Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3193

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_5641
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene handelt in en repareert fietsen. Schending inlichtingenplicht is niet betwist. College gaat over tot verrekening van inkomsten in de periode 15-4-2004 t/m 31-3-2012 en terugvordering. Het college heeft de inkomsten geschat op € 75 per week. Betrokkene is hiermee niet te kort gedaan. Terecht is geen rekening gehouden met verwervingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 13/5641

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Huisman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk te Nijkerk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) over de periode van 15 april 2004 tot en met 17 augustus 2008 en vanaf 30 september 2008 ingetrokken en de over de periode van 15 april 2004 tot en met 31 maart 2012 betaalde bijstand ten bedrage van € 106.614,72 van eiser teruggevorderd. Voorts heeft verweerder het recht op bijstand per datum besluit beëindigd en eiser verzocht om het terug te betalen bedrag binnen 6 weken over te maken.

Bij besluit van 17 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het primaire besluit herroepen voor wat betreft de intrekking van het recht op bijstand per 15 april 2004 en de beëindiging per 6 juni 2012. Verweerder heeft besloten om de door eiser in de periode van 15 april 2004 tot en met 31 maart 2012 ontvangen inkomsten uit arbeid te verrekenen met de algemene bijstand en de terugvordering over deze periode vast te stellen op € 47.618,30. De bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met 25 juni 2012 wordt verrekend met de geschatte inkomsten uit fietsenhandel van € 75 netto per week.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.M. van Amerongen.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt sinds 1 oktober 1987 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wwb naar de norm voor een alleenstaande.

1.2 Bij verweerder is op 15 februari 2011 een anonieme tip binnen gekomen, onder andere inhoudende – kort samengevat – dat eiser al jaren lang in fietsen handelt en deze repareert. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche onderzoek gedaan. Daarbij zijn het Suwinet en de Gemeentelijke Basisadministratie geraadpleegd, zijn het kentekenregister en het handelsregister geraadpleegd, is op internet en regionale kranten gezocht naar verkoopadvertenties, zijn opgehangen advertenties in supermarkten verzameld, zijn waarnemingen verricht, zijn politiegegevens verzameld en bestudeerd en zijn getuigen gehoord. Eiser is op 12 april 2012 in zijn woning aangehouden en vervolgens heeft een schouw in de woning en de schuur plaatsgevonden, waarbij foto’s zijn gemaakt. Ook is een onderzoek ingesteld in de auto van eiser, waarbij advertentiekaartjes van diverse supermarkten zijn aangetroffen. Eiser is na zijn aanhouding vijf keer verhoord en is op 13 april 2012 in vrijheid gesteld. Van de bevindingen van het onderzoek is op 15 mei 2012 rapport inclusief bijlagen opgemaakt door de sociale recherche.

1.3 Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek van de sociale recherche heeft verweerder eisers recht op bijstand met ingang van 1 april 2012 geblokkeerd. Aan eiser is met ingang van 26 juni 2012 weer bijstand verleend.

2.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser nimmer heeft gemeld dat hij fietsen repareert en doorverkoopt. De aanvang van de werkzaamheden is bepaald op 15 april 2004. Eiser heeft van zijn activiteiten geen administratie bijgehouden. Verweerder heeft op basis van eisers verklaring tijdens de hoorzitting vastgesteld dat eiser gemiddeld drie fietsen per week heeft verkocht en per fiets netto ongeveer € 25 heeft verdiend. Verweerder heeft het recht op bijstand van eiser vanaf 15 april 2004 herzien, rekening houdende met een geschat inkomen van € 75 netto per week. Als gevolg daarvan is aan eiser een bedrag van € 47.618,30 teveel aan bijstand betaald, hetwelk van hem wordt teruggevorderd. Ten slotte heeft verweerder de alsnog te verlenen bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met 25 juni 2012 verrekend met de geschatte inkomsten uit fietsenhandel van € 75 netto per week.

3.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de te beoordelen periode in dit geval de periode van 15 april 2004 tot en met 31 maart 2012 bestrijkt.

4.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser al lange tijd fietsen verzamelt of opkoopt, fietsen opknapt in zijn werkplaats (de schuur bij de woning van eiser), advertenties plaatst voor de verkoop van fietsen en fietsen ook daadwerkelijk verkoopt. Evenmin is in geschil dat eiser verweerder van deze activiteiten en van de inkomsten, die hij met de verkoop van fietsen heeft gegenereerd, nimmer heeft geïnformeerd, zodat hij de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet dan wel artikel 17, eerste lid, van de Wwb rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

5.1

Tijdens de hoorzitting van de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften op 3 december 2012 heeft eiser, blijkens het verslag van de hoorzitting, verklaard dat hij kleine bedragen verdient, zo’n € 20 tot € 25 per week en dat hij één tot drie fietsen per week opknapt. Hij heeft voorts verklaard zo’n twee tot drie dagen per week bezig te zijn. Als hij thuis komt klust hij drie of vier uur aan de fietsen.

