Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3500

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
05/861796-13, 05/841243-13 en 05/701158-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorbedachte rade; noodweer; tbs met dwangverpleging; weigerende observandus.

Veroordeling wegens onder meer gekwalificeerde doodslag: 9 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. Voorbedachte rade niet bewezen. Noodweer verweer verworpen. Terbeschikkingstelling met dwangverpleging bij een weigerende observandus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummers : 05/861796-13, 05/841243-13 en 05/701158-12

Data zittingen : 29 oktober 2013, 21 januari 2014, 1 april 2014 en 20 mei 2014

Datum uitspraak : 3 juni 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in [verblijfplaats]

raadsman : mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is onder parketnummer 05/861796-13, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 02 juli 2013 tot en met 08 juli 2013 in de

gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mevrouw [slachtoffer 1] van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in het lichaam van

voornoemde [slachtoffer 1] gestoken en/of de keel/hals van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen

en/of (met kracht) omsnoerd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 02 juli 2013 tot en met 08 juli 2013 in de

gemeente Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk mevrouw [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in het

lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] gestoken en/of de keel/hals van die [slachtoffer 1]

dichtgeknepen en/of (met kracht) omsnoerd, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal van een trouwring en of een bankpas

(ING) en/of geld en/of een of meer (ander(e)) siera(a)d(en), in elk geval van

enig goed,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of

het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 02 juli 2013 tot en met 08 juli 2013 in de

gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk mevrouw [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in het

lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] gestoken en/of de keel/hals van die [slachtoffer 1]

dichtgeknepen en/of (met kracht) omsnoerd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is

overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 02 juli 2013 tot en met 08 juli 2013 in de

gemeente Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning

(gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een trouwring en/of een

bankpas (ING) en/of geld en/of een of meer (ander(e)) siera(a)d(en), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Aan verdachte is onder parketnummer 05/841243-13 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 juli 2013 in de gemeente Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een deur, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt, door met (een) gebalde vuist(en) op/tegen voornoemde deur te slaan

en/of stompen;

2.

hij op of omstreeks 16 juli 2013 in de gemeente Arnhem (een) ambtena(a)r(en) van politie, te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2]

en/of [verbalisant 3], die in uniform was/waren gekleed en was/waren belast met

noodhulpdienst en aldus en in ieder geval gedurende en/of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening was/waren, opzettelijk

heeft beledigd door voornoemde [verbalisant 3] in het gezicht te spugen en/of in de

richting van voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] te spugen en/of die [verbalisant 1]

en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] in diens/dier tegenwoordigheid mondeling toe te voegen

de woorden "Kankerwouten" en/of "Kankermongolen", althans handelingen en/of

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Aan verdachte is onder parketnummer 05/701158-12 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2012 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk meermalen, althans

eenmaal, met een mes in het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft

gestoken en/of geslagen en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 20 januari 2012 te Arnhem opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2]

, meermalen, althans eenmaal, met een mes in het gezicht en/of het hoofd

heeft gestoken en/of geslagen en/of gesneden, waardoor die [slachtoffer 2] letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 20 mei 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd [verbalisant 3] en [benadeelde 3].

De officier van justitie, mr. J. Grijns, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/861796-13 1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op dinsdag 8 juli 2013 werd in perceel [adres] in Arnhem het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer 1].2 Op haar lichaam werden circa dertien steek- en snijletsels (onder meer aan nek/hals, schouder, rug, hoofd en hand) aangetroffen die bij leven zijn opgelopen. De borstkas is daarbij aan beide zijden geperforeerd en de rechterhalsader was doorgesneden. Verder zijn er tekenen van verwurging aangetroffen. Er waren breuken met begeleidende bloeduitstorting van het tongbeen, als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend omsnoerend en/of samendrukkend geweld. De snij- en steekletsels aan de linkerhand kunnen passen bij afweer. De perforerende letsels tezamen en het omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals kunnen zowel apart als gezamenlijk het intreden van de dood verklaren.3

Verdachte was in de nacht van 2 op 3 juli 2013 in de woning van [slachtoffer 1]. Hij heeft in de woning van [slachtoffer 1] een ring, een ketting en een bankpas gestolen. Er is een worsteling ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer 1]. Verdachte heeft haar geslagen en meerdere malen met het mes gestoken.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gerekwireerd ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit, nu zij niet bewezen acht dat er sprake was van voorbedachte rade. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat sprake is geweest van een kalm beraad en rustig overleg.

