Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2762

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
AWB-11_191
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing ingevolge artikel 68 van de Flora- en faunawet; wilde zwijnen en reeën.

Benelux-Overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming; strijd met het Benelux-recht. Toegestane middelen en geweren en munitie.

Wijziging van het recht; in stand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3274

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/191, 11/192 en 11/612

Uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Stichting De Faunabescherming, te Amstelveen, eiseres,

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

- in alle zaken

Stichting Fauna Beheer Eenheid Veluwe, te Deventer,

en

- in zaak 11/612

Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe, gevestigd te Hoenderloo, vertegenwoordigd door mr. J.G. Bos.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft verweerder ontheffing onder voorschriften verleend aan Stichting Fauna Beheer Eenheid Veluwe (met ingang van 1 januari 2013 Stichting Fauna Beheer Eenheid Gelderland, hierna: de FBE) ingevolge artikel 68 van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) voor het verontrusten en doden van reeën op de Veluwe.

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft verweerder ontheffing onder voorschriften verleend aan de FBE ingevolge artikel 68 van de Ffw voor het verontrusten en doden van wilde zwijnen op de Veluwe.

Bij besluit van 8 oktober 2010 heeft verweerder de aanvraag van de FBE van 29 april 2010 om in aanvulling op de verleende ontheffingen gebruik te kunnen maken van de geluiddemper als middel ingewilligd en voor de periode tot en met 1 juli 2011 ter zake eveneens ontheffing ingevolge artikel 68 van de Ffw verleend.

Bij besluiten op bezwaar van 10 december 2010 (wilde zwijnen en reeën) en 22 december 2010 (geluiddemper) heeft verweerder beslist op de gemaakte bezwaren en de eerder genoemde primaire besluiten grotendeels gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn geregistreerd onder de nummers 11/191 (wilde zwijnen), 11/192 (reeën) en 11/612 (geluiddemper).

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 28 juni 2011. Namens eiseres is verschenen A.P de Jong, secretaris. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H. Holterman en ing. Th.A.M. Dikker, werkzaam bij verweerders provincie. Ter zitting heeft de FBE in alle zaken en Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe alleen in zaak 11/612 zich gesteld als partij ex artikel 8:26 van de Awb. Namens de FBE is verschenen G.J. Spek, adviseur Grofwild, en namens Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe is verschenen mr. J.G. Bos, advocaat te Rotterdam.

Het onderzoek is vervolgens heropend in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij verwijzingsuitspraak van 3 augustus 2011 zijn gesteld aan het Benelux-Gerechtshof in Brussel.

Op 11 maart 2013 heeft het Benelux-Gerechtshof deze vragen beantwoord en arrest gewezen

(zaaknr. A 2011/2/10; www.courbenelux.be). De Afdeling heeft op 4 december 2013

twee uitspraken gedaan (ECLI:NL:RVS:2013:2207 en ECLI:NL:RVS:2013:2211).

Partijen hebben hierop gereageerd en hebben toestemming gegeven om zonder nadere

zitting uitspraak te doen. Hierop is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft aan de FBE ingevolge artikel 68 van de Ffw voor de periode tot 1 oktober 2014 ontheffing onder voorschriften verleend van het verbod in de artikelen 9 en 10 van de Ffw met betrekking tot reeën op de Veluwe.

De rechtbank stelt vast dat in voorschrift 5 van de bij het bestreden besluit gehandhaafde ontheffing is aangegeven dat in afwijking van het daarover bepaalde in het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, het gebruik van het geweer reeds is toegestaan vanaf een uur vóór zonsopgang tot een uur na zonsondergang. Hieruit volgt dat op dit punt de facto tevens ontheffing is verleend van het verbod in artikel 72, vijfde lid, van de Ffw.

De ontheffing is verleend ter bestrijding van schade aan bossen, gewassen, flora en fauna en in verband met de openbare veiligheid.

2.

Verweerder heeft aan de FBE ingevolge artikel 68 van de Ffw voor de periode tot 1 oktober 2014 ontheffing onder voorschriften verleend van het verbod in artikel 9, 10 en 72, vijfde lid, van de Ffw met betrekking tot wilde zwijnen op de Veluwe. De voorschriften zien - voor zover van belang - op het gebruik van het geweer van zonsondergang tot zonsopgang met de in de bijlage onder E1 genoemde middelen, zijnde het gebruik van een elektronische beeldversterker cq. restlichtversterker, al dan niet met infraroodlichtbron, alsmede kunstlicht.

De ontheffing is verleend met het oog op het belang van bestrijding van schade aan gewassen en flora en fauna, openbare veiligheid, populatiebeheer en afschot zieke of gebrekkige dieren.

3.

