Beschikt verweerder over een navordering rechtvaardigend nieuw feit?

3.

Heeft verweerder een redelijke schatting gedaan?

Ter zitting hebben partijen desgevraagd eenparig verklaard dat de over het jaar 2007 toegepaste verliesverrekening van € 2.516 niet in geschil is.

21.

Eiseres stelt dat zij wel degelijk de vereiste aangifte heeft gedaan. De aandeelhouders stellen dat zij in de veronderstelling waren dat zij een lege vennootschap aantroffen. Er was daarom geen bewustheid dat de aangifte Vpb 2007 onjuist zou zijn. Verder stelt eiseres dat er geen nieuw feit is dat navordering rechtvaardigt, omdat er met [d] niet alleen gesproken is over de aangifte Vpb 2005 en 2006 maar ook over de aangifte Vpb 2007. Verweerder had kunnen zien dat er geen balanscontinuïteit was en had een nader onderzoek moeten instellen bij de aanslagregeling over 2007. Voor zover een navorderingsaanslag aan de orde kan zijn heeft verweerder de correcties niet aannemelijk gemaakt. Het was volgens eiseres zakelijk dat er in het kader van de ontvlechting in 2007 geen huuropbrengst meer in aanmerking is genomen. Zo er huur in aanmerking genomen moet worden, dan is het bedrag volgens eiseres te hoog en moet worden aangesloten bij de na creditering over 2006 resterende huur van € 370.817, zoals ook door verweerder is geaccepteerd in de aangifte Vpb 2006. Ten aanzien van de verkoopopbrengst stelt eiseres dat niet vaststaat dat de getaxeerde inventaris, dezelfde is als de door eiseres overgedragen inventaris. Er is ten onrechte een factor 3,28 in aanmerking genomen op de gehele inventaris.

22.

Verweerder stelt dat niet de vereiste aangifte is gedaan omdat er huuropbrengsten over de vaste activa moeten zijn geweest en er ook een opbrengst bij vervreemding van de vaste activa moet zijn gerealiseerd. Volgens verweerder is er sprake van omkering van de bewijslast. De bevindingen bij het boekenonderzoek vormen volgens verweerder een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Verweerder betwist dat het overleg met [d] had moeten leiden tot een nader onderzoek bij de aanslagregeling over 2007. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de aanslag in redelijkheid heeft geschat. De onder 18. bedoelde bedrijfsmiddelen zijn soortgelijk aan de door [b] getaxeerde inventaris, zodat hierop volgens verweerder terecht ook de factor 3,28 is toegepast.

Beoordeling van het geschil

Nieuw feit

23.

De rechtbank zal eerst beoordelen of verweerder beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Vaststaat dat er in augustus 2009 contact is geweest tussen verweerder en de toenmalige gemachtigde van eiseres. Uitgaande van de juistheid van eiseres’ stelling dat daarbij ook is gesproken over de aangifte Vpb 2007 levert dat nog geen ambtelijk verzuim op dat thans aan navordering in de weg staat. De rechtbank overweegt dat eiseres in de bezwaarfase en aanvankelijk ook in de beroepsfase steeds het standpunt heeft ingenomen dat er in 2007 géén activa in haar als vennootschap aanwezig waren (en daarmee ook geen opbrengsten die daarmee samenhangen). Eerst in de loop van de onderhavige beroepsprocedure heeft eiseres erkend dat achteraf gebleken is dat er de eerste helft van 2007 wel degelijk activa zijn geweest. Gelet op dit standpunt acht de rechtbank niet aannemelijk dat verweerder naar aanleiding van de contacten tussen [d] en de voormalig adviseur van eiseres bij de aanslagregeling Vpb 2007 over zodanige aanwijzingen beschikte dat hij niet mocht afgaan op de juistheid van de verzorgd uitziende aangifte, zoals eiseres - naar zij stelt - zelf ook heeft gedaan (zie hieromtrent onder 25.). Meer in het bijzonder is de rechtbank van oordeel dat eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat [d] beschikte over danwel anderszins op de hoogte was van de onder 18. bedoelde facturen. Verweerder was aldus naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden tot het instellen van een nader onderzoek. De bij het boekenonderzoek naar voren gekomen informatie vormde een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

Vereiste aangifte

24.

Voorts dient de rechtbank te beoordelen of de informatie, die bij het boekenonderzoek is verkregen, leidt tot de conclusie dat over het jaar 2007 de vereiste aangifte niet is gedaan, zoals verweerder stelt en eiseres betwist. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

25.

