Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:3078

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
230976
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op tussenvonnis van 27 februari 2013;

eindvonnis na deskundigenbericht; niet gebleken dat te diep zaaien de oorzaak van de slechte kieming van de zaden is geweest; niet gebleken dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/230976 / HA ZA 12-412

Vonnis van 30 april 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te[vestigingsplaats], gemeente[vestigingsplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T.B.M. Kersten te Rosmalen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente[vestigingsplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. Stegeman te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna[eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juli 2013

  • -

    het deskundigenbericht van [naam] d.d. 29 november 2013

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van[eiseres], tevens houdende akte vermeerdering van eis,

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde].

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De (verdere) beoordeling van het geschil

in conventie

2.1.

[eiseres] heeft bij akte haar eis vermeerderd in die zin, dat zij aan haar vorderingen, weergegeven in het tussenvonnis van 27 februari 2013, onder 3.1.a en b subsidiair heeft toegevoegd (a) te verklaren voor recht dat [gedaagde] proportioneel aansprakelijk is en (b) dat [gedaagde] proportioneel wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding naar evenredigheid van € 5.189,48 en € 171.417,--, meer subsidiair de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Verder heeft[eiseres] gevorderd [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 6.823,90 wegens de door haar betaalde/voorgeschoten kosten van de deskundigen.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis.

2.2.

Beoordeeld moet worden of de vermeerdering van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde (artikel 130 Rv). Van belang daarbij is of er sprake is van onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel van onredelijke vertraging van het geding.

Geoordeeld wordt dat daarvan geen sprake is. De vermeerderde vorderingen vloeien grotendeels voort uit de eerdere stellingen van[eiseres]en [gedaagde] heeft zich daartegen en tegen de vermeerderde vorderingen kunnen verweren, zoals zij ook in haar laatste conclusie heeft gedaan. Van een onredelijke bemoeilijking van de verdediging is onder die omstandigheden geen sprake. Het geding wordt ook niet onredelijk vertraagd door de vermeerdering van eis. Bij de verdere beoordeling van het geschil zal derhalve worden uitgegaan van de vermeerderde vorderingen.

2.3.

In het tussenvonnis van 27 februari 2013 heeft de rechtbank overwogen en beslist dat ervan wordt uitgegaan dat het (door[eiseres] in het geding gebrachte) rapport van [bedrijf] is uitgevoerd zonder [gedaagde] daarin te betrekken. In het laatste tussenvonnis is de rechtbank, anders dan[eiseres] had verzocht, niet van deze beslissing teruggekomen.[eiseres] heeft de rechtbank thans wederom verzocht van deze beslissing terug te komen. Zij heeft in dat verband aangeboden te bewijzen dat[naam] (van [gedaagde]) bij het onderzoek van [bedrijf] aanwezig is geweest door[naam] van [bedrijf] en[eiseres]als getuigen te horen.

2.4.

De rechtbank zal op deze verzoeken van[eiseres] hierna, in rechtsoverweging 2.17., ingaan.

2.5.

In het laatste tussenvonnis zijn aan de daarbij benoemde deskundige onder meer de volgende vragen voorgelegd:

1. Wilt u na bestudering van het dossier en (uitvoerige) bespreking van de kwestie met beide partijen in kaart brengen hoe het zaaiproces van de 128-gaats, 288-gaats trays en de (handmatig bezaaide) zaaibakken naar alle waarschijnlijkheid is geweest en waarop u zich daarbij baseert? Zijn er verschillen vast te stellen? Zo ja, welke?

2. Welke van die door u geconstateerde verschillen c.q. welke door [gedaagde] genoemde omstandigheden (in het bijzonder opgesomd in haar conclusie van antwoord onder nr. 53 e.v.) kunnen van negatieve invloed zijn op de kieming van de zaden in de 128-gaats trays?

Zijn u (overige) omstandigheden bekend die van negatieve invloed zouden kunnen zijn op de kieming van de zaden?