Voorts is vrijspraak bepleit ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde. Volgens de verdediging heeft verdachte niet gehandeld met het oogmerk om de uitvoering van de diefstal gemakkelijk te maken of straffeloosheid of het bezit van het gestolene te verzekeren. Verdachte heeft gehandeld nadat hij werd aangevallen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank daar waar het gaat om de vraag of sprake is van doodslag.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich gesteld voor de volgende vragen:

  1. Had verdachte opzet op de dood van [slachtoffer 1]?

  2. Was er sprake van voorbedachte rade?

  3. Was er sprake van een diefstal en is er een relatie tussen de diefstal en het overlijden van [slachtoffer 1]?

Ad A. Had verdachte opzet op de dood van [slachtoffer 1]?

Bij [slachtoffer 1] zijn tekenen van verwurging aangetroffen. De breuken met begeleidende bloeduitstorting van het tongbeen, zijn het gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend omsnoerend en/of samendrukkend geweld. Verdachte zegt zich niet te kunnen herinneren dat hij [slachtoffer 1] heeft gewurgd. Hij zegt dat hij niet op [slachtoffer 1] heeft gezeten en geeft evenmin een andere verklaring hiervoor. Verdachte heeft verklaard dat de klap die hij [slachtoffer 1] zou hebben gegeven haar tegen de zijkant van het hoofd raakte en niet tegen de hals.5

Nu niet is gebleken of anderszins aannemelijk is geworden dat er nog een derde persoon aanwezig was en evenmin is gebleken dat [slachtoffer 1] voornoemde letsels reeds eerder had opgelopen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte al deze letsels heeft toegebracht.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] circa dertien keer met een mes gestoken en haar verwurgd. Het is een feit van algemene bekendheid dat messteken in hals en rug (nabij vitale organen) en verwurging een aanmerkelijk risico op de dood met zich brengen. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht waren op het intreden van de dood van [slachtoffer 1], dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte opzet had op haar dood.

Ad B. Was er sprake van voorbedachte rade?

Verdachte ontkent [slachtoffer 1] met voorbedachte raad van het leven te hebben beroofd.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake was van voorbedachte raad. Verdachte zegt naar de woning te zijn gegaan om daar spullen te stelen. Hij heeft de woning ook doorzocht en sieraden en een bankpasje in zijn zak gedaan. Daarna is hij [slachtoffer 1] tegen het lijf gelopen en is een worsteling ontstaan. De rechtbank heeft geen bewijsmiddelen voorhanden om dit deel van het verhaal van verdachte anders te beoordelen dan op basis van zijn eigen verklaring. Daarmee kan de voorbedachte raad dus niet worden bewezen.

Ad C. Was er sprake van een diefstal en is er een relatie tussen de diefstal en het overlijden van [slachtoffer 1]?

Verdachte heeft verklaard dat hij de woning van [slachtoffer 1] in is gegaan omdat hij goederen wilde om te kunnen verkopen. In de woning heeft hij tasjes doorzocht en heeft hij sieraden en een bankpasje uit een sieradenkistje gepakt. Op dat moment stond [slachtoffer 1] ineens vlak bij hem.6 Volgens verdachte had [slachtoffer 1] een mes vast waarmee ze verdachte probeerde te steken, maar miste ze hem. Verdachte heeft haar daarop bij de pols vastgepakt en haar geslagen, waardoor zij beiden op de grond zijn gevallen. Eenmaal op de grond is een worsteling ontstaan, waarbij [slachtoffer 1] nog steeds probeerde verdachte te steken en hem ook heeft gekrabd. Tijdens die worsteling is het mes in de hals van [slachtoffer 1] gegaan. [slachtoffer 1] liet het mes vallen en verdachte heeft het mes gepakt en haar meerdere malen gestoken, terwijl [slachtoffer 1] op haar rug lag. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer 1] op haar buik gedraaid en geprobeerd haar te reanimeren.

De rechtbank overweegt dat de lezing van verdachte vanaf het moment dat hij [slachtoffer 1] voor het eerst zag en zij hem aanviel, niet wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen.

Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank niet alleen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] circa 13 keer met een mes heeft gestoken, maar ook dat hij haar heeft gewurgd. Dit laatste komt echter niet terug in de lezing van verdachte.

