Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3654

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
AWB-12_1581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOB-verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: 12/1581

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

het College van Bestuur van de Maastricht University, verweerder

(gemachtigde: mr. S.F.J. ten Hoeve-Lucassen).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder op een verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een deel van de gevraagde informatie verstrekt en de overige gevraagde documenten geweigerd.

Bij nader besluit van 28 juni 2012 heeft verweerder de overige gevraagde documenten alsnog gedeeltelijk verstrekt.

Bij besluit van 27 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft de geweigerde documenten aan de rechtbank overgelegd, waarbij de mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft beslist dat beperking van de kennisneming van die documenten gerechtvaardigd is. Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend om op grondslag daarvan uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Op de zitting zijn de zaken met de zaaknummers 12/1580, 12/581, 13/1545, 12/502, 12/1581, 12/844, 12/1049, 12/1347, 12/329, 12/339, 12/828 en 12/1752 gevoegd behandeld. Na de zitting is de behandeling van deze zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 21 september 2011 heeft eiseres op grond van de Wob verzocht om informatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid en vijfde lid, van het Dierproevenbesluit en een afschrift van de aangevraagde vergunningen in het kader van de Wet op de Dierproeven (Wdp), alsmede de bij de aanvraag behorende bijlagen en de besluiten op de bijlagen over het jaar 2011. Verweerder heeft bij het primaire besluit het jaarverslag van de Dier Experimenten Commissie (DEC) van de Universiteit Maastricht verstrekt. De in dat verslag weergegeven protocolnummers zijn door verweerder niet openbaar gemaakt op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, van de Wob en de in het jaarverslag voorkomende namen zijn op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob weggelakt. Mede naar aanleiding van een zienswijze van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) is op grond van artikel 10, tweede lid, onder f, van de Wob geweigerd de overige documenten openbaar te maken, omdat die nog niet door de NVWA getoetst zijn.

Bij het nadere besluit van 28 juni 2012 zijn deze inmiddels door de NVWA geaccordeerde documenten alsnog gedeeltelijk verstrekt. De in die documenten voorkomende deelnemernummers en aanduidingen van organisatorische eenheden zijn niet openbaar gemaakt op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Voorts is op registratieformulier 5 kolom 14 (protocolnummers/onderzoeksplan) op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, van de Wob weggelakt omdat de nummeraanduiding van de onderzoeksplannen kan worden gekoppeld aan de vraagstelling en daarmee aan onderzoekers en/of derden. Tevens is de informatie in kolom 15 (aanduiding locatie) van registratieformulier 5 geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob, omdat dit onevenredig nadeel oplevert voor de onderzoekers en derden, mede gelet op het belang dat verweerder een veilige werkplek garandeert. In het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard na advies van de bezwaarschriftencommissie. Verweerder heeft hierbij nog aangevuld dat protocolnummers, deelnemernummers en organisatorische eenheden via het interne systeem te koppelen zijn aan personen. Nu tot dit systeem medewerkers, onderzoekers en onderzoeksassistenten toegang hebben dienen deze gegevens geweigerd te worden, aldus verweerder.

2.

Eiseres heeft betoogd dat verweerder op ondeugdelijke gronden heeft geweigerd de protocolnummers die in het jaarverslag staan vermeld openbaar te maken. Hij wijst er daarbij op dat verweerder naar aanleiding van een separaat verzoek een afschrift van alle onderzoeksprotocollen heeft verstrekt, met weglakking van nummers en persoonsnamen, waaruit volgens eiseres kan worden afgeleid dat verweerder er zelf van uit gaat dat de namen van de onderzoeken niet tot de personen die het onderzoek uitvoeren te herleiden zijn.

3.

De rechtbank stelt na kennisneming van de onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb overlegde stukken, vast dat de protocolnummers, die betrekking hebben op onderzoeksaanvragen staan weergegeven in de tabellen van de jaarverslagen van de DEC.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten aanzien van deze nummers niet aannemelijk gemaakt dat, of op welke wijze, aan de hand daarvan informatie over de onderliggende aanvragen of onderzoeken kan worden achterhaald en evenmin dat met deze nummers identificatie van bij dierproeven betrokken personen kan plaatsvinden. De in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob genoemde uitzonderingsgronden doen zich derhalve reeds daarom niet voor. Verweerder heeft de weigering naar het oordeel van de rechtbank evenmin kunnen baseren op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wob, nu de NVWA als geadresseerde ten tijde van belang reeds kennis heeft kunnen nemen van de onderhavige documenten. Verweerder heeft derhalve de protocolnummers uit het jaarverslag ten onrechte niet openbaar gemaakt, zodat het betoog van eiseres slaagt.

4.

Om dezelfde reden slaagt het betoog van eiseres dat verweerder op onjuiste gronden de gegevens over de onderzoeksplannen en protocolnummers in de bij het nadere besluit van 28 juni 2012 overgelegde registratieformulier “Dierproeven, Registratiejaar 2011”, kolom 14, heeft geweigerd. Ook de in kolom 14 van dat formulier weergegeven protocolnummers heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet openbaar gemaakt.

5.

Ten aanzien van de registratieformulieren heeft eiseres verder aangevoerd dat het deelnemernummer en de aanduiding van de organisatorische werkeenheid ten onrechte met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob zijn geweigerd.

6.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, slechts die gegevens zijn, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden zodanige bedrijfsgegevens zijn. Verder dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd.