3. Aangenomen dat de zaden in de 128-gaats trays op een diepte van 1-1,5 centimeter lagen:

a. Wat is volgens u in dit geval de meest waarschijnlijke oorzaak/combinatie van oorzaken van de (gestelde) kieming van de Helleboruszaden in de 128-gaats trays? Wilt u bij voorkeur uitgedrukt in een percentage aangeven wat de meest waarschijnlijke oorzaak of combinatie van oorzaken lijkt? Wilt u uw antwoord gemotiveerd onderbouwen, onder meer door te verwijzen naar de bronnen waaruit u heeft geput?

b. Zou ook van een slechte kieming sprake kunnen zijn geweest bij overigens optimale teeltomstandigheden? Zo nee, waarom niet? Anders gevraagd: kan de diepe ligging van het zaad de enige oorzaak zijn van de slechte kieming of leidt die diepe ligging uitsluitend in combinatie met andere omstandigheden tot een slechte kieming?

c. Wat is uw verklaring voor het aantreffen van de zaden op die diepte? Acht u andere oorzaken dan het op die diepte aanbrengen van de zaden door [gedaagde] mogelijk, zo ja welke?

Hoe waarschijnlijk acht u die andere oorzaken, bij voorkeur uitgedrukt in een percentage.

Wilt u uw antwoord gemotiveerd onderbouwen, onder meer door te verwijzen naar de bronnen waaruit u heeft geput?

4. Zou ook van een slechte kieming sprake kunnen zijn geweest bij oppervlakkige zaaiing op een diepte van 2-4 mm?

5. Is het gebruikelijk dat zadenleveranciers bij zaadpartijen van de onderhavige omvang eerst kiemproeven doen?

2.6.

De deskundige heeft, alvorens de vragen te beantwoorden, op 4 oktober 2013 de bedrijven van partijen bezocht in aanwezigheid van de heren[eiseres]en[naam]en hun advocaten. In het bedrijf van [gedaagde] is de zaaimachine - een zogenoemde [naam] machine -getoond en is door[naam] van [gedaagde] uitleg gegeven over de werking daarvan.

Daarna heeft de deskundige anderhalf uur met partijen en hun advocaten gesproken. Ten slotte is op twee locaties binnen het bedrijf van[eiseres] bekeken hoe de zaden verder behandeld zijn.

2.7.

Onder punt 1 van zijn rapport heeft de deskundige, als antwoord op vraag 2.5.1, het zaaiproces van de verschillende trays en de zaaibakken beschreven. De deskundige heeft daarbij op de volgende zaken de aandacht gevestigd:

a. “De diameter van de ponsgaten is bij beide trays even groot, zo’n 1,5 cm. Alleen onderin versmallen de ponsgaten van de 288 tray zich wat meer. Als de 128 gaats tray inderdaad te diep zou zijn gezaaid ligt het zaadje in een gat wat 1.5 cm in doorsnee is. Vervolgens is er bij beide trays dezelfde hoeveelheid vermiculite opgebracht. M.a.w. de afdeklaag was bij beide trays even dik. Men kan zich dus afvragen of het zaad in de 128 tray wel zo diep begraven lag. Het lag wel dieper, maar was de afdeklaag werkelijk 1-1.5 cm dik?”

Naar aanleiding van een opmerking daarover door[eiseres] in haar brief aan de deskundige van 5 november 2013 (reactie op het concept-rapport) heeft de deskundige daaraan in zijn definitieve rapport nog toegevoegd:

“Op de foto op pag. 10 van het[bedrijf] rapport lijkt er zich geen vermiculite afdeklaag van 1-1.5 cm dik op de tempex tray te bevinden. De foto op pagina 9 waar men met een blauw stokje de diepte van de zaden meet is zo onduidelijk dat ik geen waarde hecht aan de bewering dat dit het bewijs zou zijn van te diep zaaien. Ten eerste is het zaad op deze foto niet te zien, ten tweede heeft men er geen meetlatje met mm verdeling bij gehouden”.

b. “Door water te geven kan het ponsgaatje vol gelopen zijn met zaaigrond en dat zal tot op zekere hoogte ook wel het geval geweest zijn. Maar daarop kan men weer zeggen dat dit door de fijne neveldoppen, waarmee de tray aan het eind van de zaailijn bevochtigd is, nauwelijks het geval geweest is”.

Naar aanleiding van een opmerking daarover door[eiseres] in haar hiervoor genoemde brief aan de deskundige van 5 november 2013 heeft de deskundige daaraan in zijn definitieve rapport nog toegevoegd:

“Ik heb deze neveldoppen niet in werking gezien, maar kan me niet voorstellen dat een gerenommeerd merk als [naam] daar grove neveldoppen op zou monteren, vooral omdat het overgrote deel van de bloemzaden kleiner zijn dan die van Helleborus”.

c. “Dhr.[eiseres]heeft gezegd dat hij in de vervolgbehandeling de trays niet daadwerkelijk verder bevochtigd heeft. Wel heeft hij te kennen gegeven dat hij de trays in de voorbehandelingperiode in een door en door vochtige ruimte heeft bewaard, waardoor de trays niet uit konden drogen. Eén grote vraag rijst op. Als de zaden te diep in de TRAYS gezaaid waren, kan men twijfels hebben of ze ook onder zo’n dikke AFDEKLAAG gelegen hebben. Op de foto’s van[bedrijf] kan men dit niet duidelijk zien”.

