Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2869

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
246435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Overeengekomen relatiebeding eindigt niet door de ontbinding van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/246435 / HA ZA 13-462

Vonnis van 9 april 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACADEMIE VOOR MEDEZEGGENSCHAP BV,

gevestigd te Udenhout,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

advocaat mr. J.E.A.J.C. van de Laak te Tilburg,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat dr. mr. S.F.H. Jellinghaus te Tilburg.

Partijen zullen hierna AvM en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 december 2013,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2014,

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

AvM verzorgt opleidingen, trainingen en advies op het gebied van medezeggenschap.

2.2.

[gedaagde] heeft in het verleden als trainer-adviseur op het gebied van medezeggenschap werkzaamheden verricht voor AvM, eerst (vanaf 1 januari 2006) op basis van arbeidsovereenkomsten en later (vanaf 9 februari 2010) op basis van een overeenkomst van opdracht.

2.3.

Partijen hebben in eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. In deze arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen.

2.4.

[gedaagde] is per 1 januari 2007 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij AvM. Ook in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is een relatiebeding opgenomen.

2.5.

Op 9 februari 2010 hebben partijen vervolgens een overeenkomst van opdracht gesloten. Hierin is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“(…) Artikel 2 Werkzaamheden

  1. (…)

  2. De werkzaamheden die opdrachtnemer voor opdrachtgever verricht bestaan uit het trainen, coachen, begeleiden, adviseren en ondersteunen van organisaties en medezeggenschapsorganen op het terrein van medezeggenschap. Onder deze werkzaamheden wordt ook begrepen:

- (…);

- (…);

- (…);

- (…);

- het namens de opdrachtgever onderhouden/verzorgen van de relatie met de in bijlage 2 “relatiebeheer” opgenomen klanten;

- het opstellen van (meerjaren)opleidingsplannen op verzoek van in bijlage 2: “relatiebeheer” opgenomen klanten.

3. (…) (…) De klanten waarover de opdrachtnemer het relatiebeheer voert, worden vermeld in bijlage 2: “relatiebeheer”. (…)

Artikel 7 Relatie- en andere bedingen

  1. “Het is opdrachtnemer na beëindiging van deze overeenkomst niet toegestaan, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, contacten te onderhouden met of direct dan wel indirect diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor opdrachtnemer eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht. Opdrachtnemer heeft deze schriftelijke toestemming zijdens opdrachtgever in ieder geval nodig totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer.

  2. Opdrachtnemer zal - behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing - verzoeken en contacten t.a.v. offertes, vervolgopdrachten en evaluaties in het kader van of voortvloeiende uit een door opdrachtnemer aanvaarde opdracht en vallende onder de diensten van de AvM, gedurende de looptijd en tot twee jaar na beëindiging van deze overeenkomst, naar opdrachtgever doorverwijzen.

  3. (…)

  4. (…)

  5. Bij overtreding van de voorgaande leden verbeurt opdrachtnemer een dadelijk en ineens opeisbare boete, zonder nader ingebrekestelling, van € 5.000,- per overtreding en onverminderd het recht van opdrachtgever tot schadevergoeding. (…)

Artikel 9 Geschillen

  1. “(…)

  2. (…) Ten aanzien van kwesties waarin deze overeenkomst van opdracht niet voorziet, waarbij partijen niet tot een voor beide partijen bevredigende oplossing komen, wordt een door beide partijen aangewezen onafhankelijk bemiddelaar benoemd die een (bindend) advies kan geven over de inhoud dan wel de uitvoering van de voornoemde kwestie. (…)”

2.6.

Aan de overeenkomst van opdracht is een door beide partijen ondertekende bijlage gehecht, getiteld “bijlage 2 Relatiebeheer”.

  • -

    In artikel 1 van deze bijlage is opgenomen dat opdrachtnemer ten behoeve van opdrachtgever het relatiebeheer zal verzorgen van de medezeggenschapsorganen van 37 daar genoemde organisaties en hun opvolgers.

  • -

    In artikel 2 van de bijlage is opgenomen dat het relatiebeding als omschreven in artikel 7 van de overeenkomst van opdracht niet geldt voor de medezeggenschapsorganen van 10 daar genoemde organisaties.

2.7.

Bij brief van 30 december 2011 heeft [gedaagde] aangegeven de overeenkomst van opdracht met AvM te beëindigen per 29 februari 2012.

2.8.

AvM heeft bij brief van 1 februari 2012 aangegeven akkoord te gaan de beëindiging van de samenwerking. In haar brief, met als onderwerp “ontbinding overeenkomst tot samenwerking [gedaagde] en AvM”, wijst AvM [gedaagde] - onder meer -op het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding en de daaraan verbonden boeteclausule.

2.9.

[gedaagde] drijft sinds 1 januari 2010 onder de handelsnamen “Waag de Stap” en “De Pijl Medezeggenschap” een eenmanszaak met als activiteiten “Bedrijfsopleiding en -training -coaching, training en adviesbureau voor management en medezeggenschap -loopbaanbegeleiding”.

2.10.

AvM heeft twee rapporten van Hoffmann Bedrijfsrecherche in het geding gebracht.

In het rapport van 5 april 2013 (nr. 21209037 II) wordt onder andere melding gemaakt van telefonisch contact met (medewerkers van) Hypotheek Visie Centrale en de gemeente Voerendaal. (De medewerkers van) deze organisaties hebben blijkens het rapport aangeven gebruik te hebben gemaakt van de diensten van (de eigen onderneming van) [gedaagde].

2.11.

