Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3641

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
05/820242-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke gevangenisstraf voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/820242-14

Datum zitting : 28 mei 2014

Datum uitspraak : 11 juni 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

raadsman : mr. R.P.A. Kint, advocaat te Almere.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 mei 2013 te Biddinghuizen, gemeente Dronten, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer]

voornoemd met benzine, in elk geval een brandbare vloeistof,

overgoten/bespoten en (vervolgens) tegen een muur gedrukt/geklemd (gehouden)

en/of (daarbij) deze [slachtoffer] dreigend heeft toegevoegd: "dat het hem niks kon schelen als die [slachtoffer] hier dood aan zou gaan omdat

hijzelf al heel lang doodgaat door die [slachtoffer]", en/of "ik ga je helpen, door jouw schuld kan ik mijn dochter niet meer zien",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 28 mei 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.P.A. Kint, advocaat te Almere.

De officier van justitie, mr. A.M. Vloedbeld, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 mei 2013 heeft verdachte [slachtoffer] met benzine bespoten, deze vervolgens tegen een muur gedrukt/geklemd en hem gezegd dat het hem niets kon schelen omdat hij zelf al heel lang doodgaat door die [slachtoffer].2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] wilde bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Hij wilde hem alleen bang maken.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij zich op 6 mei 2013 thuis bevond, te Biddinghuizen. Hij verklaarde dat verdachte op enig moment bij hem voor de deur stond, dat hij de deur open deed en verdachte van achter zijn rug een spuitflesje tevoorschijn haalde en meteen een vloeistof, die naar brandstof rook, over hem heen spoot.3 Hij verklaarde verder: ‘Ik riep tegen hem: Doe dat niet, ik heb longproblemen. Ik kan daar dood van gaan. Ik heb namelijk longemfyseem en zware astma. Ik krijg het heel snel benauwd. Ik hoorde [verdachte] zeggen: Dat kan mij niks schelen, want ik ga al heel lang dood door jou. […] Vervolgens drukte [verdachte] mij onder de trap tegen de muur. Dit deed hij door met zijn linker onderarm tegen mijn keel aan te drukken en mij tegen de muur klem te zetten. hierdoor kon ik amper ademen. Dit heb ik ook tegen hem gezegd. Op dat moment zei hij: Ik ga je helpen. […] Ik hoorde hem ook zeggen: Door jouw schuld kan ik mijn dochter niet meer zien’.4

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) bij haar voor de deur zag staan en dat zij zag dat [verdachte] een dop van een plantenspuit haalde en de inhoud hiervan tegen de buurman aangooide en dat zij hierna een benzinegeur rook.5

De rechtbank overweegt dat bij een persoon over wie opzettelijk benzine wordt gegooid, de vrees kan worden opgewekt dat hij of zij zwaar zal worden mishandeld dan wel het leven zal laten. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat benzine in combinatie met een ontstekingsbron, zoals een aansteker, voldoende kan zijn om de benzine in brand te zetten. Als dit daadwerkelijk gebeurt, dan bestaat de kans dat dit zwaar lichamelijk letsel dan wel de dood ten gevolge heeft. Daarbij wist [slachtoffer] dat verdachte rookte en altijd een aansteker bij zich had.6 De aansteker is bij verdachte ook aangetroffen.7

In deze zaak speelt daarbij voorts een rol dat verdachte de opmerking maakte ‘dat het hem niks kon schelen als die [slachtoffer] hier dood aan zou gaan’.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande dan ook van oordeel dat verdachte aangever opzettelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 06 mei 2013 te Biddinghuizen, gemeente Dronten, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer]

voornoemd met benzine, in elk geval een brandbare vloeistof, overgoten/bespoten en (vervolgens) tegen een muur gedrukt/geklemd (gehouden) en (daarbij) deze [slachtoffer] dreigend heeft toegevoegd: "dat het hem niks kon schelen als die [slachtoffer] hier dood aan zou gaan omdat hijzelf al heel lang doodgaat door die [slachtoffer]", en "ik ga je helpen, door jouw schuld kan ik mijn dochter niet meer zien",