Naar aanleiding van een opmerking daarover door[eiseres] in haar hiervoor genoemde brief aan de deskundige van 5 november 2013 heeft de deskundige daaraan in zijn definitieve rapport nog toegevoegd:

“De mogelijkheid bestaat nog dat het ponsgaatje tijdens het transport ingekalfd is, dus dat de randen van het ponsgaatje instorten. Dat gebeurt vooral als de zaaigrond nog droog is. Deze is echter voor het transport door neveldoppen bevochtigd. Ook heb ik gezien dat de noppen op de dribbelplaat wat taps toelopen, wat het inkalven zou moeten tegengaan. Niettemin bestaat de kans dat de ponsgaten wat ingekalfd zijn tijdens het transport”.

d. “Een verschil is zeker dat de ene tray van tempex was en de ander van plastic. De tempex tray (128 gaats) heeft een grotere plug dan de 288 tray van plastic. Zowel het materiaal van de tray, als de grote van de cup zijn van invloed op de waterhuishouding van de zaaigrond”.

2.8.

In antwoord op vraag 2.5.2 heeft de deskundige onder meer aangegeven dat te vochtig of te droog in de voorbehandeling gaan van de trays van invloed kan zijn op de kieming. Voor het onderhavige geval heeft hij daarover geschreven:

“Dit is iets wat niet meer na te gaan valt. Het volgende zou mogelijk hebben kunnen plaatsgevonden: Doordat[eiseres]de container en de tunnel in de schuur volledig luchtdicht heeft afgesloten en zelfs de bodem d.m.v. een viltmat en bevloeiingssysteem nat gehouden heeft kan men er wel van uitgaan dat er een luchtvochtigheid van 100% geheerst heeft. Zijn de toch al vochtige trays dan toch te nat geworden? Theoretisch zou men kunnen stellen dat de grotere trays (128 gaats) langer vochtiger geweest zijn dan de sneller opdrogende 288 tray?

De 128 gaats tray heeft een volume van 22 cm³, de 288 gaats een volume van 10 cm³. Dat betekent dat de 288 gaats sneller uitdroogt. Of dit verschil in vochtigheid bepalend is voor de kieming van het zaad valt niet meer vast te stellen, omdat dit afhankelijk is van de mate van vochtigheid waarmee de trays de voorbehandelingsruimtes ingingen.

Dat de trays te droog zijn geweest lijkt me onwaarschijnlijk. Dan zou juist de 288 gaats tray niet gekiemd zijn omdat deze sneller uitdroogt”.

Verder heeft de deskundige nog een aantal omstandigheden opgesomd, waaronder de door [gedaagde] in haar conclusie van antwoord genoemde omstandigheden die in het algemeen invloed kunnen hebben op de kieming van Helleboruszaden.

2.9.

Naar aanleiding van de vragen onder 2.5.3 onder a t/m c heeft de deskundige het volgende geantwoord:

a. Stel dat de zaden toch te diep lagen dan is de vochtigheid van de zaaigrond cruciaal. Is deze te vochtig dan zouden de zaden verrot zijn. In het[bedrijf] rapport staat: ‘Al het gekiemde zaad was nog intact’. Waarom geen foto’s hiervan gemaakt? (…). Bij verrotte zaden zou alleen een velletje, een vliesje overgebleven zijn, het bewijs van te natte zaaigrond. Bij alleen te diep liggen zouden de zaden nog intact moeten zijn.

Een tweede ernstig verzuim van het[bedrijf] rapport is: Waarom geen foto’s van gekiemde planten zonder potkluit? Ik bedoel waarom niet een vijftigtal zaailingen eruit getrokken, waarbij men aan de hand van het hypocotyl (het stengeldeel onder de kiembladen) had kunnen zien hoe diep deze zaden werkelijk gelegen hebben. Nu zien we alleen foto’s van trays, waarbij de zaaigrond veel verhult van wat er werkelijk gebeurd is.