Bij de stukken bevindt zich een drietal aan AvM gerichte facturen van Hoffmann Bedrijfsrecherche d.d. 24 december 2012. Het totaalbedrag van de facturen is € 3.933,00 (inclusief BTW).

2.12.

Bij brief van 11 april 2013 heeft (de advocaat van) AvM zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden en dat hij als gevolg daarvan gehouden is om boetes te betalen en schade te vergoeden. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld openheid van zaken te geven en hij is, voor het geval hij die openheid niet wenst te geven, gesommeerd om binnen 14 dagen een bedrag van € 30.000,00 te voldoen vanwege overtreding van het relatiebeding.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

AvM heeft bij dagvaarding - samengevat - gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt:

  • -

    tot betaling aan haar van een bedrag van € 30.000,00 aan verbeurde boetes wegens overtreding van het relatiebeding, vermeerderd met een boete van € 5.000,00 per overtreding waarvan in deze procedure komt vast te staan dat [gedaagde] deze heeft begaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het begaan van de overtreding, althans vanaf 25 april 2013, althans vanaf het verzuim tot aan het moment van algehele voldoening;

  • -

    tot betaling aan haar van de schade die zij heeft geleden door de overtreding van het relatiebeding, waarvan de hoogte in deze procedure blijkt, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2013, althans vanaf het verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening;

  • -

    tot betaling aan haar van een bedrag van € 3.933,00, zijnde de door AvM gemaakte (deskundigen)kosten ter vaststelling van de overtredingen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2012, althans vanaf de dag der indiening van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    tot betaling aan haar van de buitengerechtelijke incassokosten, te berekenen conform het besluit wettelijke normering incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vemeererd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als [gedaagde] deze niet binnen 14 dage na dagtekening van het vonnis heeft betaald.

3.2.

AvM heeft in haar akte van 30 oktober 2013 - onder verwijzing naar door [gedaagde]

op grond van het vonnis in het incident aan haar toegestuurde bescheiden - gesteld dat

[gedaagde] het relatiebeding 21 keer heeft overtreden, zodat de boete is opgelopen tot

(21 x € 5.000,00) € 105.000,00. Voorts heeft zij gesteld dat de schade voor AvM

€ 54.425,00 bedraagt en de winst die [gedaagde] heeft gemaakt door overtreding van het

relatiebeding € 55.951,00 exclusief BTW. AvM verzoekt de rechtbank haar schade,

overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:104 BW, te begroten op de winst van [gedaagde].

3.3.

AvM grondt haar vordering op nakoming van de overeenkomst van opdracht. Zij stelt dat [gedaagde] het tussen partijen overeengekomen relatiebeding (21 keer) heeft overtreden en vordert de als gevolg daarvan verbeurde boetes en de door haar geleden schade, vermeerderd met rente en kosten.

3.4.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank AvM bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot voldoening aan hem van een bedrag van € 41.266,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012, althans de dag van verzuim, althans vanaf 20 november 2013 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van AvM in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na het vonnis wanneer AvM niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis betaalt.

3.7.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat AvM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door hem - anders dan is overeengekomen - niet het (volledige) relatiebeheer over de in de relatiebeheerlijst (bijlage 2 bij de overeenkomst van opdracht) genoemde klanten te gunnen. Hij stelt dat hij hierdoor schade heeft geleden en vordert deze schade, vermeerderd met rente en kosten van AvM.

3.8.

AvM voert gemotiveerd verweer.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

(Niet-)ontvankelijkheid AvM

4.1.

Volgens [gedaagde] dient AvM niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen omdat partijen in artikel 9 van de overeenkomst van opdracht zijn overeengekomen zich over geschillen verband houdende met de overeenkomst van opdracht (eerst) te wenden tot een onafhankelijk bemiddelaar voor een (bindend) advies. Vóór die tijd staat een gang naar de (burgerlijke) rechter voor AvM niet open, aldus [gedaagde].

4.2.

AvM betwist dat zij op grond van de geschillenregeling in de overeenkomst van opdracht gehouden is zich in het onderhavige geval (eerst) tot een onafhankelijk bemiddelaar te wenden. De geschillenregeling is volgens AvM uitsluitend van toepassing indien er - anders dan nu het geval is - tussen partijen een geschil ontstaat waarvoor in de overeenkomst van opdracht géén voorziening/oplossing is opgenomen.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 7 van de overeenkomst van opdracht is een relatiebeding opgenomen. Partijen hebben thans een geschil over de toepasselijkheid en de reikwijdte van dit relatiebeding en over de gevolgen van eventuele overtreding daarvan. Nu AvM aan haar vorderingen een burgerlijk recht ten grondslag legt, is de burgerlijke rechter in beginsel bevoegd van dit geschil kennis te nemen. De in artikel 9 van de overeenkomst van opdracht opgenomen geschillenregeling maakt dit niet anders. In artikel 9 lid 2 van de overeenkomst van opdracht zijn partijen, blijkens de tekst van dit artikel, immers overeengekomen een onafhankelijk bemiddelaar te benoemen ‘ten aanzien van kwesties waarin de overeenkomst van opdracht niet voorziet’. Nu het geschil tussen partijen voortvloeit uit het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding, is sprake van een kwestie waarin de overeenkomst van opdracht wel voorziet, zodat partijen naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden zijn (eerst) een onafhankelijk bemiddelaar te benoemen. Niet gesteld of gebleken is dat AvM anderszins niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, zij kan derhalve in haar vorderingen worden ontvangen.

Buitengerechtelijke ontbinding overeenkomst

4.4.

