Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3521

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
2195645 BB 13-4414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding voor extra uren mentor. Bij forfaitair beloningssysteem behoort bandbreedte, waarbinnen geen vergoeding boven LOVCK-tarief wordt toegekend. Een, weinig tijd kostend incident behoort tot standaardtakenpakket mentor. Werkzaamheden behorend tot de taak van de bewindvoerder niet vergoed. Zorgoverleg ter plaatse (3 maal per jaar), alsmede maandelijkse telefonische zorgpoverleggen behoort tot de normale taak van de mentor: geen extra vergoeding. De extra tijd die het heeft gekost om de betrokkene - die tijdens een zorgoverleg zijn zelfbeheersing verloor – te kalmeren wordt met 1 uur extra vergoed. Het tijdschrijven op zich wordt vergoed tot een maximum van 90 minuten per jaar. Extra reistijd en –kosten wegens verhuizing van mentor naar verder weg gelegen plaats komt voor rekening van de mentor. Extra vergoeding voor voorbereiding en mondelinge behandeling hoger beroep tegen eerdere beschikking inzake beloning gemaximeerd op 6 uur. Bespreking van twee suïcide- pogingen tijdens twee telefonische zorgoverleggen vergoed met de meerdere tijd die deze twee overleggen hebben gelost ten opzichte van een regulier zorgoverleg: 20 minuten. Telefonisch overleg en een extra bezoek aan betrokkene in verband met een crisisopname in GGZ – instelling, inclusief reisduur integraal vergoed (215 minuten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team bewind & erfrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 2195645 BB 13-4414

beschikking van de kantonrechter d.d. 23 mei 2014

op het verzoek van

[Verzoeker]

Postadres: [adres],

als mentor van

[rechthebbende], geboren [geboortedatum],

wonende [adres 2],

hierna te noemen: rechthebbende.



De procedure

De gang van de procedure blijkt uit het volgende:

  • -

    de brief van 18 juli 2013 van verzoeker;

  • -

    de brief van 16 oktober 2013 met bijlagen van verzoeker;

  • -

    de brief, gedateerd 6 oktober 2014, maar ontvangen op 8 januari 2014 met bijlagen van verzoeker;

  • -

    de brief van 1 april 2014 met bijlage van verzoeker;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 14 april 2014;

De feiten

Bij beschikking van 7 december 2005 is verzoeker door de kantonrechter te Enschede benoemd tot mentor van [rechthebbende].

De beloning van verzoeker als mentor is over het jaar 2012 in laatste instantie vastgesteld door het gerechtshof te Arnhem bij zijn beschikking van 10 oktober 2013.

Overwegingen

1.

In zijn brief van18 juli 2013 heeft verzoeker verzocht zijn beloning over 2013 – met inachtneming van de te verwachten uitspraak van gerechtshof Arnhem – vast te stellen op 42,95 uren tegen een uurtarief van € 55,50 exclusief BTW en de bijkomende kosten.
Met kosten bedoelt verzoeker kennelijk de kilometerkosten, aangezien dat de enige kostensoort is die voorkomt in zijn “declaratie kosten mentorschap 2013”, bijlage bij zijn brief van 16 oktober 2013.

2.

Bij de beoordeling van een verzoek om beloning van mentorwerkzaamheden neemt de kantonrechter als uitgangspunt de Aanbevelingen mentorschap van het LOVCK.
Daarnaast betrekt de kantonrechter de uitspraak van het gerechtshof in zijn overwegingen en gaat hij – hieronder - na welke maatstaven het gerechtshof voor zijn beoordeling heeft aangelegd.

3.

In punt 5.2. verwijst het hof naar de Aanbevelingen en de daarin opgenomen beloning voor professionele mentoren van “maximaal € 881,50 (inclusief onkosten en exclusief eventuele BTW) over 2012, ongeacht het aantal gewerkte uren.”

4.

De kantonrechter constateert dat het hof ook de beloning genoemd in de Aanbevelingen als uitgangspunt neemt.

5.

Het valt de kantonrechter op dat het hof de jaarbeloning noemt en daarbij spreekt van “ongeacht het aantal gewerkte uren”.
In punt 6 van de Aanbevelingen is echter opgenomen: “In verband daarmee meent het LOVCK dat met ingang van 2011 moet worden aangenomen dat een mentorschap voor een gemiddeld efficiënt werkend professional (…) gemiddeld 16 uur werk per jaar kost.”
In punt 5.3. van zijn beschikking vermeldt het hof: “Het forfait van het LOVCK is gebaseerd op gemiddeld 16 uur per dossier.”
In het licht hiervan beschouwt de kantonrechter eerst genoemd citaat uit de beschikking van het hof “ongeacht het aantal gewerkte uren” als een verschrijving.