Eiseres heeft ter zitting erkend dat er - tot aan de ontvlechting - in de eerste maanden van 2007 activa zijn geweest. De rechtbank stelt vast dat de tot de groep behorende vennootschappen in de eerste maanden van 2007, evenals in 2006, voor hun bedrijfsvoering gebruik hebben gemaakt van de activa die behoorden tot het ondernemingsvermogen van eiseres. Of hiervoor daadwerkelijk huur in rekening werd gebracht doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake nu gelieerde vennootschappen in hun onderlinge verhoudingen geacht worden ‘at arms length’ te handelen. Tussen zakelijk handelende partijen dient een reële gebruiksvergoeding in aanmerking te worden genomen. Dat er sprake was van een op handen zijnde ontvlechting maakt dit niet anders. Zelfs indien zou worden uitgegaan van door de door eiseres bepleite bedragen (gebaseerd op de huurvergoeding over 2006 na de correctieboekingen) is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zodanige opbrengsten dat de belasting hierover zowel absoluut als in vergelijking met de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk is. Wanneer eiseres zich hiervan bewust moet zijn geweest, leidt dit tot de conclusie dat de vereiste aangifte over het jaar 2007 niet is gedaan. De rechtbank oordeelt dat eiseres ten tijde van het doen van de aangifte zich redelijkerwijs ervan bewust moet zijn geweest dat deze aangifte onvolledig was en dat hierdoor aanzienlijke bedragen niet in de aangifte zijn vermeld. Eiseres dient aangifte te doen van de resultaten over haar volledige boekjaar. De facturen van 30 mei 2007 (bedoeld onder 18.) waren - naar [B] ter zitting heeft erkend - in elk geval in september 2007 bij hem bekend en vormden aanleiding voor nader contact met [g]. [B], als bestuurder van eiseres, had op dat moment redelijkerwijze moeten weten dat er in de eerste maanden van 2007 activa aanwezig waren. Bovendien volgde dit uit de administratie van eiseres, alsmede uit het feit dat deze activa werden gebruikt door de vennootschappen van de groep waartoe eiseres behoorde. Voor zover eiseres stelt dat zij niet over haar eigen boekhouding beschikte, omdat deze in het bezit zou zijn van haar voorgaande aandeelhouder(s), dient deze omstandigheid voor rekening en risico van eiseres te blijven. De rechtbank betrekt in dit oordeel dat overigens op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat eiseres pogingen heeft ondernomen de boekhouding te verkrijgen of deze te onderzoeken. Bij de overname van de aandelen in eiseres hebben [B] en [K] verklaard volledig bekend te zijn met de omvang en de samenstelling van het vermogen en hebben zij een due dilligence onderzoek niet nodig geacht.

Redelijke schatting

26.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat over 2007 niet de vereiste aangifte is gedaan in de zin van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Nu eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan, is verweerder bevoegd het belastbaar bedrag over 2007 in redelijkheid te schatten. Verweerder stelt dat hij dit heeft gedaan. Eiseres betwist dat sprake is van een redelijke schatting. De rechtbank overweegt het volgende. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gebruiksvergoeding voor de vaste activa terecht aansluiting gezocht bij de primair in 2006 in de administratie van eiseres geboekte huuropbrengsten. Ten aanzien van de interne creditering heeft [g] - naar verweerder onweersproken heeft gesteld - verklaard dat dit slechts is geschied uit fiscale overwegingen, zodat verweerder in redelijkheid kon uitgaan van de primaire boekingen over 2006 en deze tijdsevenredig over 2007 kon toepassen tot een bedrag van € 250.338. Eiseres heeft hiertegenover niets naar voren gebracht waaruit de conclusie moet worden getrokken dat de in aanmerking genomen bedragen niet in overeenstemming zijn met een zakelijke gebruiksvergoeding. Dat over 2006 alleen de gecrediteerde bedragen zijn aangegeven en in de belastingheffing zijn betrokken, maakt dit niet anders. Verweerder heeft vanwege het verstrijken van de navorderingstermijn afgezien van navordering over het jaar 2006, maar dit kan niet tot de conclusie leiden dat verweerder bewust het standpunt heeft ingenomen dat de huur ná creditering zakelijk is.

Met betrekking tot de in aanmerking genomen verkoopopbrengst is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op de inventarislijst en het taxatierapport van [b] in redelijkheid tot de conclusie mocht komen dat de aan [F] verkochte activa een waarde in het economisch verkeer hadden van € 258.350. Voor zover eiseres stelt dat het in de taxatie gaat om andere activa dan die zijn verkocht aan [F], ligt het naar het oordeel van de rechtbank op haar weg om van deze stelling een begin van bewijs bij te brengen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Ten aanzien van de onder 18. bedoelde verkopen aan [O], [e] en [F] is eveneens sprake van verkopen in gelieerde verhoudingen. De rechtbank acht het - met uitzondering van de kantoorinventaris - aannemelijk dat het om soortgelijke bedrijfsmiddelen gaat als begrepen in de taxatie van [b]. Eiseres heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gelet op de uitkomsten van deze taxatie mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het kader van deze schatting in redelijkheid aannemen dat de gefactureerde bedragen, die overeenkomen met de boekwaarde per 31 mei 2007, niet de waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigen. Voor zover eiseres heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met de oninbaarheid van de vorderingen (uit hoofde van de verhuur- en verkoopopbrengst) op de voormalige groepsmaatschappijen is de rechtbank van oordeel dat het gaat om het corrigeren van onzakelijke overwegingen die de winst niet mogen beïnvloeden. Bij het maken van een redelijke schatting van deze winst hoeft verweerder met een gestelde oninbaarheid - wat daar overigens voor het onderhavige jaar ook van zij – geen rekening te houden. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder, die de belastbare winst aldus heeft geschat op een bedrag van € 770.953 in redelijkheid bij de vaststelling van de navorderingsaanslag kon uitgaan van een geschat belastbaar bedrag van € 500.000.

27.

Nu eiseres de vereiste aangifte niet heeft gedaan, brengt het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de AWR, mee dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het ligt dan op de weg van eiseres om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. De rechtbank acht eiseres daarin niet geslaagd. De rechtbank zal het beroep tegen de navorderingsaanslag ongegrond verklaren.

Heffingsrente

28.

Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd met betrekking tot de beschikking heffingsrente. De rechtbank zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond verklaren. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat het bedrag van de heffingsrente het bedrag van de navorderingsaanslag volgt.

29.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. P.J. Tikken, in aanwezigheid van mr. L.S. Sadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2014

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.