Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2822

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
ARN 13-6091
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit milieubeheer Politieacademie Apeldoorn. Verweerder heeft maatwerkvoorschriften ter beperking van lichthinder toereikend mogen achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1859

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 13/6091

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder maatwerkvoorschriften vastgesteld ten aanzien van de inrichting Politieacademie aan de[adres 1].

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Kuilder en L. Steffens.

Overwegingen

1.

Voor de inrichting is op 2 februari 2007 een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend.

2.

Het bestreden besluit gaat over maatwerkvoorschriften inzake het wijzigen van de inrichting door toename van de verkeersintensiteit tot ongeveer 3.600 verkeersbewegingen van en naar de inrichting en het wijzigen van de indeling van het parkeerterrein. De vastgestelde maatwerkvoorschriften dienen vooral ter beperking van geluid- en lichthinder.

3.

Eiser betoogt dat de inrichting vergunningplichtig is en niet onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) valt, omdat de inrichting niet is aan te merken als een inrichting type A. Daartoe voert eiser aan dat niet wordt voldaan aan het vereiste onder artikel 1.2, inrichting type A, onder e, van het Abm, dat in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is.

Verweerder is het met eiser eens dat geen sprake is van een inrichting type A, maar stelt dat sprake is van een inrichting type B, waarvoor de vergunningplicht evenmin geldt.

Binnen de inrichting zijn twee modulaire schietbaanaccomodaties aanwezig. Daarom is, voor zover hier van belang, onderdeel 17.1 van categorie 17 van Bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, inrichtingen waar met vuurwapens wordt geschoten, op de inrichting van toepassing. Voor dergelijke inrichtingen gold tot 1 januari 2013 de vergunningplicht voor de milieu-activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op 1 januari 2013 is onderdeel 17.3 van de genoemde categorie gewijzigd. Als gevolg van deze wijziging zijn inrichtingen met zogenoemde binnenschietbanen niet langer vergunningplichtig en vallen deze inrichtingen onder de werking van het Abm.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van het Abm worden de voorschriften van de milieuvergunning van 2 februari 2007 gedurende drie jaar na het vervallen van de vergunningplicht aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover het Abm op de inrichting van toepassing is.

Vaststaat en overigens is tussen partijen niet in geschil dat de inrichting niet is aan te merken als een inrichting type A. Anders dan eiser mogelijk meent, volgt daaruit niet dat de inrichting zonder meer op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo vergunningplichtig is. Ingevolge artikel 1.2, inrichting type B, van het Abm wordt onder een inrichting type B verstaan: een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo en die geen inrichting type A is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de per 1 januari 2013 in onderdeel 17.3 opgenomen uitzondering op de vergunningplicht voor zogenoemde binnenschietbanen zich hier voordoet. Daarom is de inrichting niet aan te merken als een vergunningplichtige inrichting type C, maar als een inrichting type B, en valt de inrichting onder de werking van het Abm.

Het betoog van eiser slaagt niet.

4.

Eiser betoogt dat bij het opstellen van de maatwerkvoorschriften onvoldoende rekening is gehouden met de lichthinder voor hem die zorgt voor een grote inbreuk op zijn woon- en leefgenot. Daartoe voert hij aan dat bij het opstellen van maatwerkvoorschriften meer rekening moet worden gehouden met lichthinder voor eiser als gevolg van naar binnen schijnende koplampen van motorvoertuigen bij het verlaten van het tegenover zijn woning gelegen terrein van de politieacademie.

Verweerder verwijst naar het onderzoek van Cauberg-Huygen naar lichthinder dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Ter plaatse van de voorgevel van de woning van eiser en enkele andere woningen is onderzoek gedaan naar zowel de lichtsterkte van vertrekkende auto’s als de lichtsterkte per armatuur, van straatverlichting en verlichting van de parkeerplaats. Volgens verweerder wordt ter plaatse van de woning van eiser de grenswaarde van 10 lux voor de dag- en avondperiode niet overschreden. Aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek zijn de maatwerkvoorschriften 5 tot en met 8 vastgesteld. Volgens verweerder is daarmee het aspect lichthinder voldoende beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek van Cauberg-Huygen is af te leiden dat, zoals door verweerder ter zitting onweersproken is gesteld, ter plaatse van de woning van eiser aan de [adres 2] de grenswaarde voor de verlichtingssterkte ten gevolge van inschijnende autolichten van 10 lux voor de dag- en avondperiode niet wordt overschreden.