Verdachte heeft verder verklaard dat het mes kennelijk van [slachtoffer 1] was, zij dit mes vasthad en hem hiermee veelvuldig zou hebben geprobeerd te steken. Dit strookt echter niet met de resultaten van de forensische onderzoeken. Verdachte heeft het mes na het voorval in de schuur van zijn woning gelegd en daar is het op vrijdag 30 augustus 2013 inbeslaggenomen.7 Op het lemmet van het mes was bloed aanwezig. Uit DNA onderzoek bleek dat bloed te matchen met het DNA profiel van [slachtoffer 1].8 Verder is op het heft van het mes celmateriaal aangetroffen dat bleek te matchen met het DNA profiel van de verdachte.9 Er is op het heft geen DNA aangetroffen dat overeenkomt met het DNA profiel van [slachtoffer 1]. Niet is gebleken dat [slachtoffer 1] handschoenen droeg en er is geen andere verklaring voor het ontbreken van DNA van [slachtoffer 1] op het heft van het mes. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat [slachtoffer 1] zelf het mes vast heeft gehad en evenmin dat zij verdachte daarmee probeerde te steken. Bij verdachte zijn ook geen (afweer)letsels aangetroffen. Er zijn evenmin verwondingen bij verdachte aangetroffen van krabben door [slachtoffer 1]. Dit, terwijl de snij- en steekletsels aan de linkerhand van [slachtoffer 1] wel kunnen passen bij afweer.10

Tot slot heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 1] op haar rug lag toen hij op haar in stak. Dit komt echter niet overeen met de aangetroffen letsels bij [slachtoffer 1].

Vast staat dat verdachte in de woning van [slachtoffer 1] was en die woning aan het doorzoeken was op waardevolle spullen. Verdachte had sieraden en een bankpas van [slachtoffer 1] in zijn zak gestoken toen hij geconfronteerd werd met [slachtoffer 1]. Verdachte heeft [slachtoffer 1] circa 13 keer met een mes gestoken en gewurgd. Verdachte en [slachtoffer 1] woonden op korte afstand van elkaar in de straat en verdachte kende [slachtoffer 1]11. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de doodslag heeft gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- proces-verbaal van bevindingen, p. 1308;

- proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p. 1519;

- proces-verbaal van bevindingen, p. 1532;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 mei 2014.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/841243-13 12

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] (mede) namens de benadeelde [benadeelde 2], p. 13;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 18;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 mei 2014.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aanhouding, p. 5 en 6;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 mei 2014.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/701158-12 13

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat twee getuigen hebben verklaard dat ze een mes en stekende bewegingen hebben gezien, maar dat noch het mes noch de steekbewegingen waarneembaar zijn op de camerabeelden. Bovendien zijn die verklaringen niet ondertekend door de getuigen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er op het mes geen vers bloed te zien is en dat er op de zwartwit-foto’s die in het dossier zijn gevoegd wel een snee waarneembaar is, maar het niet waar te nemen is of dit een verse snee is.

Beoordeling door de rechtbank

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat op 20 januari 2012 omstreeks 01.30 uur ter hoogte van discotheek Manhattan aan de Varkensstraat te Arnhem op straat een vechtpartij ontstond. Hij zag dat het om een conflict ging tussen een wat dikkere blanke jongen en een donkere jongen met dreads. Hij zag dat de twee op de grond lagen te vechten en dat de blanke jongen een mes in zijn hand had. Hij zag dat de blanke jongen de donkere jongen wilde steken en zag hem ook daadwerkelijk stekende bewegingen maken met dit mes. Hij zag dat de blanke jongen met het mes in zijn hand slaande bewegingen maakte in de richting van het gezicht van de donkere jongen. Hij zag dat dat de donkere jongen vermoedelijk door het mes aan de zijkant van zijn gezicht was geraakt.14

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij op 20 januari 2012 omstreeks 01.30 uur zag dat 2 mannen met elkaar vochten, een dikke en een rasta. Hij zag dat de dikke met zijn rechterhand 2 keer in de richting van het gezicht van de rasta sloeg. Hij zag dat [getuige 3], een collega van hem, naar de vechtenden liep. Hij zag en hoorde later van hem dat hij een mes uit de rechterhand van die dikke had gepakt en hij begreep daardoor dat die dikke 2 keer in de richting van de rasta had gestoken met een mes.15

Op het moment dat de verbalisanten ter plaatse kwamen zagen zij dat de hen ambtshalve bekende [slachtoffer 2] voor café [café] stond. Zij zagen dat hij wees naar zijn voorhoofd en zij zagen dat daar een bebloede wond zat.16

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat er een gevecht ontstond tussen hem en de jongen die hij kent als drugsgebruiker.17 Hij heeft voorts verklaard dat hij de jongen waar hij ruzie mee had kent als [alias]. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij als gevolg van de vechtpartij een snee op zijn voorhoofd heeft.18

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ruzie kreeg met die Surinaamse jongen en dat er wel een gevecht is geweest. Verdachte wordt [alias] genoemd.19

De rechtbank merkt op dat de processen-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] op ambtsbelofte zijn opgemaakt en zijn ondertekend door de verbalisant en derhalve zijn te gebruiken als bewijsmiddel.