Bij besluit van 8 oktober 2010 heeft verweerder de aanvraag van de FBE van 29 april 2010 om in aanvulling op vorengenoemde ontheffingen gebruik te kunnen maken van de geluiddemper als middel ingewilligd en voor de periode tot en met 1 juli 2011 ter zake ontheffing ingevolge artikel 68 van de Flora- en faunawet verleend.

4.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder genoemde besluiten grotendeels gehandhaafd.

5.

De rechtbank verwijst voor wat het wettelijk kader betreft naar de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling van 4 december 2013. In aanvulling daarop – nu die uitspraken betrekking hadden op de vos –, overweegt de rechtbank dat reeën (Capreolus preolus) en wilde zwijnen (Sus scrofa) ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Benelux-Overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming, zoals gewijzigd bij het Protocol van 20 juni 1977 tot wijziging van die Overeenkomst (hierna: de Benelux-Overeenkomst) zijn aangewezen als grof wild in de zin van deze Overeenkomst. In zoverre zijn de Benelux-Overeenkomst en de daarop gebaseerde Beschikkingen op dit geschil van toepassing.

6.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres – ondanks dat de ontheffing voor de geluiddemper slecht is verleend voor de periode tot en met 1 juli 2011 - procesbelang heeft behouden bij dit onderdeel van haar beroep, gelet op de omstandigheid dat zij het inhoudelijke oordeel van de rechtbank kan betrekken bij eventuele toekomstige procedures inzake ontheffingen voor wat betreft gebruikmaking van de geluiddemper op grond van artikel 68 van de Ffw.

Hieraan doet niet af dat Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe bij brief van 27 januari 2014 heeft aangegeven dat zij sedertdien geen nieuwe aanvraag voor een ontheffing op grond van de Wet Wapens en Munitie heeft gedaan.

7.

Eiseres heeft betoogd dat de Benelux-Overeenkomst en de daarop gebaseerde Beschikkingen maken dat de verleende ontheffingen niet in stand kunnen blijven.

8.

Het betoog van eiseres treft deels doel.

De rechtbank verwijst in dit verband om te beginnen naar de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling van 4 december 2013. Uit deze uitspraken volgt voor wat de onderhavige zaken betreft het volgende.

Wilde zwijnen

Uit artikel 4, eerste lid, van de Benelux-Overeenkomst volgt dat de jacht met het geweer tenminste gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang verboden is. Hierbij gaat het ook om de jacht in het kader van de bestrijding van schade, en derhalve ter verdelging.

Omdat in artikel 4, eerste lid, van de Benelux-Overeenkomst een absoluut verbod is opgenomen voor de jacht gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang en de bestrijding van wilde zwijnen in dit geval als jacht is te kwalificeren in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Benelux-Overeenkomst, diende artikel 68, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ffw buiten toepassing te worden gelaten, voor zover daarin de bevoegdheid wordt gegeven ontheffing te verlenen van het verbod voor de jacht gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang.

Uit artikel 4, tweede lid, van de Benelux-Overeenkomst volgt ondubbelzinnig dat bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten slechts gebruik mag worden gemaakt van nader aan te wijzen wapens en munitie, alsmede van nader aan te wijzen andere middelen, tuigen en jachtmethoden. Ten tijde van het bestreden besluit waren kunstmatige lichtbronnen in de Beschikking middelen niet als toegestaan middel aangewezen en was een geweer voorzien van elektronische beeldversterker of restlichtversterker, al dan niet met infraroodlichtbron op grond van de Beschikking geweren en munitie verboden. De rechtbank komt dan ook, ex tunc oordelende, tot de conclusie dat het doden van wilde zwijnen met kunstmatige lichtbronnen en met geweer voorzien van elektronische beeldversterker of restlichtversterker, al dan niet met infraroodlichtbron op grond van artikel 4, tweede lid, van de Benelux-Overeenkomst niet was toegestaan.

Geluiddemper

Met betrekking tot het gebruik van een geluiddemper geldt eveneens dat deze ten tijde van het bestreden besluit verboden was op grond van de Beschikking geweren en munitie.

9.

Het voorgaande leidt er toe dat de beroepen gegrond zijn en dat de bestreden besluiten die betrekking hebben op de wilde zwijnen (11/191) en het gebruik van een geluiddemper (11/612), voor vernietiging in aanmerking komen.

De rechtbank zal, gelet op hetgeen hierna in 20 en 21 is overwogen, de op 24 april 2012 in werking getreden Wijzigingsbeschikking, waarbij het toepassingsgebied van de Beschikkingen uitsluitend beperkt is tot de uitoefening van de jacht en zich niet (meer) uitstrekt tot bestrijding teneinde belangrijke schade te voorkomen c.q. te bestrijden, onbesproken laten.

De rechtbank zal hierna ingaan op de overige beroepsgronden in de zaken die betrekking hebben op de wilde zwijnen en reeën.

10.