6.

In punt 5.3 van zijn uitspraak beschrijft het hof in grote lijnen het forfaitaire vergoedingssysteem van de Aanbevelingen en constateert het dat “de werkzaamheden in 2012 bovengemiddeld < waren > en is het geenszins redelijk indien volstaan wordt met een vergoeding van het forfaitaire bedrag.”.

7.

In punt 5.4. overweegt het hof dat er aanleiding is voor toekenning van een extra vergoeding over 2012.
Het hof acht aannemelijk dat de belangenbehartiging de mentor in 2012 “veel meer werkzaamheden met zich heeft gebracht dan gebruikelijk, zodat het forfait van het LOVCK van 16 uur per jaar per dossier in onderhavige zaak onvoldoende is.”
Na globale opsomming van voorbeelden van het meerdere werk besluit het hof, dat er voldoende aanleiding bestaat – zakelijk samen gevat – het verzochte aantal van 60 uur tegen een uurtarief van € 55,- exclusief BTW en kosten als professioneel mentor toe te wijzen.

8.

Het valt de kantonrechter op dat het hof geen overweging heeft geweid aan de maatstaven die in de afgelopen jaren in verschillende, op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken van kantonrechters zijn ontwikkeld voor de beoordeling van de verzoeken om extra vergoeding boven de forfaitaire beloningen van professionele bewindvoerders, curatoren en mentoren.


Daarom acht de kantonrechter zich vrij om het verzoek om vergoeding van de gedeclareerde uren en kosten te beoordelen op de wijze die gebruikelijk is bij dit soort verzoeken.

9.

In de eerste plaats overweegt de kantonrechter dat de beloning volgens de Aanbevelingen een forfaitaire is.
De Aanbevelingen mentorschap (punt 3) vermelden daaromtrent:
“Voor een forfaitaire beloning is gekozen omdat de mentor bij een cliëntenbestand van voldoende omvang zijn werkwijze zal stroomlijnen. Bij voorbeeld kunnen efficiëncyvoordelen worden behaald door op dezelfde dag plannen van de zorgplanbesprekingen betreffende cliënten die bij dezelfde instelling wonen. Bij een groter aantal cliënten leert de ervaring dat in een bepaald jaar sommige cliënten weinig aandacht vragen en andere veel. Met een gemiddeld tarief per cliënt levert dat een aanvaardbaar inkomen op. Het forfaitaire beloningssysteem houdt in dat het niet nodig is om de bestede uren te specificeren en te verantwoorden.”.

Uit dit citaat leidt de kantonrechter af dat het in het forfaitaire beloningssysteem gaat om een beloning voor een gemiddeld zware zaak. De term “gemiddeld” impliceert dat rekening wordt gehouden met het verschijnsel dat in een mentorschapspraktijk sprake is van lichtere en zwaardere dossiers.
Tegenover een dossier dat meer dan gemiddeld bewerkelijk is, staat er een dat in dezelfde mate minder bewerkelijk is. Concreet - bij wijze van voorbeeld - : tegenover een dossier dat 18 uur werk op jaarbasis kost, is in de gemiddelde mentorschapspraktijk een dossier aanwezig dat slechts 14 uur werk per jaar kost.
Het forfaitaire beloningssysteem brengt mee dat de twee uur die het bewerkelijke dossier in dit voorbeeld meer kost dan het aantal van 16 uur, genoemd in de Aanbevelingen, niet voor extra vergoeding in aanmerking komt.
Het forfaitaire systeem kan alleen werken als rekening wordt gehouden met een bandbreedte rond het gemiddeld aantal uren van 16 uur werkzaamheden per jaar.
De kantonrechter pleegt – in redelijkheid - een bandbreedte van 25% aan te houden, zodat extra uren pas voor extra beloning in aanmerking komen als er meer dan 20 uur in een dossier wordt gewerkt.

Met andere woorden: van een groot aantal gedeclareerde uren worden de eerste 16 uur vergoed met de forfaitaire beloning; worden de uren tussen 16 en 20 niet apart beloond wegens het forfaitaire karakter van de jaarbeloning en komen de uren besteed boven het aantal van 20 per jaar in beginsel voor extra beloning in aanmerking.