5.2

Verweerder heeft met name op basis van het verslag van de hoorzitting, mede gelet ook op het rapport van de sociale recherche, besloten om – ten gunste van eiser – een schatting te maken van de verdiensten van eiser en zijn bijstand met dit geschatte bedrag te herzien en de op grond van de herziening teveel betaalde bijstand terug te vorderen.

6.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zowel de omvang van zijn werkzaamheden als de duur van zijn werkzaamheden onjuist heeft ingeschat en daarmee ook de hoogte van de genoten inkomsten. Eiser heeft erkend dat hij af en toe heeft gesleuteld aan fietsen, maar dat was vooral bedoeld als afleiding in verband met zijn psychische problemen. Eiser heeft veel mensen gratis geholpen of alleen een vergoeding voor materiaalkosten gevraagd. Slechts af en toe heeft hij enkele tientjes winst gemaakt. Pas de twee jaar voorafgaand aan het verhoor is hij wat actiever geworden in de fietsenhandel. Er is nimmer sprake geweest van een professionele handel. Aan eisers verklaringen op de hoorzitting zijn onjuiste conclusies verbonden. Het ligt veeleer in de rede om uit te gaan van € 75 per maand. Hiervoor is volgens eiser ook steun te vinden in de overige in het dossier aanwezige stukken. In verband hiermee heeft eiser nog een verklaring overgelegd van diverse mensen uit zijn omgeving.

7.

Gelet op eisers verklaring, afgelegd ten overstaan van de sociale recherche, dat hij van [naam] (hierna: [naam]) heeft geleerd fietsen op te knappen, dat hij een soort hulpje was van [naam] en dat hij na het overlijden van [naam] op 14 april 2004 de handel heeft overgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft vastgesteld dat eiser vanaf 15 april 2004 inkomsten uit deze handel heeft ontvangen. De omvang van die inkomsten over de in geding zijnde periode is door verweerder geschat op € 75 per week. Met deze schatting is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet tekort gedaan. Eiser heeft immers verklaard gemiddeld drie fietsen per week op te knappen en een paar tientjes per verkochte fiets te hebben verdiend. Dat verweerder uit deze verklaringen heeft afgeleid dat eiser een inkomen heeft van € 75 per week, komt de rechtbank temeer niet onaannemelijk voor, nu in het dossier geen aanknopingspunten zijn voor een lagere schatting. Daarbij is met name ook van belang dat eiser geen enkele vorm van administratie van de inkomsten en uitgaven heeft bijgehouden en ook nadien op geen enkele wijze concreet en verifieerbaar inzicht heeft verschaft in de exacte omvang van zijn werkzaamheden en de in die periode verkregen inkomsten. Eisers stelling dat uitgegaan had moeten worden van € 75 per maand, is door hem ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Dat eiser – zo hij stelt – veel mensen gratis heeft geholpen en alleen een vergoeding heeft gevraagd voor materiaalkosten vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het dossier en de door de getuigen afgelegde verklaringen. Bovendien staat vast dat eiser voor sommige fietsen in de advertenties aanzienlijk hogere vraagprijzen heeft vermeld. Dat eiser ook kosten heeft gemaakt alvorens de fietsen te verkopen en er per saldo weinig aan overhield, zoals hij stelt, doet hierbij niet ter zake. Het is immers vaste rechtspraak dat bij de vaststelling van inkomsten uit arbeid die op de bijstand in mindering worden gebracht geen rekening wordt gehouden met verwervingskosten (zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 22 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2135).

8.

Gelet op het vorenoverwogene was verweerder ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb (zoals dat artikel ten tijde in geding luidde) bevoegd om het recht op bijstand van eiser over de periode 15 april 2004 tot en met 31 maart 2012 met inachtneming van de door eiser genoten inkomsten à € 75 netto per week te herzien. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van deze bevoegdheid.

9.1

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het bepaalde in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb (zoals dat artikel ten tijde in geding luidde), zodat verweerder bevoegd was om de in de periode in geding aan eiser teveel betaalde bijstand van hem terug te vorderen. De hoogte van het terugvorderingsbedrag is niet betwist.

9.2

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan verweerder zou moeten afzien van terugvordering van bijstand. Eiser heeft gesteld dat hij ernstige psychische beperkingen heeft en dat hij depressief wordt van de hele situatie. Hij sluit zich af van de buitenwereld en leeft als een soort kluizenaar. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dringende redenen en heeft in dit verband verwezen naar het door Argonaut Advies B.V. op 22 februari 2013 en 7 juni 2013 uitgebrachte rapport.

9.3

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt en verwijst daartoe naar het hiervoor genoemde rapport van Argonaut. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat eiser zijn standpunt niet met objectief medische gegevens, dan wel anderszins, heeft onderbouwd, zodat geen aanknopingspunt bestaat om niet uit te gaan van de inhoud van het rapport van Argonaut Advies B.V.. Ook overigens heeft eiser geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik had kunnen maken.

10.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. M.J.P. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.