[gedaagde] heeft voorts betoogd dat hij door AvM niet (meer) gehouden kan worden aan het relatiebeding, omdat hij de overeenkomst van opdracht bij brief van 30 december 2011 (buitengerechtelijk) heeft ontbonden vanwege wanprestatie aan de zijde van AvM. Dat AvM ook is uitgegaan van een ontbinding van de overeenkomst van opdracht, blijkt volgens [gedaagde] uit de brief van 1 februari 2012 waarin AvM expliciet als onderwerp vermeldt: ‘ontbinding van de overeenkomst tot samenwerking (…)’ (r.o. 2.8).

Omdat artikel 6:271 BW bepaalt dat een ontbinding van een overeenkomst partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen, kunnen vorderingen op basis van het relatiebeding niet langer doel treffen, zo betoogt [gedaagde].

4.5.

AvM betwist dat [gedaagde] de overeenkomst van opdracht buitengerechtelijk heeft ontbonden, of heeft kunnen ontbinden, vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming aan haar zijde. Zij stelt dat de brief van [gedaagde] van 30 december 2011 dient te worden gekwalificeerd als een opzeggingsbrief. En voert hiertoe aan dat [gedaagde] spreekt over “beëindiging” van de overeenkomst zonder een grondslag voor ontbinding te noemen en bij de beëindiging van de overeenkomst de opzegtermijn van 2 maanden in acht neemt. Ook wanneer aangenomen zou moeten worden dat sprake is van ontbinding van de overeenkomst, geldt volgens AvM het tussen partijen overeengekomen relatiebeding onverkort. Dit beding is naar haar aard juist bedoeld om na beëindiging van de overeenkomst te blijven gelden.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft de overeenkomst van opdracht, zo blijkt uit zijn brief van 30 december 2011 (r.o. 2.7), op enig moment willen beëindigen. Dat [gedaagde] de overeenkomst (buitengerechtelijk) heeft willen ontbinden, volgt echter niet uit deze brief nu daarin een grond voor ontbinding ontbreekt. Uit de brief lijkt - gelet op het feit dat [gedaagde] de overeengekomen opzegtermijn in acht neemt - juist te volgen dat [gedaagde] de overeenkomst heeft willen opzeggen. De rechtbank is van oordeel dat de rechtshandeling van [gedaagde] gelet op het voorgaande dient te worden gekwalificeerd als een opzegging van de overeenkomst van opdracht. Dat AvM in haar antwoordbrief spreekt over ‘ontbinding’, rechtvaardigt geen andere kwalificatie van de rechtshandeling van [gedaagde]. [gedaagde] kan door AvM ook na de opzegging in beginsel worden gehouden aan het overeengekomen relatiebeding.

Dit was overigens ook het geval geweest wanneer wel sprake zou zijn geweest van ontbinding van de overeenkomst. Uit een overeenkomst of wetsbepaling kan immers volgen dat bepaalde specifieke verbintenissen (die naar hun aard voort dienen te duren na de beëindiging van de overeenkomst) niet eindigen door ontbinding van de overeenkomst. Nu partijen door het overeenkomen van een relatiebeding juist beoogd hebben de situatie na beëindiging van de overeenkomst van opdracht te regelen en niet blijkt dat overeengekomen is dat het relatiebeding toepassing mist in geval van ontbinding van de overeenkomst, had AvM, naar het oordeel van de rechtbank, ook in dat geval een beroep kunnen doen op het overeengekomen relatiebeding.

Het relatiebeding

4.7.

In artikel 7 van de overeenkomst van opdracht is een relatiebeding opgenomen als weergegeven onder r.o. 2.5. AvM stelt dat [gedaagde] dit relatiebeding 21 keer heeft overtreden door binnen twee jaar na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten te verlenen aan (voormalig) klanten van AvM.

4.8.

AvM heeft in haar akte van 30 oktober 2013 aangegeven dat het gaat om de volgende overtredingen:

  • -

    Roer en Overmaas 1x

  • -

    Regio Noord-Veluwe 1x

  • -

    Peel en Maas Vallei 3x

  • -

    Gemeente St. Anthonis 4x

  • -

    GGD Gelre IJssel 6x

  • -

    GGD Noord-Oost Gelderland 1x

  • -

    Saltijn Plus Architect 3x

  • -

    Hypotheek Visie Centrale 1x

  • -

    Gemeente Voerendaal 1x

------------------

21x

4.9.

AvM stelt dat [gedaagde] gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht een boete van € 5.000,00 per overtreding verbeurt en vordert, los van de door haar gevorderde schadevergoeding, een bedrag van (21x € 5.000,00 =) € 105.000,00.

4.10.

[gedaagde] erkent het relatiebeding een enkele keer te hebben overtreden, van 21 overtredingen is volgens hem echter geen sprake. [gedaagde] werpt op dat AvM uitgaat van een onjuiste lezing van het relatiebeding en voert aan dat hij het relatiebeding, voor zover het gaat om de vragen wanneer de periode van twee jaar aanvangt, wat als klant van AvM moet worden gezien en wanneer de boete van € 5.000,00 is verbeurd, anders heeft begrepen en ook heeft mogen begrijpen.

4.11.

Partijen verschillen, zo blijkt uit het voorgaande, van mening over de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan enkele passages uit artikel 7 van de overeenkomst van opdracht. Dit betreft (steeds) een kwestie van uitleg. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635; Haviltex). In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen van het contract, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (HR 20 februari 2004, NJ 2005/493).

“Twee jaar”

4.12.