Om deze reden zal de kantonrechter 4 van de gedeclareerde uren niet voor beloning in aanmerking laten komen.

10.

Voor het vervolg van de beoordeling van de gedeclareerde uren maakt de kantonrechter onderscheid tussen de normale taakuitoefening van de mentor – waarvoor de forfaitaire vergoeding in het leven is geroepen – en de bijkomende werkzaamheden.

11.

Dat sluit aan bij het verzoekschrift van 18 juli 2013, waarin de mentor opmerkt dat geen sprake is van “een regulier mentorschap, waarvoor de forfaitaire vergoeding toereikend is” (brief van 18 juli 2013, pag 2 bovenaan.).
Als voorbeelden noemt de mentor:
* toename en ernst problemen en verzet tegen behandeling en begeleiding na zorgoverleg 6 maart 2013;
* frequente suïcidepogingen;
* inschakeling psychiater in verband met gedragsproblemen en suïcidepoging;
* spanningen rond hoger beroepsprocedure.

Bij zijn brief, ontvangen op 8 januari 2014 heeft de mentor geen nieuwe onderwerpen toegevoegd, maar wel zijn tijdschrijflijst over 2013 gevoegd. Uit de daarop gemelde tijdbestedingen heeft de kantonrechter de noteringen gedestilleerd die verband houden met incidenten die niet zijn op te vatten als aanleidingen voor het uitvoeren van werkzaamheden die door middel van de forfaitaire beloning plegen te worden vergoed. Laatstgenoemde categorie werkzaamheden zijn immers al vergoed met de forfaitaire beloning.

Ook weegt de kantonrechter mee hetgeen de mentor heeft verklaard op de mondelinge behandeling op 14 april 2014. Zakelijk samengevat heeft de mentor daar verklaard, dat hij in 2013 beduidend minder vaak naar zijn cliënt is geweest, maar dat het in maart 2013 ernstig was. Hij is toen bij zijn cliënt op bezoek geweest en hij heeft dat gecombineerd met de bespreking van het zorgplan. Tevens heeft hij toen met de psychiater naar de medicatie gekeken. In maart, juli en oktober heeft hij cliënt bezocht.
Overigens had de mentor in 2013 75 mentorschappen.

12.

Bij dit alles heeft de kantonrechter op grond van artikel 1:460, tweede lid, BW bij de vaststelling van de beloning mede de financiële draagkracht van betrokkene in aanmerking genomen. Daarbij is hij ervan uitgegaan dat die draagkracht zodanig laag is dat de betrokkenen die kosten van het mentorschap niet zelf kan dragen, maar kennelijk in aanmerking komt voor bijzondere bijstand in verband met de beloning. Dat vertaalt zich naar de mening van de kantonrechter in een beoordeling die zwaar gewicht toekent aan zijn redelijke inschatting van de objectieve noodzaak van de tijdbesteding, die wordt gedeclareerd.

13.

In chronologische volgorde valt als eerste op de tijd die de mentor schrijft in verband met het aanvragen van bijzondere bijstand. De betrokkene heeft een beschermingsbewindvoerder, zodat deze, als wettelijke vertegenwoordiger van de financiële belangen van betrokkene, exclusief bevoegd is om bijzondere bijstand aan te vragen.
Op 4 januari schrijft de mentor tijd in verband met “indienen aanvraag bijzondere bijstand 2013”. Vervolgens wordt voor contacten over dit onderwerp met de gemeente Lochem of de bewindvoerder op 21 januari, 1 februari, 25 maart, 11 en 17 oktober, 25 november en 11 december in totaal 130 minuten geschreven. Dat is meer dan 2 uur voor iets dat tot de exclusieve taak van de bewindvoerder behoort.

De kantonrechter acht redelijkerwijs deze 130 minuten niet in aanmerking komen voor beloning, omdat er objectief gezien geen noodzaak is dat de mentor deze werkzaamheden verricht.

14.

Daarnaast heeft de mentor tijd geschreven voor het opstellen van de tijdschrijflijsten. Omdat de Aanbevelingen van het LOVCK aangeven dat voor het aanvragen van extra beloning moet worden verantwoord hoe alle uren – inclusief de eerste 16 + bandbreedte van 4 = 20 uur – zijn besteed, is het redelijk dat daarvoor een vergoeding voor de mentor ten laste van rechthebbende wordt vastgesteld.
Op 1 januari, 15 juli, 17 oktober, 19 en 22 november en 10 december is in dit verband in totaal 150 minuten geschreven.
In redelijkheid is de kantonrechter van oordeel dat een efficiënt werkend mentor voor deze activiteit 90 minuten nodig heeft en daarom komt dit aantal minuten voorvergoeding in aanmerking. De overige minuten zullen niet worden vergoed.