Wat [naam]in het[bedrijf] rapport schrijft hoe hij de zaden aangetroffen heeft is me helder. Foto’s van doorgesneden zaden, van een aantal gekiemde zaailingen uit de tempextrays zoals hierboven aangegeven hadden duidelijkheid op dit gebied kunnen geven.

Ik kan geen percentage geven voor de meest waarschijnlijke oorzaak van de slechte kieming, dat is ondoenlijk. Maar de factor te natte zaaigrond moet zeker in overweging genomen worden.

b. Van een slechte kieming onder optimale teeltomstandigheden kan alleen sprake zijn als het zaad oud was of niet van goede kwaliteit. Alhoewel de foto’s van de 288 gaats trays wat duidelijker had gekund kan ik genoeg zien om te concluderen dat het zaad van goede kwaliteit was. De diepe ligging kan niet de enige oorzaak van de slechte kieming zijn. Dat heeft zoals gezegd mede te maken met de luchtigheid en vochtgehalte van de zaaigrond, de warmte en koudebehandeling en ten slotte de behandeling in de kas, waar ze moeten kiemen.

c. De zaden kunnen mijns inziens niet op een andere manier dan door de zaaimachine op een bepaalde diepte aangetroffen worden. Zoals gezegd, trilling en bewatering lijken me zeer onwaarschijnlijke factoren. De zaden zouden eerder omhoog komen. Maar of de zaden werkelijk op die diepte lagen kan ik uit de foto’s niet duidelijk herleiden. Nogmaals jammer dat er geen foto’s van naakte kiemende planten zijn genomen.

2.10.

Op de vragen 2.5.4 en 5 heeft de deskundige ten slotte geantwoord:

“4. Bij een oppervlakkige zaaiing zal de factor droogte van de zaaigrond een belangrijkere rol kunnen spelen. De bovengrond kan snel uitdrogen. Maar de warmte en koudebehandeling met uiteindelijk de opstelling in de kas zijn net zo belangrijk als bij diepe ligging van de zaden.

5. Kiemproeven hebben bij Helleborus niet veel zin. Op het moment dat de kiemproef afgelopen is, en deze zou op z’n minst drie maanden moeten duren, is het zaad van de Helleborus te oud geworden en dus onbruikbaar. Dit lijkt mij geen nalatigheid”.

2.11.

[gedaagde] heeft de inhoud van het deskundigenrapport onderschreven.[eiseres] niet. Zij heeft allereerst aangevoerd dat de veronderstelling van de deskundige dat de afdeklaag bij beide soorten trays even dik zou zijn geweest, aantoonbaar onjuist is. Zij heeft daarvoor verwezen naar de brief van[naam] aan haar advocaat d.d. 17 december 2014, inhoudende een reactie op het rapport van Kramer.[naam] schrijft in die brief op dit punt:

“De afdeklaag bestond uit enkel vermiculite en was 1 tot 1,5 centimeter dik. Ik heb bij het vastleggen van de diepte van het zaad diverse zaden blootgelegd en vastgesteld dat het zaad dus aanwezig was, niet verrot en op de aangegeven diepte zich bevond! De foto met het stokje is daarin duidelijk genoeg (…)”.

Met deze verklaring en de daarbij gevoegde foto’s staat volgens[eiseres] vast dat de zaden in de 128-gaats trays zich daadwerkelijk onder een afdeklaag van 1 tot 1.5 centimeter bevonden.

2.12.

Ervan uitgaande dat de deskundige de thans door[eiseres]in het geding gebrachte foto’s heeft gezien - het is onzeker - geldt dat daarop niet is te zien dat de zaden onderin de ponsgaten liggen. Maar als er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat dat wél zo is, zoals[eiseres] stelt, dan is dat niet relevant. Van belang is immers niet zozeer hoe diep de zaden lagen, maar vooral hoe dik de daarop aangebrachte (vermiculite) afdeklaag was. De bedoelde “foto met het stokje” geeft daarover ook niet de vereiste duidelijkheid, zoals de deskundige opmerkt, reeds omdat er geen meetlat met mm verdeling naast staat. Ook op de foto op pagina 10 van het[bedrijf]-rapport lijkt er zich volgens de deskundige geen vermiculite afdeklaag van 1-1,5 cm op de tempex tray te bevinden. Dat de verhoudingen op de desbetreffende foto de diepte van 1,5 cm bevestigen, zoals[naam] in zijn reactie van 17 december 2013 nog heeft geschreven, valt zonder verdere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien. Ervan uitgaande dat, zoals de deskundige na bezichtiging en uitleg over de werking van de zaaimachine door[naam]heeft geschreven, de ponsgaten in de beide trays (ongeveer) dezelfde diameter hebben en dat er bij beide trays dezelfde hoeveelheid vermiculite is opgebracht, is niet uit te sluiten dat de vermiculite afdeklaag in de 128 gaats tray minder dan 1-1,5 cm dik moet zijn geweest.