De rechtbank stelt gelet op het vorenstaande vast dat verdachte op 20 januari 2012 te Arnhem [slachtoffer 2] in het gezicht heeft gestoken met een mes.

Ten aanzien van de vraag of verdachte heeft gehandeld met het opzet om aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het gezicht dermate kwetsbaar is dat indien daarop met een mes wordt ingestoken de aanmerkelijke kans bestaat dat dit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft.

De gedraging van de verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van ernstig letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 2], dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben, bewust heeft aanvaard.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/861796-13 feit 1 subsidiair en feit 2, het onder parketnummer 05/841243-13 feit 1 en 2 en het onder parketnummer 05/701158-12 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/861796-13:

1. subsidiair

hij in de periode van 02 juli 2013 tot en met 08 juli 2013 in de gemeente Arnhem opzettelijk mevrouw [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heef verdachte met dat opzet met een mes, meermalen in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] gestoken en de keel/hals van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en/of (met kracht) omsnoerd, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een trouwring en of een bankpas (ING), ander sieraad en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij in de periode van 02 juli 2013 tot en met 08 juli 2013 in de gemeente Arnhem

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning

(gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een trouwring en een

bankpas (ING) en een ander sieraad toebehorende aan [slachtoffer 1].

Ten aanzien van parketnummer 05/841243-13:

1.

hij op 16 juli 2013 in de gemeente Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een deur, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], heeft vernield door met een gebalde vuisten tegen voornoemde deur te slaan;

2.

hij op 16 juli 2013 in de gemeente Arnhem ambtenaren van politie, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3], die in uniform waren gekleed en waren belast met noodhulpdienst en gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren, opzettelijk heeft beledigd door voornoemde [verbalisant 3] in het gezicht te spugen en in de

richting van voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te spugen en die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in dier tegenwoordigheid mondeling toe te voegen de woorden "Kankerwouten" en "Kankermongolen”.

Ten aanzien van parketnummer 05/701158-12:

hij op 20 januari 2012 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes in het gezicht van die [slachtoffer 2] heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/861796-13:

Eendaadse samenloop van:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Doodslag voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal.

Ten aanzien van parketnummer 05/841243-13 :

Ten aanzien van feit 1:

Vernieling.

Ten aanzien van feit 2:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 05/701158-12 primair :

Poging tot zware mishandeling.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van parketnummer 05/861796-13 feit 1:

Noodweerverweer

Verdachte heeft verklaard dat hij de woning van [slachtoffer 1] in is gegaan omdat hij goederen wilde om te kunnen verkopen. In de woning heeft hij tasjes doorzocht en heeft hij sieraden en een bankpasje uit een sieradenkistje gepakt. Op dat moment stond [slachtoffer 1] ineens vlak bij hem. Volgens verdachte had [slachtoffer 1] een mes vast en probeerde ze verdachte veelvuldig te steken, maar miste ze hem. Verdachte heeft haar daarop bij de pols vastgepakt en haar geslagen, waardoor zij beiden op de grond zijn gevallen. Eenmaal op de grond is een worsteling ontstaan, waarbij [slachtoffer 1] nog steeds probeerde verdachte te steken en hem ook heeft gekrabd. Tijdens die worsteling is het mes in de hals van [slachtoffer 1] gegaan. [slachtoffer 1] liet het mes vallen en verdachte heeft het mes gepakt en haar meerdere malen gestoken, terwijl [slachtoffer 1] op haar rug lag. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer 1] op haar buik gedraaid en geprobeerd haar te reanimeren.

Daarna wilde verdachte 112 bellen en heeft hij nog heel hard naar de buren geschreeuwd.

Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer(exces). Volgens de raadsman was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Er is volgens de raadsman voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er was geen reëel alternatief voorhanden. Verdachte kon zich, door de uiterst krappe situatie in de kamer, immers ook niet aan de aanval van [slachtoffer 1] onttrekken. Dat verdachte na het ‘steken’ in de hals van [slachtoffer 1] in blinde paniek nog een aantal malen heeft gestoken, is het gevolg van een hevige gemoedstoestand waarin hij is geraakt als gevolg van de ogenblikkelijke aanranding.

Beoordeling

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is er geen objectieve ondersteuning in het dossier te vinden voor de lezing van verdachte. Er zijn wurgletsels aangetroffen bij [slachtoffer 1], die niet door de lezing van verdachte kunnen worden verklaard. Op het heft van het mes is wel DNA van verdachte aangetroffen, maar geen DNA van [slachtoffer 1], terwijl zij volgens verdachte hem veelvuldig probeerde te steken met het mes. Daarbij komt dat bij verdachte geen afweerletsels of krabletsels zijn aangetroffen. [slachtoffer 1] had steekletsels in haar rug en schouder, welke niet kunnen worden verklaard door de lezing van verdachte dat hij haar heeft gestoken toen ze op haar rug lag. Verdachte heeft verklaard dat hij hard heeft geschreeuwd. Er is een uitgebreid buurtonderzoek gehouden, maar geen van de buren heeft iets gehoord.

Uit niets blijkt noch anderszins aannemelijk is geworden dat verdachte voorafgaande aan zijn eigen optreden daadwerkelijk door [slachtoffer 1] is aangevallen. Elke ondersteunende aanwijzing voor die lezing ontbreekt. Er was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een noodweersituatie. Daarmee komt verdachte ook een beroep op noodweerexces niet toe.

Feit en verdachte zijn strafbaar nu ook van andere feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het feit of verdachte zouden uitsluiten niet is gebleken.

Ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten is evenmin gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6 De motivering van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en voorts dat verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging wordt verzocht af te zien van oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis als bedoeld in artikel 37a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De door de rapporteurs vastgestelde zwakbegaafdheid en afhankelijkheid van cannabis valt hier niet onder. Verder is er geen overduidelijke aanwezigheid van ernstige psychopathologie en kan de doorwerking in het delict niet worden vastgesteld.

Subsidiair verzoekt de raadsman niet af te wijken van straffen die in vergelijkbare zaken voor doodslag worden opgelegd, te weten 8 jaar.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 25 april 2014;

 drie voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, gedateerd respectievelijk 23 januari 2012, 18 juli 2013 en 23 september 2013, betreffende verdachte; en

 een Pro Justitia rapportage van 11 maart 2013, opgesteld door [psycholoog], GZ-psycholoog en [psychiater], psychiater, verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum (Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht).

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is ’s nachts de woning van mevrouw [slachtoffer 1] binnen gegaan en heeft daar sieraden en een bankpas gestolen. Toen hij werd betrapt door [slachtoffer 1] heeft hij haar een klap gegeven, circa 13 keer met een mes gestoken en gewurgd. Verdachte heeft zich vervolgens ontdaan van zijn kleding en schoenen, om aldus de sporen van het misdrijf te verbergen. Bijna een week later is het stoffelijk overschot van het slachtoffer bij toeval gevonden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict.

Verdachte heeft, omdat hij behoefte had aan geld om drugs te kopen een insluiping gepleegd in de woning van de kwetsbare mevrouw [slachtoffer 1]. Toen hij door haar werd overlopen heeft hij haar niets ontziend met ongeveer 13 messteken en een verwurging om het leven gebracht. Verdachte heeft puur uit eigenbelang gehandeld en daarmee het slachtoffer haar kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. De nabestaanden is hierdoor ernstig leed toegebracht.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een vernieling en belediging van agenten. Ook heeft hij geprobeerd aan een ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door ’s avonds na het uitgaan tijdens een ruzie een ander met een mes in zijn gezicht te steken.

Uit de justitiële documentatie is gebleken dat verdachte reeds meerdere malen is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, alsmede ter zake van gewelds- en zedendelicten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaken een langdurige gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden is.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte, naast de oplegging van gevangenisstraf, wordt veroordeeld tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte, met bevel tot zijn verpleging.

De raadsman heeft zich daartegen verzet omdat de rechtbank niet voldoende kan vast stellen dat sprake was van een voldoende ernstige gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij verdachte.

Verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan verschillende onderzoeken als bedoeld in artikel 37, tweede lid Sr, te weten aan het onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP en het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC).