15.

Hierna zal de kantonrechter de incidenten onderzoeken die blijken uit de tijdschrijflijst 2013. Daarbij zullen twee vragen centraal staan: (1) behoort de activiteit tot de normale werkzaamheden van een mentor, die met de forfaitaire beloning plegen te worden vergoed, en (2) is redelijkerwijs aannemelijk dat voor een gemiddeld efficiënt werkend mentor de geschreven tijd noodzakelijk is om de beschreven activiteit te verrichten.

16.

Op 18 en 24 februari heeft de mentor bij elkaar 40 minuten geschreven in verband met een telefonische klacht van betrokkene over een zekere [X]. De mentor heeft zijn gesprek in twee telefoongesprekken, waarvan een met [X], afgehandeld.

Voor een eerste incident in het boekjaar acht de kantonrechter dit te behoren voor de normale taakuitoefening van een mentor. Gelet op de korte duur van het aanhoren van de klacht en de afdoening behoort dit tot de normale taakuitoefening van een mentor. De vergoeding voor deze activiteit is onderdeel van de forfaitaire vergoeding.

17.

Op 6 maart 2013 heeft een zorgoverleg plaatsgevonden, waarbij naast de mentor ook zijn cliënt aanwezig is geweest. In de marge van dit overleg heeft de mentor nog een vervolgoverleg gehad waarbij zijn cliënt ook aanwezig was. De cliënt werd daarbij emotioneel. Inclusief de voorbereiding en een telefoontje met “[X]” en de reistijd wordt 295 minuten geschreven. In dit aantal minuten is begrepen een hoeveelheid van 75 minuten voor reistijd, zodat voor inhoudelijk werk 3 uur en 40 minuten resteert.

De kantonrechter overweegt dat dit zorgoverleg één van de drie zorgoverleggen in 2013 is geweest, waarbij de mentor aanwezig is geweest. Dergelijke overleggen behoren tot de normale werkzaamheden van een mentor.
Buiten het normale valt de omstandigheid dat de cliënt zijn zelfbeheersing verloor tijdens de nabespreking. Gelet op de toelichting die de mentor bij de mondelinge behandeling heeft gegeven, is aannemelijk dat in verband met deze toestand van de cliënt, zowel de voorbespreking, het zorgoverleg en de nabespreking en de afhandeling meer tijd heeft gekost dan gebruikelijk. In verband daarmee zal de kantonrechter in redelijkheid een vergoeding voor 60 minuten boven de forfaitaire beloning toestaan.



Ten aanzien van de post reistijd overweegt de kantonrechter dat de mentor in 2012 is verhuisd van Apeldoorn naar Woerden. De daarmee verband houdende extra reistijd kan, gelet op artikel 1:460, tweede lid BW, niet ten laste van betrokkene in rekening worden gebracht. Dit klemt te meer daar betrokkene in verband met zijn geringe draagkracht voor de vergoeding van de mentor is aangewezen op de bijzondere bijstand.
Uitgaande van de door de griffie met behulp van de routeplanner berekende afstand van de oude woonplaats van de mentor naar het verblijfadres van betrokkene (naar boven afgerond 54 km retour) acht de kantonrechter het verschil tussen deze 54 km en de gedeclareerde 125 km niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor deze 54 km geldt, dat deze plegen te worden vergoed door de forfaitaire kostencomponent die is besloten in de forfaitaire vergoeding.

18.

Op 9 april, 9 juli, 7 augustus, 15 september, 10 oktober, 11 november en 19 december heeft de mentor tijd geschreven voor telefonische zorgoverleggen.

Deze reguliere overleggen behoren tot de normale taak van een mentor, waarvoor de forfaitaire vergoeding afdoende beloning is.

19.

Op 11 juli 2013 heeft de mondelinge behandeling plaats gevonden van het hoger beroep dat de mentor heeft ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in Zutphen van 16 november 2012 betreffende zijn beloning over 2012.
In verband met overleg over de aanwezigheid van betrokkene op deze zitting, waarvoor deze was uitgenodigd, met de advocate, de voorbereiding, de reistijd, de zitting, diverse nabesprekingen en het telefoon- en e-mailverkeer heeft de mentor in de periode van 28 juni tot en met 11 juli in totaal 395 minuten geschreven.

