Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2851

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_2821
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor een termijn van vijf jaar voor het plaatsen van vijf woonunits (zogenoemde ˈSkaeve huseˈ). Tijdelijkheid behoefte aan woonunits ter plaatse onvoldoende aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 13/2752, 13/2821, 13/2822 en 13/2823

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eisers 1 tot en met 5], eisers 1 tot en met 5;

[eiser 6], eiser 6;

[eisers 7 en 8], eisers 7 en 8;

[eisers 9 en 10], eisers 9 en 10, allen te Ugchelen;

(gemachtigde van eisers 6 tot en met 10: mr. C.M. Dreef),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting De Woonmensen, te Apeldoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een tijdelijke omgevingsvergunning voor een termijn van vijf jaar na de datum van dit besluit verleend voor het plaatsen van vijf woonunits (zogenoemde ˈSkaeve huseˈ; sobere eenpersoons wooneenheden bedoeld voor bewoners met een verleden van woonoverlast, of voor zeer kwetsbare mensen die zich onveilig voelen in groepsopvang voor daklozen en die kiezen voor een zeker isolement), op het perceel kadastraal bekend gemeente Beekbergen sectie G, nummer 4287, plaatselijk bekend Hoenderloseweg 130 tot en met 138 (even nummers) te Ugchelen (het perceel).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Voor eisers 1 tot en met 5 is [naam 1]verschenen, vergezeld door [naam 2]. Eisers 6 tot en met 10 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. W.M. van de Zedde. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3].

Overwegingen

1.

De rechtbank is van oordeel dat van eisers alleen [eiser 7] (eiser 7), als eigenaar van de gronden aan de Van [adres], is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat die gronden in de onmiddellijke nabijheid liggen van het perceel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat tussen die gronden en het perceel alleen de Van Golsteinlaan ligt. Gelet op het vorenstaande is niet van belang of er vanuit de woning op die gronden zicht is op het project.

De gronden ten westen van de provinciale weg N304, de Otterloseweg, liggen niet in de onmiddellijke nabijheid van het perceel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Otterloseweg ter plaatse van de kruising met de Van Golsteinlaan, de parallelweg en de tussenbermen daaronder begrepen, beduidend breder is dan elders. De afstanden van de woningen en de bedrijvigheid van de andere eisers tot de projectlocatie variëren tussen meer dan 100 m en bijna 400 m. Nu eisers voorts niet of nauwelijks zicht hebben op de projectlocatie dan wel in hun bedrijfsbelang worden geraakt door het bestreden besluit en de ruimtelijke uitstraling van het project relatief beperkt is, zijn de andere eisers niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

Het beroep van eiser 7 is ontvankelijk en de beroepen van de andere eisers zijn niet-ontvankelijk.

2.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" rust op het perceel de bestemming "Bos- en natuurgebied". Het realiseren van tijdelijke woonunits is in strijd met het bestemmingsplan.

3.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

(…);

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

(…).

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het tweede lid kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, voor zover zij betrekking heeft op een activiteit voor een bepaalde termijn, worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 2.23, eerste lid, kan in een omgevingsvergunning worden bepaald dat zij geheel of gedeeltelijk geldt voor een daarin gegeven termijn.

Ingevolge het tweede lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur categorieën gevallen worden aangewezen, waarin in de omgevingsvergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn. Bij de maatregel kan worden bepaald:

a. dat de omgevingsvergunning voor ten hoogste een daarbij aangegeven termijn kan gelden of

b. in welke categorieën gevallen een bij de omgevingsvergunning aangegeven termijn kan worden verlengd.

Ingevolge artikel 5.18, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt in een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, die voorziet in een tijdelijke behoefte, bepaald dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn van ten hoogste vijf jaar.

4.

Eiser 7 betoogt dat het project niet voorziet in een tijdelijke behoefte.

Onder 7. van de als bijlage 1 bij de aanvraag om omgevingsvergunning gevoegde toelichting is het volgende vermeld:

“De aanvraag wordt gedaan voor 5 units voor de duur van 5 jaar, zie het concept samenwerkingsovereenkomst. Het proefproject is voorshands voor 2 jaar (dus tijdelijk, zie par. 4.5 en 4.6 v.d. overeenkomst) met als doel 3 woonunits te realiseren. Na 1 jaar is al een tussenevaluatie, zie 4.6 van de overeenkomst. Alsdan kan e.v. al besloten worden een 4e unit bij te plaatsen. Bij een positieve evaluatie van het proefproject (na 2 jaar) is het de doelstelling om het project op deze locatie, nog steeds voor tijdelijk, dus nog 3 jaar voort te kunnen zetten, met vijf woonunits. Alsdan kan tevens besloten worden om een vergunningentraject te starten voor een permanente bestemming, ter plaatse of elders in de gemeente. (…).”

Onder 4.6 van de niet ondertekende samenwerkingsovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“De uitkomsten van de evaluatie worden gebruikt als onderbouwing voor een besluit om het proefproject na twee jaar wel of niet voor onbepaalde tijd voort te zetten.”

Op grond van de hiervoor weergegeven passages uit de toelichting op de aanvraag en de samenwerkingsovereenkomst kan niet anders worden geoordeeld dan dat onvoldoende is aangetoond dat het realiseren van de woonunits voorziet in een tijdelijke behoefte als bedoeld in artikel 5.18 van het Bor. Niet is gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit concrete, objectieve gegevens voorhanden waren op grond waarvan verweerder de tijdelijkheid van de behoefte aan de woonunits ter plaatse voor de termijn van vijf jaar of korter had mogen aannemen. De hiervoor weergegeven passage uit de toelichting op de aanvraag laat de mogelijkheid van een permanente bestemming ter plaatse van de woonunits juist uitdrukkelijk open. Onder deze omstandigheden mist het bestreden besluit derhalve een deugdelijke motivering.

Het betoog van eiser 7 slaagt.

5.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden van eiser 7.

6.

Het beroep van eiser 7 is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het geconstateerde motiveringsgebrek niet is hersteld en onzeker is of verweerder het geconstateerde motiveringsgebrek zal kunnen herstellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal zijn. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7.

Omdat de rechtbank het beroep van eiser 7 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser 7 het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser 7 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Niet gebleken is dat eiser 7 andere proceskosten heeft gemaakt die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de andere eisers bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eisers 1 tot en met 6 en 8 tot en met 10 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiser 7 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318 aan eiser 7 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 7 tot een bedrag van € 974.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman, voorzitter, mr.drs. J.H. van Breda en mr. B.J. Zippelius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Saedt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ter nadere informatie

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.