Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3380

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
05/821136-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Automobilist wordt, voor het aanrijden van een verkeersregelaar en het doorrijden na die aanrijding, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken en een onvoorwaardelijke werkstraf van 140 uren. Daarnaast krijgt de man een rij-ontzegging van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. De rechtbank rekent het de automobilist zwaar aan dat hij bij wegwerkzaamheden de aanwijzingen van een verkeersregelaar, die duidelijk herkenbaar was en voorgeschreven kleding droeg, heeft genegeerd en heeft gemeend langs deze persoon te moeten rijden. Vervolgens is hij niet gestopt nadat hij de verkeersregelaar had aangereden. Met zijn houding is de man voorbijgegaan aan het feit dat een verkeersregelaar er op moet kunnen vertrouwen dat hij zijn werk in veiligheid kan doen en dat verkeersdeelnemers de door hem gegeven aanwijzingen opvolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/821136-13

Datum zitting : 09 mei 2014

Datum uitspraak : 23 mei 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 04 juni 2013 te Zaltbommel,

aan een persoon genaamd [slachtoffer] (verkeersregelaar) opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel (een breuk in/onder het linker kniegewricht) heeft

toegebracht,

hierin bestaande dat verdachte toen aldaar opzettelijk als bestuurder van een

personenauto (Audi S6, kenteken [kenteken]),

- terwijl die [slachtoffer], nadat deze als verkeersregelaar in het kader van

wegwerkzaamheden op de Hogeweg aldaar, aan hem, verdachte, een stopteken had

gegeven, toen (dicht) links voor die personenauto op de rijbaan van die

Hogeweg stond,

- met die personenauto (onverhoeds) is doorgereden en/of weggereden (dicht

langs/om die verkeersregelaar heen) en daarbij het linkerbeen van die

verkeersregelaar heeft geraakt, waardoor deze ten val kwam;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 04 juni 2013 te Zaltbommel,

opzettelijk een persoon ([slachtoffer], verkeersregelaar) heeft mishandeld,

hierin bestaande dat verdachte toen aldaar opzettelijk als bestuurder van een

personenauto (Audi S6, kenteken [kenteken]),

- terwijl die [slachtoffer], nadat deze als verkeersregelaar in het kader van

wegwerkzaamheden op de Hogeweg aldaar, aan hem, verdachte, een stopteken had

gegeven, toen (dicht) links voor die personenauto op de rijbaan van die

Hogeweg stond,

- met die personenauto (onverhoeds) is doorgereden en/of weggereden (dicht

langs/om die verkeersregelaar heen) en daarbij het linkerbeen van die

verkeersregelaar heeft geraakt, waardoor deze ten val kwam,

tengevolge waarvan deze [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een breuk

in/onder het linker kniegewricht), althans enig lichamelijk letsel, heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 04 juni 2013 te Zaltbommel,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Audi S6, kenteken [kenteken]),

betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval

was veroorzaakt op de Hogeweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan

een ander (te weten [slachtoffer]) letsel was toegebracht.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 09 mei 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen.

Als benadeelde partij is de heer [slachtoffer], bijgestaan door de heer E. Leiwakabessy, medewerker van bureau Slachtofferhulp, ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie, mr. H.W. Kuipers, heeft gerekwireerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De feiten ten aanzien van de feiten 1 en 2

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 4 juni 2013 heeft verdachte als bestuurder van een Audi S6 personenauto, met kenteken
[kenteken], gereden over de Hogeweg te Zaltbommel.2 Vanwege wegwerkzaamheden was een wegversmalling door middel van pylonen aangebracht en waren ter hoogte van de bochten personen aanwezig die waren gekleed in reflecterende geel/oranje hesjes.3 Eén van deze personen was [slachtoffer] (hierna aangever).4

Nadat verdachte de veegwagen voor hem had ingehaald, zag hij aangever ter hoogte van de bocht naar links staan. Aangever pakte een pylon, zette deze midden op de weg neer en ging recht voor de auto van verdachte staan. Verdachte zag dat aangever gebaarde dat verdachte moest stoppen. Verdachte heeft zijn voertuig tot stilstand gebracht, is vervolgens een stukje naar achteren gereden, heeft daarna zijn auto dicht langs aangever gestuurd om via de berm zijn weg te vervolgen. Verdachte is hierna doorgereden zonder zich nader kenbaar te maken.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht hetgeen onder feit 1 primair ten laste is gelegd, maar dat verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan feit 1 subsidiair en aan feit 2.

