Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3184

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_7954
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag vervoersvoorziening WMO – woonplaats in gemeente. Eiseres is verhuisd naar een andere gemeente nadat zij een aanvraag voor een vervoersvoorziening (aanpassing auto) heeft aangevraagd bij het college. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres ten tijde van het primaire besluit niet meer woonachtig was in de bevoegde gemeente. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit in aanmerking heeft genomen bij de beantwoording van de vraag of eiseres geacht kon worden jegens verweerder (nog) een aanspraak op compensatie (voor haar vervoersprobleem) in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo te hebben. Weliswaar woonde eiseres ten tijde van de aanvraag in de gemeente Voorst en dienen alle feiten en omstandigheden vanaf de aanvraag tot aan de datum van het primaire besluit in acht te worden genomen, toch hoefde dat in dit geval niet te leiden tot een (gedeeltelijke) toekenning van de voorziening over de periode tot de verhuizing. Er is namelijk geen sprake van een duuraanspraak, maar van een ‘eenmalige’ voorziening in natura. Een redelijke uitleg van dit samenstel van verordening en jurisprudentie van de CRvB brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat niet voorbij kan worden gegaan aan het feit dat eiseres kort na haar aanvraag niet meer behoorde tot de doelgroep. Dit geldt temeer, nu zij sindsdien elders – namelijk in haar nieuwe woongemeente – tot de doelgroep is gaan behoren en daar ook daadwerkelijk een aanvraag voor dezelfde voorziening heeft gedaan en ontvangen. De rechtbank is van mening dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat een belanghebbende gedurende een bepaalde periode – in dit geval de periode tussen haar verhuizing en het primaire besluit – in twee gemeenten voor dezelfde soort voorziening in aanmerking zou moeten kunnen komen. De aanvraag is terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 13/7954

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. A. van den Os),

en

college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst te Twello, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een vervoersvoorziening krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 30 september 2013 heeft verweerder eiseres laten weten het besluit van 1 november 2013 te gaan herzien. Bij besluit van 1 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde G.J. Singel.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft de beschikking over een [auto] die aan haar beperkingen is aangepast. In verband hiermee heeft verweerder haar een vervoersvoorziening toegekend op grond van de Wmo. Volgens eiseres is deze auto aan vervanging toe en kunnen de aanpassingen niet worden overgezet in een nieuwe auto. Op 27 december 2011 heeft eiseres een aanvraag ingediend bij verweerder voor een aantal voorzieningen, waaronder de aanpassing van een nieuwe auto. Bij besluit van 5 maart 2012 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gelaten. Bij besluit van 25 juli 2012 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Het beroep tegen dat besluit is bij uitspraak van deze rechtbank van 20 maart 2013 (zaaknummer ZUT 12/1298 WMO) ongegrond verklaard. Eiseres is in hoger beroep gegaan.

Op 12 april 2013 heeft eiseres wederom een aanvraag gedaan voor een vervoersvoorziening, te weten reparatie dan wel vervanging van de huidige autoaanpassing.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde vervoersvoorziening afgewezen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres ten tijde van haar aanvraag weliswaar was ingeschreven in de gemeente Voorst, maar dat al bekend was dat eiseres naar de gemeente [woongemeente] zou verhuizen. Nu de uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA; thans: Basisregistratie Personen) per 1 mei 2013 een feit is, kan eiseres geen aanspraak maken op een Wmo-voorziening van de gemeente Voorst. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd.

3.

Eiseres heeft aangevoerd dat haar aanvraag in behandeling had moeten worden genomen, omdat zij ten tijde van de aanvraag woonachtig was in de gemeente Voorst. Het was verweerder bekend dat eiseres al eerder een aanvraag voor een vervoersvoorziening in de vorm van een autoaanpassing heeft gedaan, die niet in behandeling is genomen. Daarnaast heeft verweerder in een besluit van 8 juli 1999 expliciet aangegeven dat een afschrijvingstermijn van tien jaar voor de auto en de autoaanpassingen wordt gehanteerd. Deze termijn is al meer dan vier jaar verstreken, waarmee de noodzaak tot vervanging is gegeven. Eiseres heeft eerst de uitspraak in de vorige beroepszaak afgewacht en daarna een nieuwe aanvraag ingediend. Ook als zij vlak na de zitting van 4 februari 2013 een herhaalde aanvraag had ingediend, had verweerder deze niet voor de verhuisdatum van eiseres afgehandeld.