Bij het bestreden besluit zijn specifiek ter beperking van lichthinder de volgende maatwerkvoorschriften vastgesteld.

maatwerkvoorschrift 5.

De verlichting van het parkeerterrein mag bij woningen van derden niet feller zijn dan 10.000 candela in de dag- en de avondperiode (07.00-23.00 uur) als bedoeld in de ˈAlgemene richtlijn betreffende lichthinder – deel 2: Terreinverlichtingˈ (NSVV, Commissie lichthinder, juni 2003).

maatwerkvoorschrift 6.

De verlichting van de parkeerplaats van de inrichting dient tussen 23.00 en 7.00 uur te zijn uitgeschakeld tenzij de verlichting de grenswaarde van 1000 candela voor de nachtperiode op de gevels van woningen van derden aan de [adressen] niet overschrijdt.

maatwerkvoorschrift 7.

De ontsluiting van de parkeerplaats moet zijn voorzien van een egale en vlak afgewerkte wegverharding. Er mag geen sprake zijn van een hellingshoek. De ontsluitingsweg van de parkeerplaats naar de Arnhemseweg moet zijn uitgevoerd conform de bij de beschikking gevoegde tekeningen.

maatwerkvoorschrift 8.

Binnen 1 maand na het realiseren van de definitieve ontsluiting dient een meting op de woningen aan de [adressen] uitgevoerd te worden naar de verlichtingssterkte ten gevolge van inschijnende autolichten. Deze verlichtingssterkte mag niet meer bedragen dan de grenswaarde van 10 lux voor de dag- en avondperiode als bedoeld in de ˈAlgemene richtlijn betreffende lichthinder – deel 2: Terreinverlichtingˈ (NSVV, Commissie lichthinder, juni 2003).

De rechtbank heeft in wat eiser over lichthinder heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder de vastgestelde maatwerkvoorschriften ter beperking van lichthinder niet toereikend heeft mogen achten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals hiervoor overwogen, uit het onderzoek van Cauberg-Huygen is af te leiden dat op de woning van eiser aan de [adres 2], anders dan op de woningen aan de [adressen], ook voorafgaand aan het met inachtneming van maatwerkvoorschrift 7 realiseren van de definitieve ontsluiting al kan voldaan aan de grenswaarde van 10 lux voor de dag- en avondperiode.

Het betoog van eiser slaagt niet.

5.

Eiser heeft voorafgaand aan de zitting een brief van verweerder van 6 december 2013 overgelegd waaruit volgens hem is af te leiden dat uit recente verkeerstellingen van de politieacademie is gebleken dat sprake is van aanzienlijk meer verkeersbewegingen op de uitweg.

Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat de genoemde brief geen betrekking heeft op de milieu-activiteit maar op de activiteit ˈmaken van een uitwegˈ. Daarbij was aan de orde dat er sprake was van beduidend meer dan 2.200 verkeersbewegingen van en naar de politieacademie. Dat sprake zou zijn van meer dan de in maatwerkvoorschrift 3 toegestane verkeersbewegingen, moet volgens verweerder op een misverstand berusten, nu uit de in maatwerkvoorschrift 4 voorgeschreven tellingen, waarin eiser desgewenst inzage kan krijgen, blijkt dat wordt voldaan aan maatwerkvoorschrift 3.

Ingevolge maatwerkvoorschrift 3 mogen van en naar de inrichting de volgende verkeersbewegingen plaatsvinden:

- maximaal 3267 verkeersbewegingen in de dagperiode;

- maximaal 163 verkeersbewegingen in de avondperiode;

- maximaal 82 verkeersbewegingen in de nachtperiode.

De rechtbank vindt in de door eiser overgelegde brief van verweerder, in het licht van de door verweerder ter zitting daarop gegeven toelichting, geen grond voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan maatwerkvoorschrift 3.

6.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. M. Groverman en mr.drs. J.H. van Breda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Saedt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ter nadere informatie

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.