2.13.

Het voorgaande laat onverlet dat de vermiculite afdeklaag dikker kan zijn geworden omdat het ponsgat bij het geven van water of als gevolg van trillingen tijdens het vervoer is vol gelopen met zaaigrond van de afkalvende rand van het ponsgat. Dat dat is gebeurd als gevolg van het geven van water acht de deskundige onwaarschijnlijk. De daarvoor door de deskundige gegeven uitleg (hiervoor onder 2.7 onder b weergegeven) komt de rechtbank overtuigend voor.[eiseres] heeft daartegen nog aangevoerd dat de deskundige de neveldoppen niet in werking heeft gezien en dus niet kan beoordelen of de sproeikoppen fijn nevelen, maar de deskundige heeft de zaaimachine bekeken en na uitleg daarover door[naam]in zijn rapport (onder 1) geschreven dat de trays aan het einde van de zaailijn door middel van fijne neveldoppen gelijkmatig worden bevochtigd. Dat is duidelijk en behoefde geen verdere toelichting. Dat en waarom in dit geval niet met fijne sproeikoppen zou zijn gewerkt heeft[eiseres] verder ook niet toegelicht of anderszins aannemelijk gemaakt.

Dat de vermiculite afdeklaag dikker is geworden door het afkalven van de zaaigrond tijdens het transport acht de deskundige niet onmogelijk, maar dat gebeurt volgens hem vooral als de zaaigrond nog droog is, terwijl hier moet worden aangenomen dat de zaaigrond voor het transport was bevochtigd. Dat volgt uit de in punt 1 van het deskundigenrapport gegeven uitleg over de zaaimachine, waar, zoals hiervoor al is overwogen, onder andere staat:

“Aan het einde van de zaailijn wordt de tray d.m.v. fijne neveldoppen gelijkmatig bevochtigd”.

[eiseres] heeft wel aangevoerd dat de deskundige niet gezien heeft dat de zaaigrond voor transport is bevochtigd, maar het betreft hier een standaard handeling in het productieproces en[eiseres] heeft niet toegelicht dat en waarom die standaardhandeling in dit geval niet zou zijn verricht.

Ten slotte is van belang dat de deskundige op de aan hem getoonde foto’s niet kon zien of de zaden alleen onder een vermiculite afdeklaag hebben gelegen of dat ze door afkalving dieper onder de zaaigrond zijn komen te liggen.

2.14.

De deskundige heeft zijn antwoorden op de gestelde vragen, zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, goed gemotiveerd. Deze komen de rechtbank juist en overtuigend voor en worden door haar overgenomen. Op grond daarvan moet worden geoordeeld dat de conclusie in het rapport van [bedrijf], dat de enige oorzaak van het slecht kiemen van de zaden in de 128 gaats trays moet zijn gelegen in het te diep zaaien, dat wil zeggen het te diep afdekken van het zaad, geen stand kan houden, omdat op grond van de bevindingen van de deskundige onzeker is dat dat het geval is geweest. Daarbij komt nog dat uit het deskundigenrapport blijkt dat, anders dan [bedrijf] in haar rapport heeft geconcludeerd, de overige omstandigheden waaronder de zaden in de verschillende trays tot kieming zijn gebracht, niet gelijk waren.

2.15.

Bij de beantwoording van vraag 2.5.1. heeft de deskundige immers geschreven dat een verschil zeker is dat de 128 gaats tray van tempex was en de 288 gaats tray van plastic en dat zowel het materiaal als de grootte van de cup van invloed zijn op de waterhuishouding. Bij zijn antwoorden op de vragen 2.5.2. en 2.5.3.a en b heeft de deskundige met name gewezen op de mogelijkheid dat de 128 gaats trays te vochtig zijn geworden en dat de factor te natte zaaigrond, al kan geen percentage worden gegeven voor de meest waarschijnlijke oorzaak van de slechte kieming, daarbij zeker in overweging genomen moet worden, waaraan de deskundige nog heeft toegevoegd dat de diepe ligging niet de enige oorzaak van de slechte kieming kan zijn, omdat zulks mede te maken heeft met (onder andere) het vochtgehalte van de zaaigrond.[eiseres] heeft wel betwist dat de zaaigrond in de 128 gaats trays te nat is geworden, maar zij heeft de door de deskundige geconstateerde verschillen niet weersproken. Daarmee staat vast dat de omstandigheden waaronder de zaden in de verschillende trays tot kieming zijn gekomen niet gelijk zijn geweest.