Eiseres heeft aangevoerd dat de verleende ontheffingen niet in stand kunnen blijven omdat verweerder niet over een adequaat faunabeleid beschikt en de noodzakelijke gegevens - van onafhankelijke instanties – niet zelf heeft ingewonnen. De FBE is een particulier initiatief waar de overheid geen bemoeienis mee heeft. De rechtbank houdt het er voor dat eiseres heeft betoogd dat de bestreden besluiten in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid zijn genomen en een deugdelijke motivering ontberen.

11.

In het vierde lid van artikel 68 is bepaald dat de ontheffing als bedoeld in het eerste lid, slechts wordt verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

In dit geval is dat het Faunabeheerplan Oost-Gelderland/ Rivierenland/ Veluwe 2009-2014 (hierna: het faunabeheerplan). Verweerder dient derhalve op grond van de Ffw bij het verlenen van ontheffingen uit te gaan van dat faunabeheerplan. Het faunabeheerplan dient te voldoen aan hetgeen daarover in het Besluit faunabeheer is opgenomen en moet worden goedgekeurd door verweerder zelf. Dit maakt dat verweerder in beginsel ontheffingen kan baseren op gegevens uit het - goedgekeurde - faunabeheerplan.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de verlening van de ontheffingen niet alleen heeft gebaseerd op het faunabeheerplan.

Verweerder heeft in het besluit van 18 februari 2010 aangegeven dat in het faunabeheerplan rekening is gehouden met het provinciale beleid met betrekking tot grote hoefdieren (Nota Flora en Fauna Gelderland 2003) en heeft in dat besluit ook overigens gemotiveerd uiteengezet waarom de ontheffing verleend wordt.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit een zeer uitvoerige toelichting heeft gegeven op een groot aantal aspecten dat betrekking heeft op het verlenen van een ontheffing ingevolge de Ffw. Daarbij heeft verweerder zich niet beperkt tot de gronden die eiseres in bezwaar heeft aangevoerd tegen de verleende ontheffingen.

In het bestreden besluit met betrekking tot de reeën heeft verweerder mede in aanmerking genomen de brief van de FBE van 27 mei 2010, opgemaakt naar aanleiding van vragen die verweerder heeft gesteld vanwege het advies van de bezwarencommissie van verweerder van 12 januari 2010 inzake de verleende ontheffing met betrekking tot de reeën. Tevens heeft verweerder het advies van de bezwarencommissie van verweerder van 23 juli 2010 inzake de verleende ontheffing met betrekking tot de wilde zwijnen betrokken.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten niet in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid zijn en dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd op grond van welke gegevens hij de verleende ontheffingen in bezwaar (grotendeels) heeft gehandhaafd.

Het betoog treft dan ook geen doel.

12.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hetgeen door eiseres is ingebracht niet “deskundig“ is en niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Verweerder hanteert daarbij verkeerde uitgangspunten en verweerder stelt ten onrechte dat geen gegevens van deskundigen in het geding zijn gebracht.

13.

De rechtbank is niet gebleken dat verweerder hetgeen van de zijde van eiseres wordt aangevoerd om formele redenen niet heeft meegewogen. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat er op grond van inhoudelijke afwegingen geen reden is om de verleende ontheffingen niet meer te handhaven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder bij de verlening van de ontheffing mag uitgaan van de reeds jaren op dezelfde wijze uitgevoerde tellingen van wilde zwijnen en reeën. Genoegzaam aannemelijk is geworden dat deze tellingen, waarvan ook door verweerder en de FBE is aangegeven dat het een schatting betreft, een tendens zichtbaar maakt in de ontwikkeling van de populatie reeën op grond waarvan het afschot van het aantal reeën bepaald kan worden.

14.

De stelling van eiseres dat afschot van reeën geen invloed heeft op de populatie, volgt de rechtbank evenmin. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat indien geen beheer van de reeënpopulatie plaatsvindt, deze zal toenemen. De stelling dat een toename van de reeënpopulatie zal leiden tot meer aanrijdingen en een afname van de verkeersveiligheid, acht de rechtbank evenmin onredelijk.

15.

Eiseres heeft aangevoerd dat er andere bevredigende oplossingen zijn dan het afschieten van reeën en wilde zwijnen.

16.

In het besluit van 18 februari 2010 inzake de wilde zwijnen en in de brief van 27 mei 2010 inzake de reeën heeft verweerder toegelicht waarom er geen ander bevredigende oplossing is als bedoeld in artikel 68 van de Ffw. Verweerder heeft tevens aangegeven dat de door eiseres geplaatste kanttekeningen onvoldoende zijn om aan te nemen dat andere bevredigende oplossingen maatregelen bestaan.