Het standpunt van verdachte

Door verdachte is aangevoerd dat de man die hem gebaarde -aangever- geen verkeersregelaar was, maar een wegwerker. Volgens verdachte heeft hij aangever niet met zijn auto geraakt en hem derhalve ook geen letsel toegebracht. Verdachte meent dat aangever de aanrijding verzonnen heeft, om van hem (verdachte) een schadevergoeding te kunnen eisen. Voorts heeft verdachte aangevoerd dat bij hem geen vermoeden bestond van een aanrijding en dat hem derhalve niet kan worden verweten dat hij is doorgereden, zodat hij van zowel feit 1 als feit 2 vrijgesproken dient te worden.

Beoordeling door de rechtbank t.a.v. feit 1

De rechtbank stelt vast dat aangever gekleed was in kleding die voldeed aan de eisen gesteld in de Regeling Verkeersregelaars 2009, onder artikel 14, lid 1 en bijlage 2, en dat verdachte derhalve door een verkeersregelaar werd gesommeerd om zijn voertuig tot stilstand te brengen.

Aangever heeft gevoeld dat zijn been werd geraakt door de auto van verdachte, op het moment dat verdachte zijn voertuig langs aangever stuurde.6 Een collega verkeersregelaar zag dat aangever door de Audi werd aangereden.7 Nadat de Audi zijn been had geraakt, is aangever ten val gekomen.8 Op het moment dat verbalisanten, naar aanleiding van de melding ongeval, op de Hogeweg aankwamen, zagen zij ter hoogte van de bocht, aangever op de grond liggen.9 Volgens een bericht d.d. 4 juni 2013 van chirurg [arts] aan de huisarts te Almere is sprake geweest van een spoedopname via Spoedeisende Hulp, waarbij als diagnose is gesteld: “fractuur proximale fibula met goede stand”. Vermeld wordt nog dat de linker knie fors pijnlijk is bij aanraking en dat pijnstillende medicijnen zijn verstrekt.10 De rechtbank, kan op grond van het vorenstaande niet anders oordelen dan dat aangever door de auto van verdachte is geraakt en daardoor een fractuur met pijn heeft opgelopen.

Opzet

Vervolgens dient te worden beoordeeld of er sprake is geweest van opzet zijdens verdachte. Verdachte heeft gezien dat de rijbaan was afgezet met pylonen. Kort nadat hij de veegwagen heeft ingehaald, is hij door aangever door middel van handgebaren en een pylon tot stoppen gemaand.11 Verdachte voelde zich geprovoceerd omdat aangever voor zijn voertuig ging staan en hem de weg versperde.12 Verdachte was hierdoor geagiteerd en had geen zin om in discussie te gaan met aangever13, waarop hij via de berm kort langs aangever heen heeft gestuurd.14 Aangever heeft verklaard dat hij meermalen stoptekens heeft gegeven, maar dat verdachte nergens aan voldeed.15 De getuige Kaldenberg heeft verklaard dat de Audi in eerste instantie stopte, maar vervolgens doorreed, en dat de verkeersregelaar aan de kant sprong.16 De rechtbank leidt uit deze verklaringen allereerst af dat verdachte onverhoeds - in de zin van onverwacht voor aangever - is doorgereden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij het passeren van aangever een klap hoorde en dat hij dacht dat aangever op zijn auto sloeg.17 Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier niet alleen uit dat verdachte door het horen van een klap zich had moeten realiseren dat hij wellicht een aanrijding had veroorzaakt, maar ook dat verdachte zich ervan bewust was dat hij vlak langs aangever is gereden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte - gelet op de door aangever gedragen kleding overeenkomstig de Regeling Verkeersregelaars 2009 - behoorde te weten dat hij te maken had met een verkeersregelaar, die op dat moment tot taak had het verkeer te stoppen en daarom in beginsel niet zou wijken. Door bovendien in geagiteerde toestand op een rijbaan die daartoe geen ruimte bood op korte afstand langs aangever te rijden, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zou raken en letsel toebrengen.

De rechtbank komt derhalve tot de overtuiging dat verdachte opzet – in voorwaardelijke zin – heeft gehad op het toebrengen van het letsel.

Letsel

Nadat aangever naar de eerste hulp is afgevoerd, is - zoals hiervoor reeds vermeld - bij aangever een fractuur geconstateerd.18 Aangever heeft drie weken rust moeten nemen en er is geen sprake geweest van operatief ingrijpen.19 De rechtbank is van oordeel dat de mate van het letsel niet valt onder de kwalificatie van “zwaar lichamelijk letsel” en zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Conclusie t.a.v. feit 1

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 04 juni 2013 te Zaltbommel, opzettelijk een persoon ([slachtoffer], verkeersregelaar) heeft mishandeld, hierin bestaande dat verdachte toen aldaar opzettelijk als bestuurder van een

personenauto (Audi S6, kenteken [kenteken]),

- terwijl die [slachtoffer], nadat deze als verkeersregelaar in het kader van

wegwerkzaamheden op de Hogeweg aldaar, aan hem, verdachte, een stopteken had

gegeven, toen (dicht) links voor die personenauto op de rijbaan van die

Hogeweg stond,

- met die personenauto onverhoeds is doorgereden (dicht langs die verkeersregelaar heen) en daarbij het linkerbeen van die verkeersregelaar heeft geraakt, waardoor deze ten val kwam,

tengevolge waarvan deze [slachtoffer] enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Beoordeling door de rechtbank t.a.v. feit 2