De vraag die partijen in de eerste plaats verdeeld houdt, is de vraag wanneer de in het relatiebeding opgenomen termijn van twee jaar aanvangt. AvM stelt - onder verwijzing naar de tekst van het relatiebeding - dat het voor [gedaagde] op grond van dit beding verboden was om binnen twee jaar na beëindiging van zijn overeenkomst van opdracht, derhalve binnen twee jaar na 29 februari 2012, - kort gezegd - diensten te verlenen aan haar klanten. Zij voert daarbij enerzijds aan dat het gebruikelijk is om voor alle relaties een zelfde termijn te hanteren en wijst er anderzijds op dat de tekst van het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding gelijk is aan de tekst van het eerder in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen overeengekomen relatiebeding. In deze arbeidsovereenkomst was opgenomen dat werknemer in ieder geval schriftelijke toestemming van de werkgever nodig zou hebben totdat twee jaren zouden zijn verstreken “na beëindiging van de dienstbetrekking”. Uit het feit dat de laatste zinsnede in de overeenkomst van opdracht is gewijzigd in “na de laatste opdracht”, blijkt dat bedoeld is twee jaar na beëindiging van de met [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht, zo betoogt AvM.

4.13.

[gedaagde] werpt op dat hij altijd heeft begrepen dat het hem (slechts) verboden was om binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met een specifieke opdrachtgever/klant van AvM diensten te verlenen aan deze opdrachtgever. Het relatiebeding eindigt volgens [gedaagde] voor iedere opdrachtgever dan ook op een andere datum. Dat het hem in zijn algemeenheid verboden was om tot twee jaar na 29 februari 2012 diensten te verlenen aan klanten van AvM heeft hij nooit begrepen en ook niet hoeven begrijpen, zo stelt hij.

4.14.

De rechtbank overweegt als volgt. Ter comparitie is gebleken dat tussen partijen bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht niet is gesproken over (de reikwijdte van) het daarin opgenomen relatiebeding. Voor de beantwoording van de vraag welke betekenis partijen in het onderhavige geval aan artikel 7 van de overeenkomst van opdracht mogen toekennen, is de taalkundige uitleg van dat artikel derhalve van groot belang.

4.15.

In artikel 7 lid 1 van de overeenkomst van opdracht is het volgende bepaald:

“Het is opdrachtnemer na beëindiging van deze overeenkomst niet toegestaan, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, contacten te onderhouden met of direct dan wel indirect diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor opdrachtnemer eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht. Opdrachtnemer heeft deze schriftelijke toestemming zijdens opdrachtgever in ieder geval nodig totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer.”

In artikel 7 lid 2 van de overeenkomst van opdracht staat vervolgens:

“Opdrachtnemer zal - behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing - verzoeken en contacten t.a.v. offertes, vervolgopdrachten en evaluaties in het kader van of voortvloeiende uit een door opdrachtnemer aanvaarde opdracht en vallende onder de diensten van de AvM, gedurende de looptijd en tot twee jaar na beëindiging van deze overeenkomst, naar opdrachtgever doorverwijzen.”

4.16.

Partijen twisten over de vraag of de passage ‘totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer’ in artikel 7 lid 1 uitgelegd moet worden als twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met de betreffende opdrachtgever/klant, dan wel als twee jaar na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht tussen AvM en [gedaagde]. De passage laat tekstueel gezien mogelijk ruimte voor beide lezingen.

In artikel 7 lid 2 van de overeenkomst van opdracht staat, in aanvulling op het in lid 1 bepaalde, evenwel dat opdrachtnemer tot twee jaar na beëindiging van ‘deze overeenkomst’ - kort gezegd - klanten dient door te verwijzen naar AvM. ‘Deze overeenkomst’ verwijst daarbij taalkundig gezien naar de tussen AvM en [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] uit lezing van de leden 1 en 2 van artikel 7 van de overeenkomst van opdracht, in onderlinge samenhang bezien, redelijkerwijs moeten begrijpen dat het hem verboden was om tot twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht, derhalve tot twee jaar na 29 februari 2012, diensten te verlenen aan klanten van AvM. Daar komt nog bij dat AvM onbetwist heeft gesteld dat de tekst van het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding gelijk is aan de tekst van het tussen partijen eerder in het kader van de arbeidsovereenkomst overeengekomen relatiebeding en het in het algemeen gebruikelijk is dat opdrachtgever en opdrachtnemer één einddatum voor alle klanten overeenkomen.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] gelet op al het voorgaande redelijkerwijs heeft kunnen en moeten begrijpen dat het hem verboden was om tot 29 februari 2014 diensten te verlenen aan (voormalig) klanten van AvM en zal daarom bij de verdere beoordeling uitgaan van deze uitleg.

“Klant van AvM”

4.17.

De vraag die partijen vervolgens verdeeld houdt is wat als klant van AvM in de zin van artikel 7 lid 1 van de overeenkomst van opdracht moet worden gezien.

Voor de verdere beoordeling van het geschil is daarbij in de eerste plaats van belang of een Bijzondere Ondernemingsraad (BOR) van een aantal gemeentes en de afzonderlijke ondernemingsraden van deze gemeentes voor wat betreft de uitleg van het relatiebeding met elkaar te vereenzelvigen zijn. Meer specifiek speelt de vraag of [gedaagde] nadat hij vanuit AvM diensten heeft verleend aan de ondernemingsraad van een specifieke gemeente op grond van het relatiebeding al dan niet (vervolgens) werkzaamheden mag verrichten voor de BOR van een conglomeraat van (fusie)gemeentes waarbij ook deze gemeente is aangesloten. [gedaagde] stelt dat dit het geval is, omdat het hem op grond van de tekst van het relatiebeding slechts verboden is om ‘diensten te verlenen aan klanten van AvM waarvoor hij eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht’. Het klantbegrip dient volgens [gedaagde], gelet op de letterlijke tekst van het relatiebeding, beperkt uitgelegd te worden. Alleen de juridische entiteiten die zijn opgenomen in de relatiebeheerlijst (r.o. 2.6) vallen hier onder.