De rechtbank acht dit standpunt van verweerder juist. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank beoordelingsruimte bij het vaststellen of sprake is van een andere bevredigende oplossing. Uit de door eiseres overgelegde informatie kan niet worden afgeleid dat in het voorliggende geval ten aanzien van de verkeersveiligheid en ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen andere bevredigende oplossingen dan populatiereducerende maatregelen bestaan.

Ten aanzien van het aanpassen van de verkeerssnelheid als andere bevredigende oplossing heeft verweerder aangegeven dat deze maatregel niet voldoende effect sorteert en moeilijk te realiseren is. De twijfel over het kunnen effectueren van de verlaging van de verkeerssnelheid maakt dat niet gesproken kan worden van een bevredigende oplossing. Ter zitting heeft de gemachtigde van FBE in dit verband aangegeven dat het afschot in verband met verkeersveiligheid samenhangt met andere belangen, waaronder het belang van bestrijding van schade aan gewassen valt. Het verlagen van de verkeersnelheid is geen oplossing voor het probleem van optredende schade aan gewassen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen alternatieven aanwezig zijn om een bevredigende oplossing te verkrijgen.

17.

Eiseres heeft aangegeven dat de jagers schieten wat voor hun loop komt en geen natuurlijke selectie toepassen. Ook de gezonde en sterke dieren worden afgeschoten. Dit is op de lange duur schadelijk voor de populatie.

18.

Uit het bestreden besluit blijkt dat afschot van zieke en gebrekkige dieren een afzonderlijk belang is dat wordt nagestreefd met de ontheffing. Dit houdt in dat ook bij het jagen een selectie wordt toegepast. Ter zitting is van de kant van de gemachtigde van de FBE toegelicht dat het in veel gevallen ook niet zinvol is de dominante sterke dieren te schieten, aangezien dat tot gevolg zou hebben dat mogelijk meer dan één exemplaar daarvoor in de plaats zou komen. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat op dit punt door het verlenen van ontheffing afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Het betoog van eiseres treft dan ook geen doel.

Conclusies

19.

De beroepen inzake de verleende ontheffingen met betrekking tot de wilde zwijnen (11/191) en de geluiddemper (11/612) zijn gegrond. Deze bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking.

20.

Verweerder en Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe hebben betoogd dat er gelet op de brief van Staatssecretaris van Economische Zaken S. Dijksma aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 6 december 2013, aanleiding is de rechtsgevolgen in stand te laten. In die brief meldt de staatssecretaris dat GS de huidige praktijk van beheer en schadebestrijding binnen de kaders van de Ffw moeten kunnen voortzetten, waar nodig in afwijking van de bepalingen van de Benelux-overeenkomst. Zij baseert zich daarbij op artikel 13 van de Benelux-overeenkomst, welk artikel toelaat dat Nederland gedurende drie maanden maatregelen neemt die afwijken van de Benelux-overeenkomst.

Verweerder heeft aangegeven dat de periode van drie maanden op 10 december 2013 is aangevangen.

Op 5 maart 2014 heeft het Benelux Comité van Ministers de beschikking genomen tot instemming met de toepassing van artikel 13, lid 1 van de Benelux-Overeenkomst (M (2014) 3). Afwijkingen van de artikelen 2, 3 en 4 van de Benelux-Overeenkomst zijn hiermee toegestaan, voor zover dit nodig is – voor zover relevant - tot voorkoming van schade.

21.

De rechtbank ziet in de hiervoor genoemde wijziging van het recht aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar inzake de wilde zwijnen in stand te laten. Bij een nieuw te nemen besluit op bezwaar zal verweerder immers met inachtneming van het thans geldende recht geen ander besluit kunnen nemen voor wat de resterende periode van de ontheffing betreft.

Met betrekking tot de ontheffing voor het gebruik van de geluiddemper ziet de rechtbank reden om het primaire besluit van 8 oktober 2010 te herroepen, aangezien de hiervoor bedoelde wijziging van het recht geen betrekking heeft op de periode waarvoor ontheffing is verleend.

22.

Het beroep inzake de verleende ontheffing met betrekking tot de reeën (11/192) is ongegrond.

23.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, zijnde de reiskosten naar de zitting, groot € 28,60. Tevens dient verweerder de betaalde griffierechten in de procedures met zaaknummers 11/191 en 11/612 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen geregistreerd onder zaaknummers 11/191 en 11/612 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2010 dat betrekking heeft op de wilde zwijnen, en het bestreden besluit van 22 december 2010 dat betrekking heeft op het gebruik van een geluiddemper;

  • -

    herroept het primaire besluit van 8 oktober 2010 inzake het gebruik van een geluiddemper, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar van 22 december 2010;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 10 december 2010 geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 28,60;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 596 (twee maal € 298) aan eiseres vergoedt;

  • -

    verklaart het beroep, geregistreerd onder zaaknummer 11/192 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. S.W. van Osch - Leysma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.