2.16.

Van mogelijke andere factoren die van invloed kunnen zijn op het kiemproces, waaronder versheid van het zaad, verdichting van de zaaigrond, te vroeg of te laat uit de voorbehandeling gehaald, niet schoongemaakte of niet ontsmette trays, heeft de deskundige aangenomen dat die hier in orde zijn geweest, zodat het daarop door[eiseres] gegeven commentaar geen bespreking behoeft.

2.17.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de inhoud van het deskundigenbericht niet worden uitgegaan van de conclusie van [bedrijf] dat te diep zaaien de oorzaak van de slechte kieming van de zaden in de 128 gaats trays is geweest. Daarvoor bestaan te gefundeerde, door de deskundige geuite, twijfels over de dikte van de afdeklaag en over mogelijke andere oorzaken. Die twijfels zijn enerzijds ingegeven door zijn kennis en bevindingen en anderzijds door het gebrek aan vergelijkbaar onderzoeksmateriaal als waarover [bedrijf] beschikte. Dat dient[eiseres] te worden aangerekend. Zij had er immers destijds voor kunnen kiezen een voorlopig deskundigenbericht te laten plaatsvinden danwel relevant materiaal aan [gedaagde] ter beschikking te stellen voor onderzoek. Dat heeft zij nagelaten. Dit kan nu niet meer worden geheeld, ook niet wanneer moet worden aangenomen dat[naam](namens [gedaagde]) bij het onderzoek door[naam] van [bedrijf] aanwezig is geweest. Met een voorlopig deskundigenonderzoek of een eigen deskundigenonderzoek naar het materiaal kan dat niet op één lijn worden gesteld. Om deze redenen komt ook aan enig door[eiseres] nog gedane algemene en onder 2.3 bedoelde bewijsaanbod geen betekenis toe, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.

2.18.

De conclusie is dat niet kan worden aangenomen dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. De primaire- en nevenvorderingen van[eiseres] moeten daarom worden afgewezen. Ook de subsidiaire vorderingen moeten worden afgewezen, reeds omdat zich hier, zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, niet het geval voordoet dat de normschending van [gedaagde] (het te diep zaaien) op zichzelf vaststaat.

2.19.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal[eiseres] in de kosten van de procedure worden veroordeeld, de kosten van het deskundigenonderzoek daaronder begrepen, zij het dat [gedaagde] terzake daarvan niets van[eiseres] heeft te vorderen, omdat deze kosten door laatstgenoemde zijn voorgeschoten. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 4.973,50 voor salaris van de advocaat (3,5 punten tarief V) en op € 3.621,-- wegens griffierecht.

In reconventie

2.20.

[gedaagde] heeft gevorderd het op 23 april 2012 door[eiseres] ten laste van haar onder de [naam] gelegde conservatoire derdenbeslag op te heffen.

2.21.

Met het oog op een situatie als de onderhavige is van belang dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan het beslag is gelegd door de bodemrechter is afgewezen niet zonder meer moet worden toegewezen. Ook in een dergelijke situatie moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij de omstandigheid dat de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd is afgewezen wél moet worden meegewogen (zie Hoge Raad 30 juni 2006, NJ 2007, 483). In aanmerking genomen dat geen van de partijen de rechtbank aanknopingspunten heeft gegeven hun belangen over en weer te wegen, brengt de laatstgenoemde omstandigheid met zich dat het beslag moet worden opgeheven.

2.22.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal[eiseres] de kosten van de procedure moeten dragen. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 452,-- voor salaris van de advocaat (1 punt tarief II).

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt[eiseres] in de kosten van de procedure tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 8.594,50,

in reconventie

3.3.

heft op het op 23 april 2012 door[eiseres] ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire derdenbeslag onder de [naam],

3.4.

veroordeelt[eiseres] in de kosten van de procedure tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 452,--,

in conventie en in reconventie

3.5.

veroordeelt[eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat[eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.6.

verklaart dit vonnis wat betreft het onder 3.2 t/m 3.5 vermelde uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2014.

Coll.: ED