4.

In artikel 4, eerste lid, van de Wmo is - voor zover hier van belang - bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, van deze wet ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

In artikel 5, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

De in artikel 5, eerste lid, van de Wmo bedoelde regels zijn neergelegd in de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Voorst (hierna: Verordening).

Ingevolge artikel 1.0, aanhef en onder m, van de Verordening wordt in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving verstaan onder hoofdverblijf: de woonruimte waar de aanvrager zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven of ingeschreven zal gaan worden, dan wel het feitelijk woonadres indien de aanvrager een in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerd briefadres heeft.

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening, voor zover van belang, wordt geen voorziening toegekend, indien de aanvrager niet zijn hoofdverblijf in de gemeente Voorst heeft of zal hebben, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4.10, tweede tot en met vierde lid van deze verordening.

5.

Een redelijke uitleg van artikel 4, eerste lid, van de Wmo brengt mee dat de aldaar bedoelde compensatieverplichting van verweerder uitsluitend bestaat jegens degenen die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. In overeenstemming daarmee is in artikel 1.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening expliciet bepaald dat geen voorziening wordt toegekend, indien de aanvrager niet in de gemeente Voorst woonachtig is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285).

Niet in geschil is dat eiseres ten tijde van de aanvraag (12 april 2013) in de GBA van de gemeente Voorst stond ingeschreven en vanaf 1 mei 2013 staat ingeschreven in de GBA van de gemeente [woongemeente].

6.

Het geschil spitst zich toe op de vraag van welk moment dient te worden uitgegaan voor het al dan niet toekennen van de gevraagde voorziening. Verweerder is uitgegaan van de datum van het primaire besluit en eiseres heeft aangevoerd dat uitgegaan dient te worden van het moment van de aanvraag.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit in aanmerking heeft genomen bij de beantwoording van de vraag of eiseres geacht kon worden jegens verweerder (nog) een aanspraak op compensatie (voor haar vervoersprobleem) in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo te hebben. Weliswaar woonde eiseres ten tijde van de aanvraag in de gemeente Voorst en dienen alle feiten en omstandigheden vanaf de aanvraag tot aan de datum van het primaire besluit in acht te worden genomen, toch had dit niet kunnen leiden tot een (gedeeltelijke) toekenning van de voorziening over de periode tot 1 mei 2013. Daarbij acht de rechtbank van belang dat geen sprake is van een duuraanspraak, zoals een periodiek uitbetaalde uitkering, maar van een ‘eenmalige’ voorziening in natura. Een redelijke uitleg van dit samenstel van verordening en jurisprudentie van de CRvB brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat niet voorbij kan worden gegaan aan het feit dat eiseres kort na haar aanvraag niet meer behoorde tot de doelgroep. Dit geldt temeer, nu zij sindsdien elders – namelijk in haar nieuwe woongemeente – tot de doelgroep is gaan behoren en daar, zoals ter zitting is gebleken, ook daadwerkelijk een aanvraag voor dezelfde voorziening heeft gedaan. Aan eiseres is door het college van de gemeente [woongemeente] een vervoersvoorziening toegekend, zij het een andere dan de door haar gewenste. De rechtbank is van mening dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat een belanghebbende gedurende een bepaalde periode – in dit geval de periode tussen haar verhuizing en het primaire besluit – in twee gemeenten voor dezelfde soort voorziening in aanmerking zou moeten kunnen komen. Het voorgaande houdt in dat verweerder op goede gronden tot afwijzing van de aanvraag is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 1.1, derde lid, van de Verordening en de afwijzing gehandhaafd.

7.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.L. Verwijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.