AvM staat een ruimere uitleg van het klantbegrip voor. Volgens AvM vallen onder het relatiebeding alle medezeggenschapsorganen van de rechtspersonen waarvan individuen dan wel afdelingen trainingen hebben gevolgd bij [gedaagde]. Achtergrond van het relatiebeding is volgens AvM dat [gedaagde] geen klanten bij haar weghaalt. [gedaagde] had de bijzondere ondernemingsraden nooit kunnen bedienen, als hij niet via AvM diensten had verleend aan ondernemingsraden en op grond daarvan contact had gehad met de ondernemingsraadleden die nu plaats nemen in deze bijzondere ondernemingsraden.

4.18.

Ook hier gaat het om een kwestie van uitleg waarbij hetgeen is overwogen in r.o. 4.11 heeft te gelden. Vooropgesteld wordt dat, nu tussen partijen niet is gesproken over de reikwijdte van het klantbegrip, aan de taalkundige bewoordingen van het relatiebeding groot gewicht toekomt. Volgens de tekst van het relatiebeding is het [gedaagde] niet toegestaan om ‘diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor hij eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht’. Op grond van een strikte taalkundige uitleg van het beding gaat het dus enkel, zoals [gedaagde] ook betoogt, om de specifieke entiteiten waaraan hij vanuit AvM diensten heeft verleend. Met AvM is de rechtbank evenwel van oordeel dat een relatiebeding bedoeld is om de overname van klanten door de opdrachtnemer tegen te gaan, zodat onder omstandigheden - bijvoorbeeld na een naamswijziging of fusie van een klant - ook sprake kan zijn van een klant waarvoor eerder diensten zijn verricht, als wijzigingen zijn opgetreden binnen de oorspronkelijke entiteit. [gedaagde] heeft echter onbetwist betoogd dat de afzonderlijke ondernemingsraden van de gemeentes waarvoor hij werkzaamheden heeft verricht vanuit AvM (de rechtbank begrijp tot het moment dat de fusie is voltooid) zijn blijven bestaan, zodat er naast de bestaande klant van AvM een klant bij is gekomen, die [gedaagde] nu bedient. Van het weghalen van klanten bij AvM is aldus geen sprake geweest. De rechtbank is van oordeel dat tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat voor [gedaagde] sprake is van bezwarend beding waarvan de tekst kennelijk (het tegendeel is gesteld nog gebleken) uit de koker van AvM komt, geen sprake kan zijn van een extensieve uitleg van het klantbegrip ten voordele van AvM. Het moet voor een opdrachtnemer immers volstrekt duidelijk zijn waartoe hij zich verbindt. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande redelijkerwijs mogen begrijpen dat het hem toegestaan was diensten te verlenen aan een BOR van fusiegemeentes wanneer hij eerder vanuit AvM diensten had verleend aan de ondernemingsra(a)d(en) van een of meer van deze gemeentes. Bij de verdere beoordeling zal van deze uitleg van het klantbegrip worden uit gegaan.

4.19.

Partijen twisten voorts over de vraag of een voormalig klant van AvM (waarvoor [gedaagde] eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van AvM werkzaamheden heeft verricht), die op het moment van de beëindiging van de overeenkomst van opdracht geen klant meer was bij AvM, onder het relatiebeding valt.

Meer specifiek geldt dit voor GGD Gelre IJssel. Partijen zijn het er over eens dat GGD Gelre IJssel sinds oktober 2010 geen diensten meer heeft afgenomen van AvM. Ter comparitie heeft AvM erkend dat GGD Gelre IJssel vervolgens is overgestapt naar FNV Formaat, een van haar concurrenten.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zowel op grond van een taalkundige uitleg van het relatiebeding, waarin wordt gesproken over ‘klanten van AvM’, als op grond van hetgeen hij - tegen de achtergrond van de door AvM zelf genoemde bedoeling van het relatiebeding, het veiligstellen van klanten - in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen begrijpen, het relatiebeding zodanig heeft mogen uitleggen dat het enkel zag op klanten van AvM en niet tevens op een oud-klant van AvM die op het moment van de beëindiging van de overeenkomst van opdracht al was overgestapt naar de concurrent.

“Boete per overtreding”

4.21.

Partijen twisten tenslotte over de vraag wanneer sprake is van een ‘overtreding’ in de zin van artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht en als gevolg daarvan over de vraag wanneer een boete is verbeurd. Ook dit is een kwestie van uitleg, waarbij hetgeen is overwogen in r.o. 4.11 heeft te gelden.

4.22.

AvM stelt zich op het standpunt dat [gedaagde], gelet op het feit dat artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht spreekt over een boete van € 5.000,00 ‘per overtreding’, een boete van € 5.000,00 verschuldigd is voor iedere dienst die hij - binnen de periode van twee jaar - heeft verleend aan een (voormalig) klant van AvM. Wanneer meerdere diensten zijn verleend aan dezelfde klant, dan verbeurt [gedaagde] volgens AvM voor deze diensten afzonderlijk steeds een boete van € 5.000,00.