De vaststelling van het bestaan van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte in de zin van artikel 37a, eerste lid Sr is een juridisch oordeel en geschiedt door de rechter, en niet door een medicus of een gedragsdeskundige. Daaraan doet niet af dat de rechter die vaststelling pas doet nadat hij – indien mogelijk – ter zake geadviseerd is door tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines die betrokkene hebben onderzocht (artt, 37a, derde lid Sr jo. 37, tweede lid Sr). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 37, derde lid Sr volgt, dat bewust is voorzien in de mogelijkheid om de maatregel van terbeschikkingstelling op te kunnen leggen in een geval waarin de betrokkene aan ieder gedragskundig onderzoek weigert mee te werken. De maatregel strekt er juist toe de samenleving te beschermen tegen de gevaarlijkheid van de betrokkene. (MvT, Bijl. Hand. II, 1992-1993, 22 909, nr. 3, p. 4-6.)

De rechtbank heeft de inhoud van de beschikbare rapportages betrokken om de vraag te kunnen beantwoorden of ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bestond.


In het Pro Justitia rapport van het PBC is onder meer het volgende vermeld:

“De (…) beschikbare informatie schetst nochtans het beeld van een zowel wat de intellectuele als andere cognitieve capaciteiten betreft zeer beperkte man, die als kind gedragsproblemen vertoonde en - nadat hij als jonge tiener een hersenbeschadiging opliep - vanaf de puberteit herhaaldelijk in contact kwam met justitie. Hij viel niet bij te sturen door zijn ouders, de hulpverlening, de reclassering, noch werd hij gedragsmatig afgeremd of ingeperkt door maatregelen zoals proeftijd en voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Betrokkene gebruikte (…) vanaf zijn vroege puberteit tevens in toenemende mate cannabis, alcohol en cocaïne, waarvan de laatste twee middelen een sterk ontregelend effect hadden op zijn toch al niet-aanstuurbare gedrag in de vorm van crimineel en agressief handelen. (…)

Op grond van de gedragsobservaties op de afdeling, de informatie die afkomstig is uit vorige PJ-onderzoeken en ook uit het milieuonderzoek, alsmede uit hun gesprekken met betrokkene menen ondergetekenden te kunnen onderbouwen dat er sprake is van voortdurende afhankelijkheid van cannabis en een vermoedelijke lichte zwakzinnigheid. In eerder testonderzoek is een lichte zwakzinnigheid vastgesteld. Ondanks het gebrek aan eigen (test)onderzoek hebben ondergetekenden geen reden hieraan te twijfelen. Zou betrokkene toch intelligenter blijken, dan zal hij ten hoogste zwakbegaafd scoren.

De afhankelijkheid van cannabis betreft een ziekelijke stoornis, de vermoedelijke lichte zwakzinnigheid (maar ook zwakbegaafdheid) behoort tot de categorie gebrekkige ontwikkeling. Ondergetekenden vermoeden dat er sprake is van misbruik (mogelijk zelfs afhankelijkheid) van alcohol en cocaïne, maar kunnen door de beperkingen van dit onderzoek dit vermoeden niet bevestigen, noch verwerpen.

Verder kan bij betrokkene een pathologische (antisociale) gedragsproblematiek worden vastgesteld, maar het kader waarin deze optreedt, valt vanwege de beperkingen van het onderzoek niet te geven. Ondergetekenden kunnen dus niet vaststellen of dienaangaande sprake is van een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens. De PCL-R valt niet helemaal te scoren, maar wel blijkt betrokkene zeer hoog te scoren in de facetten 'impulsieve en onverantwoordelijke stijl' en 'antisociaal gedrag'. (…)

Eerdere PJ-rapporteurs hebben bij betrokkene een cognitieve stoornis, een frontaalstoornis en/of een antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Ondergetekenden zijn door betrokkenes weigering en het daardoor beperkte huidige onderzoek niet in staat deze stoornissen te onderschrijven, noch te verwerpen. Wel vragen zij zich af of voornoemde PJ-rapporteurs niet aan 'diagnostische dubbeltellingen' hebben gedaan, dus de symptomen meermalen hebben gescoord bij verscheidene diagnosen.