7.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat deelnemernummers of de naam dan wel aanduiding van een organisatorische werkeenheid als een bedrijfs- of fabricagegegeven in voormelde zin valt aan te merken. Ook deze beroepsgrond van eiseres

slaagt.

Zoals de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak tussen partijen met procedurenummer AWB 12/502, valt niet in te zien dat ten aanzien van de deelnemernummers en de deelnemergegevens die betrekking hebben op de vergunninghouder, zijnde de naam en postadres van verweerders universiteit, de belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef onder e en g, van de Wob zich voordoen. Voor zover de deelnemergegevens op de vergunninghouder betrekking hebben is verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook gehouden de gegevens alsnog te verstrekken.

Ten aanzien van deelnemergegevens die betrekking hebben op namen en (adres)gegevens van organisatorische werkeenheden en derden ten behoeve waarvan verweerders universiteit onderzoek verricht, kunnen zich de belangen als genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef onder e en g, van de Wob wel voordoen, zoals de rechtbank in voormelde uitspraak heeft overwogen.

8.

De rechtbank stelt vast dat op de onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb overlegde formulieren 3a en 3b uitsluitend het deelnemernummer en de naam van de vergunninghouder als deelnemergegevens staan weergegeven. Verweerder heeft die gegevens ten onrechte niet openbaar gemaakt.

Op het zich onder de vertrouwelijke stukken bevindende formulier 3c en het formulier “DIERPROEVEN, Registratiejaar 2011”, door partijen aangeduid als formulier 5, staan geen deelnemergegevens vermeld. De rechtbank gaat er van uit, dat op de aan de NVWA verstrekte formulieren wel deelnemergegevens vermeld zijn en dat verweerder abusievelijk deze gegevens niet heeft overgelegd.

De rechtbank kan derhalve niet nagaan of de deelnemergegevens, niet zijnde deelnemernummers, die op de formulieren 3c en 5 kennelijk zijn weggelakt, betrekking hebben op de vergunninghouder dan wel op organisatorische werkeenheden of derden.

Verweerder zal zich in een nieuw te nemen besluit daarover dienen uit te laten.

9.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de locatie op basis van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob onleesbaar heeft gemaakt. Zij stelt dat in veel gevallen dit de Centrale Proefdier Voorziening van de Universiteit Maastricht betreft, ten aanzien waarvan geen enkele reden bestaat om de naam van deze afdeling geheim te houden.

10.

De rechtbank stelt vast dat de locatiegegevens waar eiseres op doelt de gegevens in kolom 15 van registratieformulier 5 betreffen. De rechtbank stelt verder vast dat de in die kolom weergegeven informatie, anders dan eiseres stelt, geen betrekking heeft op de Centrale Proefdier Voorziening. De stelling van eiseres mist feitelijke grondslag, zodat deze beroepsgrond faalt.

11.

Aan het betoog van eiseres dat verweerder met het bestreden besluit niet alleen de Wob heeft geschonden, maar ook in strijd met de door hem onderschreven Code Openheid Dierproeven heeft gehandeld, gaat de rechtbank voorbij, reeds omdat deze stelling niet door eiseres is onderbouwd.

12.

Eiseres heeft in het beroepschrift nog aangevoerd dat verweerder in het primaire besluit op onjuiste gronden documenten heeft verwijderd. Verweerder heeft die stukken bij het nadere besluit alsnog verstrekt. Volgens eiseres is verweerder daarmee in zoverre tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres en had zij een vergoeding van de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten moeten toekennen.

Nu uit de voorgaande overwegingen volgt dat het beroep van eiseres gegrond is, en verweerder alsnog bepaalde gegevens openbaar zal moeten maken, zal hij reeds daarom tevens tot vergoeding van de door eiseres in bezwaar gemaakte kosten dienen over te gaan. De vragen of verweerder de bij het nadere besluit verstrekte gegevens aanvankelijk ten onrechte heeft geweigerd en of het alsnog verstrekken van deze gegevens als een tegemoetkoming aan het bezwaar van eiseres heeft te gelden, behoeven naar het oordeel van de rechtbank daarom geen bespreking meer.

13.

Gelet op al het voorgaande is het beroep gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen en zal daarbij alsnog de navolgende informatie openbaar moeten maken:

- de protocolnummers die staan vermeld in kolom 14 van het formulier dierproeven en in de tabellen van het jaarverslag van de DEC over 2011;

- de deelnemernummers;

- de deelnemergegevens die betrekking hebben op de vergunninghouder.

Voorts dient verweerder te motiveren, indien en voor zover op de registratieformulieren deelnemergegevens staan vermeld die niet op de vergunninghouder betrekking hebben, of deze op een andere grond dan artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, niet openbaar dienen te worden gemaakt. Verweerder zal voorts de door eiseres in bezwaar gemaakte (en eventueel nog te maken) kosten dienen te vergoeden.

Nu de nieuwe beslissing verdergaande openbaarmaking van de verzochte documenten zal inhouden en dit op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Wob gepaard dient te gaan met gelijktijdige verstrekking van deze gegevens, ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1) aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Verder dient toepassing te worden gegeven aan artikel 8:74 van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de protocolnummers, de

deelnemernummers, en de deelnemergegevens die betrekking hebben op de vergunninghouder zijn geweigerd;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen in rechtsoverweging 13;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep ten bedrage van € 974;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 156 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, en mr. G.W.B. Heijmans en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.