4.23.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij, als al zou blijken dat hij het relatiebeding overtreden heeft, per overeenkomst van opdracht met een klant van AvM een boete van € 5.000,00 verbeurt. Dat sommige opdrachten die hij heeft aangenomen over meerdere maanden uitgesmeerd zijn geweest en dat in verschillende periodes is gefactureerd, maakt niet dat sprake is van meerdere opdrachten of meerdere overtredingen, aldus [gedaagde].

4.24.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 7 lid 1 van de overeenkomst van opdracht is opgenomen dat het de opdrachtnemer ([gedaagde]) - kort gezegd - verboden is om ‘contacten te onderhouden met of direct dan wel indirect diensten te verlenen aan klanten van AvM’. In artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht is opgenomen dat de opdrachtnemer bij overtreding een boete verbeurt van € 5.000,00 ‘per overtreding’. Partijen twisten over de vraag wanneer sprake is van een overtreding en gelet op hetgeen zij hierover hebben gesteld feitelijk over de vraag wat moet worden gezien als ‘het verlenen van diensten aan een klant’. Ook hier heeft te gelden dat, gelet op het feit dat tussen partijen niet is gesproken over de uitleg van de bepalingen, groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het relatiebeding, tegen de achtergrond van de betekenis die deze bewoordingen in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Volgens de letterlijke tekst van het relatiebeding is het [gedaagde], onder meer, verboden om diensten (meervoud) te verlenen aan klanten van AvM. Wanneer [gedaagde] het relatiebeding overtreedt door diensten te verlenen aan klanten van AvM, verbeurt hij een boete van € 5.000,00. Op grond van een strikt taalkundige uitleg van het relatiebeding verbeurt [gedaagde] door het verlenen van meerdere diensten aan één klant derhalve in beginsel één boete van € 5.000,00. Dat het verlenen van diensten in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken een andere betekenis heeft, is gesteld nog gebleken. Daar komt, zoals hiervoor reeds overwogen, nog bij dat sprake is van een voor [gedaagde] bezwarend beding waarvan de tekst kennelijk (het tegendeel is gesteld nog gebleken) uit de koker van AvM komt en waarin bovendien is overeengekomen dat AvM naast de verbeurde boetes schade kan vorderen. Ook om die reden kan van een extensieve uitleg ten voordele van AvM geen sprake zijn. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande redelijkerwijs mogen begrijpen dat hij voor het verlenen van diensten aan voormalig klanten van AvM (steeds) per klant een boete van € 5.000,00 verbeurt. De rechtbank zal hiervan bij de verdere beoordeling dan ook uitgaan.

4.25.

De rechtbank zal de door AvM gestelde overtredingen, als weergegeven in r.o. 4.8, achtereenvolgens bespreken.

Waterschap Roer en Overmaas

4.26.

[gedaagde] heeft, ook ter zitting, erkend dat hij binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met AvM - en zelfs binnen de door hemzelf gehanteerde periode van twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met deze specifieke opdrachtgever - werkzaamheden heeft verricht voor (de ondernemingsraad van) het waterschap Roer en Overmaas, een voormalig klant van AvM en dat hij hierdoor het relatiebeding heeft overtreden. [gedaagde] verbeurt als gevolg hiervan een boete van

€ 5.000,00. Dit gedeelte van de vordering ligt derhalve in beginsel voor toewijzing gereed.

Regio Noord-Veluwe Harderwijk

4.27.

[gedaagde] heeft voorts, in de conclusie van antwoord en ook ter zitting, erkend dat hij het relatiebeding heeft overtreden door (zelfs binnen de door hem gehanteerde periode van) twee jaar werkzaamheden te verrichten voor (de ondernemingsraad van) Regio Noord Veluwe, een voormalig klant van AvM. Hij verbeurt hierdoor een boete van € 5.000,00, zodat ook dit gedeelte van de vordering in beginsel voor toewijzing gereed ligt.

Peel en Maasvallei

4.28.

AvM stelt dat [gedaagde] een boete van € 15.000,00 verbeurt doordat hij 3 maal diensten heeft verleend aan de BOR van het waterschap Peel en Maasvallei. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij slechts eenmaal advieswerkzaamheden heeft uitgevoerd voor de BOR van het waterschap Peel en Maasvallei. De andere werkzaamheden zijn volgens hem wel geoffreerd, maar nooit afgenomen. [gedaagde] werpt op dat door de uitgevoerde (advies)werkzaamheden het relatiebeding niet is overtreden, omdat niet de BOR van het waterschap Peel en Maasvallei, maar de ondernemingsraad van het waterschap Roer en Overmaas klant was bij AvM.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde], ten minste eenmaal, diensten heeft verleend aan de BOR van het waterschap Peel en Maasvallei. Nu eveneens vast staat dat niet deze BOR, maar de ondernemingsraad van het waterschap Roer en Overmaas klant was bij AvM, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.18, geen sprake van overtreding van het relatiebeding. Dit gedeelte van de vordering van AvM zal worden afgewezen.

Gemeente St. Anthonis

4.29.

AvM stelt, onder verwijzing naar de door [gedaagde] aan haar overhandigde administratieve bescheiden en facturen, dat [gedaagde] in de periode tot 29 februari 2014 in totaal 4 maal diensten heeft verleend aan de OR van de gemeente St. Anthonis, een voormalig klant van haar. Volgens AvM verbeurt [gedaagde] hierdoor een boete van

€ 20.000,00. [gedaagde] heeft erkend binnen de periode van 2 jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met AvM 3 keer werkzaamheden te hebben uitgevoerd voor de ondernemingsraad van de gemeente St. Anthonis, een voormalig klant van AvM. Daarnaast heeft hij aangegeven 1 maal werkzaamheden te hebben uitgevoerd voor de gezamenlijke BOR van de gemeentes Boxmeer en St. Anthonis. Hij heeft betoogd dat deze laatste werkzaamheden niet onder het relatiebeding vallen.

