Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2751

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_5548
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser dreef samen met zijn broer een onderneming in de vorm van de VOF. Beiden waren gelijkelijk gerechtigd tot de winst. De broer van eiser is in 2008 ziek geworden. Zijn Ziektewetuitkering is verantwoord als winst van de VOF. Bij de berekening van het maatmaninkomen van eiser is verweerder uitgegaan van de door eiser in zijn aangifte inkomstenbelasting voor de jaren 2007 tot en met 2009 verantwoorde winst. Dat de broer van eiser als gevolg van ziekte in de betrokken jaren niet daadwerkelijk arbeid heeft verricht voor de VOF, is niet een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat ervan moet worden uitgegaan dat in 2008 en 2009 de hele winst van de VOF alleen door eiser is verdiend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: 13/5548

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: drs. C.G.G. Baauw),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 19 december 2012 (hierna: datum in geding) een loongerelateerde werkhervattingsuitkering voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA-uitkering) toegekend ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35-45 %.

Bij besluit van 8 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 12 december 2012 herroepen en beslist dat eiser recht heeft op een WGA-uitkering, gebaseerd op de vaststelling dat eiser op de datum in geding 55-65% (59,89%) arbeidsongeschikt is.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

Overwegingen

1.De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser dreef tot 1 januari 2010 tezamen met zijn broer [naam broer] een tegelzettersbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma (VOF). Beiden hadden recht op een gelijk aandeel in de winst. In de jaren 2008 en 2009 was de broer van eiser wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk. Eisers broer heeft in deze jaren zijn uitkering krachtens de Ziektewet als winst ingebracht in de VOF. Eiser heeft sinds 1 januari 2010 een eenmanszaak. Eiser is op 22 december 2010, wegens heup- en rugklachten, uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig ondernemer (tegelzetter) voor 40 uur per week. Eerder was eiser in verband met die klachten minder gaan werken, te weten 50% vanaf 10 januari 2011 en vanaf mei 2012 30 %. Voor zware klussen huurde hij ZZP-ers in. Per einde wachttijd heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd.

2.Verweerder heeft de wijziging van de uitkering gebaseerd op de vaststelling dat eiser op de datum in geding 59,89% arbeidsongeschikt is. Hieraan ligt een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek ten grondslag.

3.Eiser vecht in beroep enkel de arbeidskundige grondslag aan. Eiser stelt in dat verband dat het maatmanloon onjuist is vastgesteld. Verweerder is volgens eiser ten onrechte uitgegaan van het aandeel van eiser in de financiële resultaten van de VOF over de jaren 2007, 2008 en 2009 vermeerderd met de resultaten uit zijn buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen. Volgens eiser moet ervan worden uitgegaan dat het resultaat van de VOF in de jaren 2008 en 2009 volledig door eiser is verdiend, aangezien zijn broer in die jaren ziek was. Eiser concludeert op basis van voornoemd standpunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid 66,42% moet zijn.

4.Verweerder stelt dat op grond van vaste jurisprudentie van de Raad dat voor de bepaling van het maatgevende inkomen van een zelfstandig ondernemer, voor de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is, de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid als uitgangspunt geldt. Volgens verweerder is terecht uitgegaan van de aangeleverde jaarcijfers, waaronder begrepen de ZW-uitkering van de broer van eiser en de verdeling daarvan, en komen die jaarcijfers ook overeen met de fiscale winstberekening zoals door eiser opgegeven aan de Belastingdienst.

5.Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de door de Belastingdienst voor de heffing van de inkomstenbelasting aanvaarde nettowinst van de VOF over de boekjaren 2007, 2008 en 2009 als uitgangspunt heeft genomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) hoofdregel is, dat in gevallen waarin dat praktisch mogelijk is bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige in beginsel dient te worden uitgegaan van de door de Belastingdienst aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van intreden van de arbeidsongeschiktheid. Uit die jurisprudentie komt ook naar voren dat met die hoofdregel is beoogd om, gezien de veelal wisselende inkomsten van een zelfstandige, de representativiteit van het maatmaninkomen te vergroten en discussies over allerlei min of meer arbitraire aspecten te vermijden en dat er slechts ruimte voor afwijking is in (zeer bijzondere) gevallen waarin evident is dat de in de referteperiode van drie jaren behaalde winst geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit van de gezonde zelfstandige (vgl. CRvB 21 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB4586 en CRvB 21 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7234). Daarvan is hier geen sprake. Dat de broer van eiser ziek is geworden en daardoor in 2008 en 2009 niet daadwerkelijk arbeid heeft verricht voor de VOF, is niet zo’n bijzondere omstandigheid. Ook de omstandigheid dat de Ziektewetuitkering van de broer als winst van de VOF is verantwoord, is dat niet.

6.Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.W.C. van Dinther, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.