Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3086

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
05/054970-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In zorginstelling verblijvende verdachte maakt zich schuldig aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht richting een hulpverlener. De rechtbank constateert dat in de rapporten van de psychiater en psycholoog niet is gemotiveerd welke factoren er toe hebben geleid dat verdachte in deze zaak als sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht moet worden terwijl slechts ruim een jaar eerder verdachte onder kennelijk vergelijkbare omstandigheden geheel ontoerekeningsvatbaar werd geacht. De rechtbank concludeert dat verdachte ook in deze zaak ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2014/43 met annotatie van P.A.M. Mevis en M.J.F. van der Wolf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/054970-13

Uitspraak d.d. 13 mei 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Raadsman: mr. M. van Kan, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 april 2014.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 december 2012 te Wilp, gemeente Voorst ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een

persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, door opzettelijk (met kracht) met een hamer althans een hard

voorwerp in de richting van het hoofd althans het lichaam van die

[slachtoffer] te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden;

hij op of omstreeks 11 december 2012 te Wilp, gemeente Voorst [slachtoffer]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend staande op korte

afstand van die [slachtoffer] voornoemd een hamer althans een hard

voorwerp (gericht) gehouden/getoond en/of (vervolgens) daarbij opzettelijk

dreigend de woorden heeft toegevoegd:"ik sla je hersens in en/of

(vervolgens) ik kom je nog wel tegen en/of (vervolgens) ik maak je kapot"

althans woorden en/of feitelijkheden van gelijke bedreigende aard en/of strekking ;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling zal moeten worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en dat de door hem verrichte handelingen moeten worden beschouwd als een deugdelijke poging daartoe.

De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande onvoldoende kan worden vastgesteld. In de eerste plaats bevat de verklaring van [slachtoffer] met betrekking tot het mogelijk daadwerkelijk met de hamer geraakt worden te veel onzekerheden in de trant van ‘ik had het idee’ en ‘ik had het gevoel’. Dit lijken eerder interpretaties dan daadwerkelijke waarnemingen. De afgelegde getuigenverklaring werpt hierop geen ander licht. In de tweede plaats heeft verdachte heeft ter zitting zelf verklaard dat de hamer alleen bedoeld was om mee te dreigen en niet om [slachtoffer] te raken en dat hij dat ook niet eens geprobeerd heeft. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte een hamer in zijn hand had maar niet dat hij met deze hamer in de richting van (het hoofd) [slachtoffer] heeft geslagen. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat hij opzettelijk en deugdelijk heeft gepoogd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrij spreken.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding van het onderzoek

Verdachte verbleef ten tijde van het tenlastegelegde op een afdeling voor mensen met een verstandelijke beperking binnen de zorginstelling voor verstandelijk gehandicapten [instelling] te Wilp. Op 14 december 2012 is door de manager van [instelling], [manager], namens [slachtoffer] aangifte gedaan van een poging tot zware mishandeling door verdachte. De politie is daarop een opsporingsonderzoek begonnen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft zij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde en zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsman heeft een en ander verwoord zoals weergegeven in de door hem overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden. De verschillende verklaringen en bevindingen zijn hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven.1

[slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 11 december 2012 als assistent woonondersteuner werkzaam was bij de Stichting [instelling] te Wilp binnen de gemeente Voorst. Tussen [slachtoffer] en verdachte ontstond die avond mondelinge onenigheid over de wijze van verstrekking van een medicijn aan verdachte.2 Op enig moment sommeerde [slachtoffer] verdachte om naar zijn kamer te gaan. Toen [slachtoffer] de deur wilde sluiten en nog even om de deur heen wilde kijken of verdachte naar zijn kamer ging, zag hij dat verdachte in de hal stond met een geheven klauwhamer. Verdachte stond voor hem. [slachtoffer] zag en had het gevoel dat verdachte hem wilde slaan.3 Na het incident was verdachte verbaal erg agressief en dreigend. Verdachte zei tegen [slachtoffer] en zijn collega’s dat hij hun kapot zou maken.4 Een andere bij Stichting [instelling] werkzame medewerker, [medewerker], hoorde dat verdachte ten tijde van het incident met de hamer riep: “Ik sla je hersens in”.5 Verdachte heeft ter zitting de vraag van de voorzitter of de hamer bedoeld was om daarmee te dreigen bevestigend beantwoord en daaraan toegevoegd dat hij nooit de bedoeling heeft gehad om [slachtoffer] te raken.6