4.30.

Gelet op hetgeen is overwogen onder r.o. 4.18 vallen aan een BOR verleende diensten in beginsel buiten het relatiebeding. De rechtbank is in het onderhavige geval evenwel van oordeel dat [gedaagde] zijn verweer dat hij (in het vierde geval) geen diensten aan de ondernemingsraad van de gemeente St. Anthonis heeft verleend, maar aan de BOR van de gemeentes Boxmeer en St. Anthonis samen, tegen de achtergrond van de stellingen van AvM onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Gelet op het feit dat op de door AvM in het geding gebrachte factuur van [gedaagde] d.d. 25 oktober 2012 (2012-10029) als omschrijving staat vermeld: ‘cursus OR-en Boxmeer en St. Anthonis 22 en 23 oktober 2012’, had het op de weg van [gedaagde] gelegen zijn verweer dat het hier - in weerwil van zijn eigen omschrijving op de factuur - niet om de ondernemingsraden van Boxmeer en St. Anthonis ging, maar om de BOR van deze gemeentes, nader te onderbouwen. Dit heeft hij nagelaten. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat [gedaagde] 4 maal diensten heeft verleend aan de ondernemingsraad van de gemeente St. Anthonis. Hierdoor heeft [gedaagde] het relatiebeding overtreden en verbeurt hij een boete van € 5.000,00 (r.o. 4.24). Dit gedeelte van de vordering ligt in beginsel voor toewijzing gereed.

GGD Gelre IJssel, tegenwoordig GGD Noord-Oost Gelderland

4.31.

Tussen partijen staat vast dat GGD Gelre IJssel, een voormalig klant van AvM, haar naam op enig moment heeft gewijzigd in GGD Noord-Oost Gelderland. [gedaagde] heeft erkend dat hij diensten heeft verleend aan (eerst) GGD Gelre IJssel en na de naamswijziging aan GGD Noord-Oost Gelderland. Gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.20 heeft [gedaagde] door het verrichten van deze diensten het relatiebeding niet overtreden. GGD Gelre IJssel was immers al sinds oktober 2010 geen klant meer bij AvM. Dit gedeelte van de vordering van AvM zal worden afgewezen.

Saltijn Plus Architect

4.32.

[gedaagde] heeft erkend dat hij op basis van één opdracht in totaal 3 maal diensten heeft verleend aan Saltijn Plus Architect, een voormalig klant van AvM. Reijnens verweer dat hij niet in strijd met het relatiebeding heeft gehandeld omdat deze diensten hebben plaatsgevonden buiten de termijn van 2 jaar nadat hij vanuit AvM werkzaamheden had verricht voor deze klant wordt, gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.16, verworpen. [gedaagde] verbeurt voor het verlenen van de diensten een boete van € 5.000,00 (r.o. 4.24). Dit gedeelte van de vordering ligt in beginsel voor toewijzing gereed.

Hypotheek Visie Centrale

4.33.

AvM heeft een rapportage van Hoffmann bedrijfsrecherche in het geding gebracht (r.o. 2.10). In deze rapportage staat ten aanzien van Hypotheek Visie Centrale onder andere het volgende:

“(…) Op maandag 11 maart 2013 (…) nam een van onze medewerkers telefonisch contact op met Hypotheek Visie Centrale (…).

Onze medewerker deed zich voor als iemand die informatie wilde hebben met betrekking tot een ‘or-trainer’. De telefoon werd aangenomen door de receptioniste van Hypotheek Visie Centrale, hierna werd onze medewerker op zijn verzoek doorverbonden met een man die zich melde met: ‘persoon 6’.

Desgevraagd deelde persoon 6 onder andere het volgende, of woorden van gelijke strekking, mee:

“Ik was inderdaad lid van onze or, op dit moment hebben wij namelijk geen or meer. Onze or is ongeveer 3 maanden geleden opgeheven. Wij hebben altijd onze trainingen van [gedaagde] van het bedrijf ‘De Pijl’ gehad. Ik weet mij te herinneren dat wij begin 2012 nog een training van hem hebben gehad. (…)”

4.34.

AvM stelt onder verwijzing naar de rapportage van Hoffmann bedrijfsrecherche dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden door binnen 2 jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten te verlenen aan Hypotheek Visie Centrale.

4.35.

[gedaagde] betwist dat hij na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten heeft verleend aan Hypotheek Visie Centrale. Hij werpt op dat hij voor het laatst in februari 2011, vanuit AvM, diensten heeft verleend aan Hypotheek Visie Centrale en voert aan dat hetgeen is weergegeven in de rapportage van Hoffmann Bedrijfsrecherche onjuist is. De medewerker van Hypotheek Visie Centrale moet zich vergist hebben, aldus [gedaagde].

4.36.

Gelet op de hoofdregel van 150 Rv rust op AvM de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht, derhalve in de periode tussen 29 februari 2012 en 29 februari 2014, diensten heeft verleend aan (de ondernemingsraad van) Hypotheek Visie Centrale. AvM zal overeenkomst haar bewijsaanbod worden toegelaten tot dit bewijs.

Gemeente Voerendaal

4.37.

In de rapportage van Hoffmann Bedrijfsrecherche staat voorts ten aanzien van de gemeente Voerendaal, voor zover van belang:

“(…) Op dinsdag 12 maart 2013 (…) nam een van onze medewerkers telefonisch contact op met Gemeente Voerendaal (…).