Verdachte heeft op het moment dat hij aangever passeerde een harde klap op zijn auto gehoord.20 De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich op dat moment al bewust had moeten zijn van een mogelijke aanrijding. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat aangever werd aangereden en dat verdachte vervolgens doorreed. In een poging om verdachte te laten stoppen, schopte getuige [getuige 1] een pylon voor de auto van verdachte, maar deze pylon werd door hem ontweken en verdachte is doorgereden.21 Hij had zich onder die omstandigheden reeds ervan moeten vergewissen dat een ander niets was overkomen door direct te stoppen.

In Zaltbommel aangekomen is verdachte bovendien nog uit de auto gestapt en heeft hij zijn auto op mogelijke schade gecheckt.22 Dit bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte minst genomen wetenschap had van de omstandigheid dat zijn auto met iets of iemand in aanraking was gekomen.

Conclusie t.a.v. feit 2

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 04 juni 2013 te Zaltbommel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Audi S6, kenteken [kenteken]), betrokken bij een verkeersongeval op de Hogeweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel was toegebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 140 (honderdveertig) uren werkstraf, subsidiair 70 dagen hechtenis.

Ter zake van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 (twaalf) maanden onvoorwaardelijk, met aftrek.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 7 april 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij bij wegwerkzaamheden de aanwijzingen van een verkeersregelaar, die duidelijk herkenbaar was en voorgeschreven kleding droeg, heeft genegeerd en vlak langs deze persoon is doorgereden. Vervolgens is hij niet gestopt nadat hij de verkeersregelaar had aangereden, maar - ondanks stoppogingen van een andere verkeersregelaar - is weggereden. Met zijn houding gaat verdachte er aan voorbij dat hij als automobilist in het algemeen een zorgplicht heeft jegens andere verkeersdeelnemers. Meer in het bijzonder heeft verdachte door zijn gedrag minachting getoond voor het feit dat een verkeersregelaar er op moet kunnen vertrouwen dat hij zijn werk in veiligheid kan doen en dat verkeersdeelnemers de door hem gegeven aanwijzingen opvolgen.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met - enerzijds - het feit dat verdachte een eigen bedrijf heeft en daardoor dagelijks met zijn auto onderweg moet zijn, maar ook met - anderzijds - het feit dat verdachte opzettelijk ernstig gevaar op de weg heeft veroorzaakt en justitiële documentatie met betrekking tot verkeersdelicten heeft opgebouwd.

Gelet hierop acht de rechtbank het van belang dat verdachte niet alleen een straf in de zin van vergelding krijgt opgelegd, maar ook dat aan hem tevens een voorwaardelijke straf zal worden opgelegd, zodat hij in de toekomst zijn gedrag jegens andere verkeersdeelnemers zal wijzigen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 7, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

 het verrichten van een werkstraf gedurende 140 (honderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid. De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast. Stelt deze vervangende hechtenis vast op 70 (zeventig) dagen.

 ( (met betrekking tot feit 2:) ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 8 (acht) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat van deze ontzegging 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. H.G. Eskes, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 mei 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de regiopolitie Gelderland-Zuid, district De Waarden, opgemaakte proces-verbaal, nummer PL083H/2013052676-13 gesloten op 5 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

3 Proces-verbaal VOA, pag.7 en verklaring verdachte ter terechtzitting.

4 Proces-verbaal van aangifte, pag. 9.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

6 Proces-verbaal van aangifte, pag. 15, 2e alinea.

7 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pag. 18.

8 Proces-verbaal van aangifte, pag. 15.

9 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 6, 4e alinea.

10 Schriftelijk bescheid, te weten bericht d.d. 4 juni 2013 aan “onbekende huisarts” te Almere, pag. 16/17

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting, alsmede het proces-verbaal van aangifte, pag. 15, 1e alinea.

12 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

13 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

14 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pag. 18, alsmede het proces-verbaal van aangifte, pag. 15 2e alinea, alsmede het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], pag. 20.

15 Proces-verbaal van aangifte, pag. 15, 3e regel van boven

16 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], pag. 20, 2e alinea van onderen.

17 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

18 Proces-verbaal van aangifte, pag. 15, 4e alinea, alsmede het schriftelijke bescheid zijnde het bericht aan de huisarts d.d. 4 juni 2013, pag. 17.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 27, laatste alinea.

20 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

21 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pag. 18.

22 Proces-verbaal verhoor verdachte, pag. 40, laatste alinea.