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 11 december 2012 te Wilp, gemeente Voorst, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend staande op korte afstand van die [slachtoffer] voornoemd een hamer gehouden en opzettelijk dreigend de woorden heeft toegevoegd: "ik sla je hersens in en ik maak je kapot" althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Strafbaarheid van de verdachte

Uit het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 22 september 2013 door dr. [psychiater 1], psychiater, komt naar voren dat verdachte lijdende is aan ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een autisme spectrum stoornis en aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking. Deze stoornissen waren ook aanwezig en actueel tijdens het plegen van het tenlastgelegde feit. De stoornissen beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte kan sociale situaties niet goed overzien en reageert met inadequate primitieve coping mede doordat hij zich onvoldoende in de ander kan verplaatsen en niet op flexibele wijze bij oplopende stress op onverwachte gebeurtenissen kan reageren. Door zijn autisme verliest hij dan de controle over zijn agressie en reageert direct af naar materiaal en door dreiging naar de hulpverlening. Verdachte had ten tijde van het ten laste gelegde enerzijds voldoende inzicht in de wederrechtelijkheid van de begane feiten, anderzijds geeft de psychiater aan dat in september 2013 de hoofdbehandelaar, [behandelaar], van verdachte in zijn behandelplanbespreking opmerkt dat verdachte de ernst van zijn gedragingen niet inziet. [behandelaar] geeft voorts aan dat verdachte begrijpt gewelddadig gedrag niet mag, maar dit niet op zichzelf toepast.

Door zijn zwakzinnigheid is er een achterstand in zijn cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling op het niveau van een kleuter. Daardoor schieten zijn oordeels- en kritische vermogen ernstig te kort en kan hij zich niet inleven in de ander. Hij overziet de consequenties onvoldoende en heeft een verminderde interne remming. Hij is alleen tot een egocentrisch (emotioneel onvolwassen) perspectief in staat.

[psychiater 1] adviseert om verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De onderzoeker acht een langdurige klinische behandeling van de psychiatrische stoornis nodig ten einde recidive op basis van de ziekelijke stoornis te voorkomen. Het uiteindelijke advies van de onderzoeker is om de maatregel TBS met verpleging van overheidswege op te leggen.

Door [psychiater 1] wordt in zijn rapport van 22 september 2013 onder meer verwezen naar eerdere over verdachte opgemaakte rapporten. Naar aanleiding van een incident op 20 oktober 2011 waarbij verdachte een begeleidster met een mes heeft bedreigd, werd verdachte in 2012 multidisciplinair onderzocht door [psychiater 2], psychiater en dr. [psycholoog 1], psycholoog.

Verdachte werd door [psychiater 2] in zijn rapportage Pro Justitia van 3 juli 2012 beschreven als iemand met een matige verstandelijke beperking, cognitief functionerend als een 5-jarige, sociaal-emotioneel op een niveau van een 1 tot 3-jarige, met een taalgebruik op een niveau van een 7-jarige en daarbij een PDD-NOS. Verdachte werd door [psychiater 2] gediagnosticeerd met autisme, intermitterende explosieve stoornis en lichte zwakzinnigheid. “Hij kan situaties niet goed overzien en reageert dan met primitieve coping vormen. Betrokkene kan zich niet goed in anderen en zichzelf inleven en hanteert daardoor afwijkende manieren om met anderen en problemen om te gaan. Hij kan niet flexibel op andere en onverwachte gebeurtenissen reageren. Derhalve ontoerekeningsvatbaar.”, aldus [psychiater 2].

Verdachte werd door [psycholoog 1] in zijn rapportage Pro Justitie van 16 juli 2012 gediagnosticeerd met een autismespectrum stoornis en verstandelijke beperkingen. Geadviseerd werd om verdachte ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Volgens [psycholoog 1] zal verdachte zijn leven lang zijn aangewezen op begeleiding en structuur.

Zowel [psychiater 2] als [psycholoog 1] adviseerden een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. [psychiater 2] adviseerde in het bijzonder dat verdachte binnen de Stichting [instelling] wordt geplaatst, met overdracht van behandeling zodat deze maatregel na verloop van tijd omgezet kan worden in een BOPZ-plaatsing.

Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 14 oktober 2013 door drs. [psycholoog 2], klinisch psycholoog, komt met betrekking tot de geconstateerde stoornissen tot een gelijke conclusie als dr. [psychiater 1]. Daardoor kon verdachte de situatie die zich voordeed (het geven van medicatie door een personeelslid) niet goed beoordelen en beleefde hij het als een grote en onverwachte verandering van wat hij gewend was. Verdachte werd boos en was niet in staat zijn boosheid onder controle te brengen. [psycholoog 2] geeft voorts aan dat verdachte in zijn denken en praten een kinderlijke indruk, zowel cognitief als emotioneel. Binnen het kader van de biografische anamnese verwijst [psycholoog 2] ook naar een rapport betreffende verdachte uit 2008 van mw. [seksuologe], seksuologe, waarin naar voren komt dat verdachte destijds intellectueel als een 5-jarige fungeerde en sociaal-emotioneel als een 3-jarige.

Uit het testpsychologisch onderzoek komt naar voren dat op basis van zes subtests die deel uit maken van de zogenaamde Algemene Vaardighedenindex naar voren komt dat verdachte op een zwakzinnig niveau acteert. [psycholoog 2] heeft voorts gemeend de persoonlijkheid van verdachte niet verder te onderzoeken met de gebruikelijke testmethoden, gelet op de omstandigheid dat verdachte verstandelijk beperkt is, zijn belastbaarheid op het moment van onderzoek niet optimaal was en de hoofddiagnose relatief evident was.


Verdachte is op veel levensgebieden niet in staat zich te handhaven, zowel met betrekking tot de alledaagse activiteiten (financieel beheer, sociale omgang, zelfstandig wonen) als met betrekking tot de meer abstractie kwaliteiten (begrip en overzicht, inzicht, kennis, logisch nadenken, abstraheren). Verdachte is gezien de aard en chroniciteit van zijn handicaps blijvend aangewezen op zorg.

[psycholoog 2] adviseert net als psychiater [psychiater 1] om verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Verdachte heeft, aldus [psycholoog 2], een langdurige klinische behandeling van zijn stoornissen nodig met een relatief hoog beveiligingsniveau. Gezien de psychiatrische stoornis die in relatie staat tot het gevaar voor herhaling van een ernstig delict adviseert de onderzoeker de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Uit het reclasseringsrapport van 23 april 2014 komt naar voren dat uit het incidentenoverzicht van [instelling] blijkt dat verdachte regelmatig verbaal en fysiek agressief wordt tegen zijn begeleiders, maar dat hier behalve in 2011, geen aangiftes van zijn gedaan. Door de aanpak van de begeleiders in [verblijfplaats], hebben zich daar tot nu toe geen (ernstige) incidenten voorgedaan. De behandelaar van verdachte van de [verblijfplaats] is van mening dat de heer [verdachte] vanuit een gesloten setting, en na enkele jaren, wellicht kan wonen en werken op een terrein van een instelling die is gespecialiseerd in het begeleiden van mensen met autisme en een verstandelijke beperking. Door de gebrekkige motivatie van de heer [verdachte] voor een dergelijk proces, is nu niet goed in te schatten in hoeverre betrokkene in staat is om hieraan mee te werken. Op basis van de beschikbare informatie wordt de kans op recidive door de reclassering hoog ingeschat. Vanuit de eerdere begeleidingen door diverse instanties kan worden gesteld dat de kans dat de heer [verdachte] zich probeert te onttrekken aan de voorwaarden en begeleiding groot is. De kans is groot dat de heer [verdachte] in conflict blijft komen met begeleiders die hem duidelijke grenzen stellen.

Rapporteur heeft geen informatie die zou kunnen leiden tot een ander advies dan hetgeen de psycholoog en de psychiater hebben geadviseerd: TBS van overheidswege. De reclassering ziet geen mogelijkheden om een plan van aanpak op te stellen dat zowel recht doet aan de problematiek van betrokkene als mede aan het verminderen van de kans op recidive.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het de verdachte betreffende reclasserings-rapport van 5 juli 2013. Uit dit rapport blijkt onder meer dat verdachte zich qua emotionele ontwikkeling bevindt in de eerste individuatiefase, die vergelijkbaar is met die van een kind tussen de 18 en 36 maanden. Op het gebied van de verbale communicatie bevindt verdachte zich op het niveau van een kind tussen de 18 maanden en 7 jaar. Het zorgplan van [instelling 2], de instelling waar verdachte verbleef voor Stichting [instelling], vermeldt dat verdachte cognitief functioneert op de leeftijd van een 5-jarige en de zelfredzaamheid heeft van een 8-jarige.