Onze medewerker deed zich voor als iemand die informatie wilde hebben met betrekking tot een ‘or-trainer’. De telefoon werd aangenomen door de receptioniste van de voornoemde gemeente, hierna werd onze medewerker op zijn verzoek doorverbonden met een man die zich melde met: ‘persoon 10’.

Desgevraagd deelde persoon 10 onder andere het volgende, of woorden van gelijke strekking, mee:

“Ik zit al geruime tijd in de ondernemingsraad van Gemeente Voerendaal. Wij hebben al 8 tot 10 jaar dezelfde trainer, dat is [gedaagde]. Hij bevalt nog steeds erg goed. [gedaagde] werkte eerst voor AvM, dat is een afkorting van Academie voor Medezeggenschap. Hij heeft nu een eigen bedrijf dat heet ‘De Pijl’. Vorig jaar zijn er nieuwe or-leden bijgekomen, in het kader daarvan hebben wij nog een 2-daagse cursus van hem gehad. Volgens mij kunt u hem wel op internet vinden onder zijn bedrijf ‘De Pijl’. (…)”

4.38.

AvM stelt dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden door binnen de daarin opgenomen periode vanuit zijn eigen onderneming diensten te verlenen aan de gemeente Voerendaal. Zij verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de hierboven weergegeven passage uit het rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche. [gedaagde] betwist dat hij na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten heeft verleend aan de Gemeente Voerendaal. Hij werpt op dat hij voor het laatst in augustus/september 2011 in opdracht van AvM, diensten heeft verleend aan deze gemeente. Hetgeen in de rapportage van Hoffmann Bedrijfsrecherche is opgenomen is onjuist, aldus [gedaagde].

4.39.

Gelet op de hoofdregel van 150 Rv rust op AvM ook de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht, derhalve in de periode tussen 29 februari 2012 en 29 februari 2014 diensten heeft verleend aan (de ondernemingsraad van de) gemeente Voerendaal. AvM zal overeenkomst haar bewijsaanbod worden toegelaten tot dit bewijs.

4.40.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

in reconventie

4.41.

[gedaagde] stelt dat AvM toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door hem - anders dan is overeengekomen - niet het (volledige) relatiebeheer over alle in de relatiebeheerlijst (bijlage 2 bij de overeenkomst van opdracht) genoemde klanten te gunnen. [gedaagde] stelt dat alle klanten uit de relatiebeheerlijst op grond van de overeenkomst van opdracht (exclusief) aan hem toebehoorden en dat hij daarom voor deze klanten (exclusief) de trainingen zou mogen verzorgen, hetgeen gemotiveerd wordt betwist door AvM. AvM voert aan dat [gedaagde] slechts, in het belang van de klanten, het eerste aanspreekpunt was voor deze klanten.

4.42.

In de processtukken heeft [gedaagde] gesteld dat AvM tekort is geschoten door enkele van de klanten uit de relatiebeheerlijst over te dragen aan zijn collega’s zonder daarvoor aan hem, zoals overeengekomen, een vergoeding toe te kennen. [gedaagde] vordert evenwel niet de misgelopen (compensatie)vergoedingen, maar zijn (gestelde) misgelopen inkomsten als schade.

4.43.

Ter compartie heeft [gedaagde] moeten erkennen dat in alle door hem genoemde gevallen de dienstverlening aan de (relatiebeheer)klant op verzoek van de desbetreffende klant, dan wel op verzoek van hemzelf, in overleg met hem, is overgedragen aan een collega van hem. [gedaagde] heeft daaraan toegevoegd dat hij in dat geval geen trainingen meer verzorgde voor de betreffende klanten, maar dat het relatiebeheer van deze klanten wel volledig bij hem is blijven liggen. Reijnens stelling dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van AvM doordat hij niet het volledige relatiebeheer van deze klanten heeft genoten, is gelet hierop niet eenvoudig te volgen.

4.44.

Daar komt nog bij dat [gedaagde] weliswaar heeft gesteld dat (steeds) sprake is geweest van een mondelinge toezegging dat hij gecompenseerd zou worden als de dienstverlening van een onder zijn relatiebeheer vallende klant werd overgedragen aan een collega - hetgeen indien bewezen mogelijk tot een schadepost voor [gedaagde] zou kunnen leiden - maar dat dit door AvM gemotiveerd is betwist. Het had derhalve op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling dat sprake was van een mondelinge overeenkomst tot compensatie nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten.

4.45.

[gedaagde] heeft, tegen de achtergrond van het gemotiveerde verweer aan de zijde van AvM, niet voldaan aan zijn stelplicht zodat zijn vordering in reconventie reeds om die reden (bij eindvonnis) zal worden afgewezen.

4.46.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt AvM op te bewijzen dat [gedaagde] in de periode tussen 29 februari 2012 en 29 februari 2014 vanuit zijn eigen onderneming diensten heeft verleend aan (de ondernemingsraad van) Hypotheek Visie Centrale;

5.2.

draagt AvM op te bewijzen dat [gedaagde] in de periode tussen 29 februari 2012 en 29 februari 2014 vanuit zijn eigen onderneming diensten heeft verleend aan (de ondernemingsraad van de) gemeente Voerendaal;

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 april 2014 voor uitlating door AvM of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

5.4.

bepaalt dat AvM, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.5.

bepaalt dat AvM, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdag in de maanden mei tot en met augustus 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.M. Graat in het gerechtsgebouw te Nijmegen aan de Oranjesingel 56,

5.7.

wijst partijen er op dat aansluitend aan dit getuigenverhoor een comparitie van partijen kan worden gelast,

5.8.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.9.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.10.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2014.