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling, een meldplicht, middelencontrole en aanwijzingen met betrekking tot zijn gedrag, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen kleding van [slachtoffer] aan hem zal worden teruggegeven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is. Hoewel de verdediging zich kan vinden in een voorwaardelijke straf is zij van mening dat een gevangenisstraf van 8 maanden onvoldoende recht doet aan de persoon van de verdachte, nu er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De verdediging is van mening dat de proeftijd maximaal twee jaar moet zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 22 april 2014; en

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 31 oktober 2013, betreffende verdachte;

 een psychiatrisch rapport van drs. [psychiater], psychiater, gedateerd 15 september 2013.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een oude bekende van hem met benzine overgoten/bespoten en daarbij gezegd dat het hem niets uit zou maken als het slachtoffer dood zou gaan. Iemand bedreigen op een dergelijke manier, is een ernstig feit. Het slachtoffer heeft doodsangsten uitgestaan en voelt zich nog steeds niet helemaal veilig. Voor de afdoening van de onderhavige zaak is in beginsel een gevangenisstraf van lange duur passend en geboden is.

De rechtbank houdt echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte wordt als verminderd toerekeningsvatbaar gezien en is inmiddels gestart met behandelingen die gericht zijn op zijn verslavingsproblematiek en zijn persoonlijkheidsstoornis. Gelet hierop zal de rechtbank een gehéél voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen. Daaraan zal een proeftijd van 3 jaren worden gekoppeld. De duur van deze proeftijd is ingegeven door het feit dat verdachte al lange tijd psychische problemen heeft en een stok achter de deur van lange duur noodzakelijk is.

Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals die staan beschreven in het reclasseringsrapport. De rechtbank acht het van belang dat verdachte de ingezette behandelingen gericht op zijn verslavingsproblematiek en zijn persoonlijkheidsstoornis voortzet en zich onthoudt van het gebruik van alcohol.

De rechtbank komt aldus tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie. Daarbij speelt mede een rol dat de rechtbank de aan verdachte op te leggen (voorwaardelijke) gevangenisstraf meer in lijn acht met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven kleding toebehoort aan het slachtoffer [slachtoffer] en aan hem zal moeten worden teruggegeven.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 629,13.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot betaling van het bedrag van € 629,13 toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering van [slachtoffer] weersproken. De benadeelde partij zou zijn schoenen en kleding ook kunnen laten herstellen in plaats van een schadevergoeding te vorderen voor een nieuw paar schoenen en kleding.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht de vordering voor wat betreft de materiële schade - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar. De vordering van € 104,14 zal dan ook worden toegewezen. Overwogen wordt dat het laten herstellen van de kleding en schoenen als dat al mogelijk zou zijn- niet (veel) goedkoper zal zijn dan de door [slachtoffer] gevorderde schade voor nieuwe schoenen en kleding.

Aan immateriële schade zal de rechtbank een bedrag van € 300,- toekennen, gelet op vergoedingen die worden toegekend in vergelijkbare zaken.

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich binnen één werkdag volgend op de datum van het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de reclassering, Midden Nederland, op het adres: De Meent 4, 8224 BR te Lelystad;

5. zich gedurende de proeftijd van drie jaar op dag(en)- en tijdstip(pen) zal blijven melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

6. zich onder behandeling zal stellen van Justact (of een soortgelijke instelling) zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die reclassering/behandelinstelling aan te geven;

7. zich gedurende de proeftijd van drie jaren zal onthouden van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek, voor zover en zolang door de reclassering noodzakelijk wordt geacht.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht in geval van de tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Heft op het -inmiddels geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven kleding aan de rechthebbende.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 404,13 (vierhonderdvier euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 404, 13 (vierhonderdvier euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en mr. Y. van Wezel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Flevoland, recherche Dronten, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2013032640, gesloten op 7 mei 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2014.

3 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 31, 1e t/m 10e regel.

4 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 31.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 33, 25-31e regel en 33e regel.

6 Proces-verbaal aangifte, p.29

7 Kennisgeving van inbeslagneming, p.39