Resumerend stellen ondergetekenden dat er sterke aanwijzingen zijn voor pathologie bij betrokkene, dat hij vermoedelijk licht zwakzinnig is (hoogstens zwakbegaafd), en verder antisociaal gedrag en verslavingsproblematiek vertoont. Ondergetekenden overwegen daarbij dat het goed denkbaar is dat voornoemde psychische problematiek (al of niet in combinatie met elkaar) een rol heeft gespeeld bij het ten laste gelegde (indien bewezen), aangezien deze op verscheidene niveaus betrokkenes functioneren chronisch negatief kan beïnvloeden, maar de huidige informatie is te beperkt om een uitspraak te doen over een forensische doorwerking van voornoemde problematiek in het ten laste gelegde (indien bewezen). Op grond van deze overweging zijn ondergetekenden niet in staat een conclusie te trekken aangaande de toerekeningsvatbaarheid.”

De psychiater, [psychiater], heeft ter terechtzitting verklaard dat er evident sprake is van gedragsproblematiek. Er is zeker sprake van een intelligentiebeperking en cannabisafhankelijkheid. Maar er zou meer onderzoek nodig zijn om te kunnen bepalen of er verder nog sprake is van andere stoornissen.

Vanuit wetenschappelijk psychiatrisch perspectief kan de deskundige geen verband vaststellen tussen stoornis en verweten feiten.

In het reclasseringsrapport van 18 juli 2013 (geschreven ten behoeve van de zaak met parketnummer 05/841243-13) staat nog het volgende vermeld:

“Er zijn aanwijzingen voor problemen t.a.v. middelengebruik. De heer [verdachte] gebruikte gedurende langere tijd dagelijks softdrugs. (…) De reclassering schat het middelengebruik in als een ernstig recidive verhogende factor. De heer [verdachte] heeft blijkbaar geen zelfsturing op zijn gebruik van de mix alcohol en cocaïne, hetgeen hem vaker tot delictgedrag heeft gebracht. (…)

Daarbij moet gesteld worden dat de onderliggende problematiek, beperkte intellectuele vermogens en gebrek aan ziekte-inzicht, de uiteindelijke oorzaak is van problemen op verschillende leefgebieden (wonen, werken, dagbesteding). (…)

Het valt ernstig te betwijfelen of ambulante begeleiding afdoende is. Het lijkt erop dat betrokkene niet altijd transparant is.”

Verder staat in het reclasseringsrapport van 23 januari 2012 (geschreven ten behoeve van de zaak met parketnummer 05/701158-12) nog het volgende vermeld:

“Betrokkene is bekend bij onze reclasseringsorganisatie en vanuit die expertise weten we dat de heer [verdachte] beperkt zelfinzicht heeft en zich ook moeilijk ambulant laat begeleiden. Voor een belangrijk deel wordt hij begeleid door zijn ouders, maar dit volstaat niet. De problematiek van de heer [verdachte] is dermate ernstig dat professionele klinische hulp noodzakelijk is. (…) De heer [verdachte] overschat zijn mogelijkheden en heeft geen zicht in zijn beperkingen. (…)

De heer [verdachte] (…) staat geregistreerd als veelpleger. (…) De heer [verdachte] heeft op tal van leefgebieden problemen, al ervaart hij dit zelf niet. (…) Middelengebruik is een belangrijke oorzaak van het delictgedrag. Daarbij moet gesteld worden dat de onderliggende problematiek, beperkte intellectuele vermogens en gebrek aan ziekte-inzicht, de uiteindelijke oorzaak is van problemen op verschillende leefgebieden (wonen, werk, dagbesteding). (…)

Het valt ernstig te betwijfelen of ambulante begeleiding afdoende is. (…) De heer [verdachte] ziet niet in dat hij hulp nodig heeft en lijkt de ernst van het huidige delict ook niet in volle omvang te beseffen, met name het gebruik van het mes had ook heel anders kunnen aflopen.”

Uit het voorgaande volgt dat verdachte gedurende een periode van meerdere jaren kampt met, mogelijk hersenletsel, een ziekelijke stoornis (afhankelijkheid van cannabis) en een gebrekkige ontwikkeling (vermoedelijke lichte zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid). Ook is er sprake van ernstige pathologische gedragsproblematiek, maar die kan verder niet worden gedifferentieerd.

Verdachte heeft problemen op verschillende leefgebieden en daarbij een gebrek aan probleembesef en zelfinzicht. Hij toont regelmatig zeer agressief gedrag en heeft daarbij al vaker een mes gehanteerd. Middelengebruik is blijkens de rapporten een belangrijke oorzaak van delictgedrag. Ook het bewezenverklaarde bij parketnummer 05/861796-13 onder 1 subsidiair is naar haar aard evident agressief en gevaarlijk voor derden, terwijl de context waarin verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd rechtstreeks lijkt samen te hangen met zijn pathologische problematiek.