In redelijkheid kent de kantonrechter voor deze activiteiten een extra beloning voor 360 minuten toe.

20.

Tijdens het actuele telefonische zorgoverleg op 23 augustus 2013 is besproken dat betrokkene was opgenomen in een ziekenhuis nadat hij een overdosis paracetamol had genomen. Blijkens de tijdschrijflijst heeft dit incident de duur van het reguliere overleg met 15 minuten verlengd (40 minuten in plaats van het actuele zorgoverleg op 7 augustus : 25 minuten).
Tijdens het actuele telefonische zorgoverleg op 15 september komt een nieuwe ziekenhuisopname aan de orde wegens het slikken van een overdosis Ibuprofen. Overigens blijkt niet van extra tijd die is geschreven in verband met dit incident.
Dit overleg duurt 30 minuten tegenover meestal 25 minuten tijdens andere actuele zorgoverleggen.

Voor de bespreking van deze beide kennelijke tentamen suïcides kent de kantonrechter extra beloning toe voor 20 minuten.

21.

In verband met een crisisopname binnen LVGGZ heeft de mentor op 16, 21 en 28 oktober en 1 november tijd geschreven voor diverse telefonische overleggen en een bezoek aan betrokkene. In totaal gaat het om 175 minuten besprekingen en bezoek en 40 minuten reistijd. Betrokkene is in die tijd overgeplaatst naar GGNet.

22.

De kantonrechter acht de 175 minuten zonder meer in aanmerking komen voor extra beloning. Ook de extra reistijd is – in het licht van het hiervoor onder punt 17 overwogene – aanvaardbaar.
Extra beloning voor 215 minuten zal daarom worden toegekend.

23.

Met betrekking tot de overige posten is de kantonrechter van oordeel dat deze – rekening houdend met de aftrek voor “bandbreedte”(zie punt 9 hierboven) - redelijkerwijs zijn beloond met het forfaitaire tarief.

Een enkele post verdient nog een nadere opmerking. De mentor heeft op 19 mei 2013 voor het versturen van een vakantiebericht 5 min geschreven. Op het eerste gezicht lijkt dat niet veel.
Echter, de mentor had in 2013 een praktijk van 75 cliënten, zo heeft hij bij de mondelinge behandeling verklaard.
Aangenomen dat de mentor is alle zaken 5 minuten bezig zou zijn met het versturen van zijn vakantiebericht, dan heeft hij daarvoor 375 minuten nodig. Dat is zes en een kwart uur.
Hier passen verschillende overwegingen.
(a) het versturen van een afwezigheidsbericht behoort tot de normale taak van een beroepsbeoefenaar;
(b) een beroepsbeoefenaar die meer dan 6 uur nodig heeft om een – naar moet worden aangenomen – simpel en uniform bericht te zenden aan al zijn klanten, diskwalificeert zichzelf als efficiënt werkend vakman.

24.

Recapitulerend overweegt de kantonrechter dat als beloning zal worden toegekend: het forfaitaire bedrag (inclusief forfaitaire component voor onkosten , maar exclusief BTW) ad € 887,50 vermeerderd met de volgende hoeveelheden minuten:
90 (punt 14 hiervoor) + 60 (punt 17 hiervoor) + 360 (punt 19 hiervoor) + 20 (punt 20 hiervoor) + 215 (punt 21 hiervoor) = 745 min : 60 = 12 uur en 25 minuten = 12,42 uur.

Tegen het uurtarief voor 2013 van € 887,50 : 16 = € 55,47 betekent dat een extra beloning van € 688,94 inclusief onkosten en exclusief BTW.
Samen met de forfaitaire beloning van € 887,50 komt de totale beloning voor 2013 uit op € 1.576,44 inclusief onkosten en exclusief BTW.

25.

Voor het overige wordt het verzoek afgewezen.

BESLISSING

De kantonrechter:

- stelt de beloning over 2013 ten behoeve van de heer A.G,Kieftenbeld als mentor

van de heer [rechthebbende] vast op € 1.576,44 inclusief onkosten en exclusief BTW;

  • -

    verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.A. Huidekoper, en door deze in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

conc.: AG

verzonden:

coll.1:

1 * De griffier deelt mede dat van vorenstaande beschikking hoger beroep open staat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:- voor verzoeker binnen drie maanden na de dagtekening van deze beschikking;- voor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze hun bekend is geworden.Dit beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.