De rechtbank constateert dat in de rapporten van [psychiater 1] en [psycholoog 2] niet is gemotiveerd welke factoren er toe hebben geleid dat verdachte thans, althans in september 2013, als sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht moet worden terwijl (slechts) ruim een jaar eerder, immers in juli 2012, verdachte onder kennelijk vergelijkbare omstandigheden geheel ontoerekeningsvatbaar werd geacht.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2013 blijkt niet dat verdachte eerder wegens soortgelijke delicten veroordeeld. Uit de stukken komt naar voren dat de aanleiding en de mate van gewelddadigheid van het incident van 20 oktober 2011 in grote lijnen overeenkomst met het onderhavige delict. Het incident van 20 oktober 2011 is volgens het uittreksel bij beslissing van 21 augustus 2012 uitgemond in een sepot met als sepotgrond ‘dader niet strafbaar’.

De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat het onderhavige feit, met de veronderstelde bekendheid van eerdere jegens verdachte opgemaakte persoonlijkheidsonderzoeken, aanvankelijk bij de politierechter aanhangig is gemaakt. Daarmee heeft de officier van justitie, gelet op artikel 369 lid 2 Wetboek van Strafvordering, destijds kennelijk in elk geval niet willen beogen dat toepassing zou worden gegeven aan artikel 37a Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande en met name de omstandigheid dat in weerwil van de door [psycholoog 2] en [psychiater 1] recent opgemaakte adviezen niet valt aan te nemen dat zich sinds 2012 een verandering heeft voorgedaan in de door de verschillende onderzoekers vastgestelde stoornissen en het psychische toestandsbeeld van verdachte. De meest recente inhoud van de door [psycholoog 2] en [psychiater 1] opgestelde rapporten geven daar eenvoudigweg geen handvatten voor. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande dan ook redenen om, mede gelet op de indruk die de rechtbank ter zitting heeft gekregen van verdachte, het door [psycholoog 2] en [psychiater 1] gegeven advies met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid niet te volgen en een zwaarder gewicht toe te kennen aan de rapportages uit juli 2012, waarin werd geadviseerd verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te achten. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank het bewezen verklaarde strafbare feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, tot welke conclusie de officier van justitie ook was gekomen. Verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van TBS-maatregel?

De officier van justitie heeft terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging gevorderd. De raadsman heeft zich hiertegen verzet en bepleit dat de huidige opname van verdachte op grond van een rechterlijke machtiging geheel beantwoordt aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan.

De rechtbank ziet geen plaats voor een terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging, nu het in deze naar het oordeel van de rechtbank gaat om een situatie die met name wordt beheerst door het bepaalde in artikel 37 Sr. Dat betekent dat de rechtbank dient te beoordelen of er een noodzaak is verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen.

Plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis?

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de multidisciplinaire rapporten vast dat verdachte reeds van jongs af aan in zorginstellingen verblijft en sinds enkele jaren met een rechterlijke machtiging in het kader van de BOPZ is opgenomen. Verdachte verblijft thans in [verblijfplaats]. Mede gelet op de door de rapporteurs beschreven problematiek bij verdachte is niet aannemelijk geworden dat de huidige rechterlijke machtiging in het kader van de BOPZ tussentijds zal worden opgeheven. Daar komt bij dat nergens uit blijkt dat verdachtes gedrag op dit moment in [verblijfplaats] voor dusdanig acuut gevaar zorgt dat hij daar om die reden niet kan blijven. Nu niet gebleken is van de noodzaak verdachte in een ander psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen dan [verblijfplaats], alwaar hij dus reeds op grond van een rechterlijke machtiging verblijft, ziet de rechtbank geen aanleiding plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te gelasten. Gezien al het voorgaande biedt de huidige BOPZ-maatregel naar het oordeel van de rechtbank voldoende bescherming van potentiële slachtoffers en de maatschappij èn verdachte zelf. De rechtbank gaat dan ook op dit punt voorbij aan het deskundigenadvies dat in deze zaak is uitgebracht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan;

  • -

    verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

 verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door mrs. Cremers, voorzitter, mr. Bijl en mr. Knoop, in tegenwoordigheid van mr. Koster, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 mei 2014.

Mr. Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630 2012168279-13 Politie Regio Noord- en Oost Nederland, gesloten en ondertekend op 24 januari 2013.

2 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer], p. 27

3 Idem, p. 23

4 Idem, p. 29

5 Proces-verbaal verhoor getuige [psycholoog 2], p.30

6 Proces-verbaal ter terechtzitting van 29 april 2014