De rechtbank stelt vast dat tijdens het plegen van de bewezenverklaarde feiten sprake was een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, met daar bovenop nog eens ernstige pathologische problematiek. Dat gaat het standpunt van de raadsman dat slechts sprake was van enige pathologie met misbruik van cannabis ver te boven.

Deze problematiek is naar het oordeel van de rechtbank van dien aard dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde.feiten.

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een terbeschikkingstelling met dwangverpleging aangewezen is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Gebleken is dat bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en een ziekelijke stoornis. Voorts is er – naar het oordeel van de rechtbank – sprake van een aanzienlijk recidivegevaar. De inschatting van dat gevaar ontleent de rechtbank aan het langdurige bestaan van verdachtes problematiek, welke problematiek steeds heftiger lijkt te worden. Hierbij hebben interventies van bijvoorbeeld de reclassering geen dan wel onvoldoende resultaat opgeleverd en is verdachte niet gemotiveerd gebleken voor enige behandeling.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde bij parketnummer 05/861796-13 onder 1 subsidiair en hetgeen is gebleken over de persoon van verdachte, acht de rechtbank het niet verantwoord dat verdachte zonder dat dit gevaar in belangrijke mate is weggenomen terugkeert in de maatschappij. Verdachte heeft door te volharden in zijn weigering iedere onderzoek naar mogelijkheden voor minder ingrijpende vormen van behandeling voor het beperken van het herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt. Verdachte is een dermate gevaarlijke man dat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging nodig is om het risico van zeer gevaarlijke agressieve delicten jegens anderen in te dammen.

De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit onder parketnummer 05/861796-13 onder 1 subsidiair betreft een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is voorts van oordeel dat, mede gezien de ernst van het begane feit en de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eisen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Het bewezenverklaarde bij parketnummer 05/861796-13 onder 1 subsidiair, gekwalificeerde doodslag, is een misdrijf dat een gevaar oplevert voor of een krenking is van de lichamelijke integriteit van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan

6A. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bij parketnummer 05/861796-13 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.618,20, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] volledig toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is de vordering niet betwist.

Beoordeling door de rechtbank

De vordering van [benadeelde 3] komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 8 juli 2013.

Benadeelde partij [verbalisant 3]

De benadeelde partij [verbalisant 3] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bij parketnummer 05/841243-13 onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 300,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3] volledig toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering bovenmatig voorkomt.

Beoordeling door de rechtbank

Aan de benadeelde partij is door het (bij parketnummer 05/841243-13 onder 2) bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op € 100,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van materiële schade omdat dit deel van de vordering onvoldoende met stukken is onderbouwd. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 45, 55, 57, 266, 267, 288, 300, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/861796-13 feit 1 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ten aanzien van het bewezenverklaarde bij parketnummer 05/861796-13 onder 1 subsidiair ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van parketnummer 05/861796-13 onder 1 subsidiair

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde 3], te betalen € 2.618,20

(tweeduizend zeshonderd en achttien euro en twintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], te betalen € 2.618,20 (tweeduizend zeshonderd en achttien euro en twintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 36 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van parketnummer 05/841243-13 feit 2

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [verbalisant 3], te betalen € 100,- (honderd euro).

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 3], te betalen € 100,- (honderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. W.J. Vierveijzer (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. S. Brinkhoff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch en mr. E.C.M. Thoonen, griffiers

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost Nederland, district Gelderland Midden, Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossier TGO Cairo, gesloten op 1 februari 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte lijkvinding, p. 679, proces-verbaal van bevindingen, p. 966 en 967 en een rapport dactyloscopisch sporenonderzoek, p. 3100.

3 Deskundigenrapport NFI, p. 655 tot en met 657.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2014.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2014.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2014.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 504 en bijlage, p. 506 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2014.

8 Deskundigenrapport NFI, p. 3153 en 3154.

9 Deskundigenrapport NFI, p. 3189 tot en met 3191.

10 Deskundigenrapport NFI, p. 657.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2014

12 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, Staf district, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0785 2013075799, gesloten op 23 juli 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

13 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, VAT unit recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2012040508, gesloten op 16 april 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], p. 55.

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], p. 57.

16 Proces-verbaal van aanhouding, p. 11.

17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [slachtoffer 2], p. 40.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [slachtoffer 2], p. 42.

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2014.