Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2735

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
05/801737-13, 05/801841-13 en 05/842176-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot woninginbraak en heling van onder andere een hoeveelheid sieraden tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf. Anders dan geadviseerd door deskundigen en gevorderd door de officier van justitie, besluit de rechtbank niet de haalbaarheid van GBM te toetsen, nu de bewezenverklaarde feiten hiertoe onvoldoende aanleiding geven en nog niet eerder hulpverlening is ingezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken

Promis II

Parketnummer : 05/801737-13, 05/801841-13 en 05/842176-13

Datum zitting : 01 april 2014 en 22 april 2014

Datum uitspraak: 24 april 2014

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een in de zaak met parketnummer 05/842176-13 door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

in de zaak met parketnummer 05/801737-13

hij op of omstreeks 18 november 2013 te Ede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (perceel gelegen aan de [adres 1]) weg te nemen enig geldbedrag en/of enig(e) goed(eren) van verdachtes en/of van zijn mededaders gading, geheel of ten dele toebehorende aan[aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen en/of voormeld(e) goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, door met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een (draai)raam van die woning te verbreken/forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in de zaak met parketnummer 05/801841-13

1.

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2013 tot en met 17 november

2013 te Ede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (perceel

gelegen aan de[adres 2]) heeft weggenomen een laptop (witte Sony Vaio)

en/of één of meerdere (gouden) siera(a)d(en) en/of een zonnebril (merk

Ray-Bann), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende

aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang

tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming (te weten door het openbreken/forceren van een

(uitzet)raam (aan de achterzijde) van die woning);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2013 tot en met 21 november

2013 te Ede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, een laptop (witte Sony Vaio), heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn

mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

genoemde laptop wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat

het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 12 november 2013 te Ede tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een woning (perceel gelegen aan de [adres 3]) heeft

weggenomen één of meerdere computer(s) en/of tablet(s) en/of een (computer)tas

en/of een acculader en/of een (lederen) portefeuille en/of een (auto)sleutel

en/of een horloge, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak en/of verbreking (te weten door het openbreken/forceren

van een (bijkeuken) raam(pje) (aan de achterzijde) van die woning);

in de zaak met parketnummer 05/842176-13

1.

hij op of omstreeks 24 december 2013, in de gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, om met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan

het [adres 4]) heeft weggenomen een (blad)gouden broche (eikenblad) en/of

een gouden ketting en/of een gouden hanger (met parel) en/of een (of meer)

ander(en) siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan een persoon genaamd [aangever 4], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december

2013 tot en met 27 december 2013,

in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen,

een gouden broche (eikenblad) en/of een gouden ketting en/of een gouden

hanger (met parel) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voornoemde (gouden) siera(a)d(en) (al dan niet

buitgemaakt bij een woninginbraak aan het [adres 4]), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 23 december 2013, in de gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, om met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan

het[adres 5]) heeft weggenomen een (gouden) horloge en/of een (of meer)

gouden siera(a)d(en) en/of een (of meer) ander(en) siera(a)d(en) en/of een

trommel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een

persoon genaamd [aangever 5] en/of "[de stichting]", in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 december 2013, althans in of omstreeks de periode van

23 december 2013 tot en met 27 december 2013,

in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, een

(gouden) horloge en/of een (of meer) gouden siera(a)d(en) en/of een (of meer)

ander(en) siera(a)d(en) en/of een trommel (met inhoud) heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goed(eren) (al dan niet

buitgemaakt bij een woninginbraak aan het[adres 5]) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 december

2013 tot en met 27 december 2013, in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, op

verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) diverse gouden

en/of zilveren siera(a)d(en) en/of een (of meer) (gouden) horloge(s) en/of een

(of meer) armband(en) (anders bedoeld als bij feit 1 en feit 2 op de

dagvaarding genoemd) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voornoemde siera(a)d(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaken zijn op 1 april 2014 ter terechtzitting met gesloten deuren onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

Ter terechtzitting van 1 april 2014 zijn de zaken van de officier van justitie, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

De officier van justitie, mr. M. Zwartjes, heeft ter terechtzitting van 1 april 2014 haar eis geformuleerd.

De raadsman en verdachte hebben ter terechtzitting van 1 april 2014 het woord ter verdediging gevoerd.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

in de zaak met parketnummer 05/801841-13, feit 2:

- [aangever 3];

in de zaak met parketnummer 05/842176-13, feit 2:

- [gemachtigde] als gemachtigde van Stichting [de stichting].

Nu de rechtbank niet tijdig op 15 april 2014 uitspraak heeft gedaan, zijn de zaken in samenspraak met de verdediging en het Openbaar Ministerie op de bestaande telastelegging opnieuw onderzocht ter terechtzitting van 22 april 2014. Daarbij is verdachte niet verschenen. Wel is verschenen mr. J.G.T. Stapelbroek-Klooken namens mr. M.W.G.J. IJsseldijk. Ter terechtzitting van 22 april 2014 hebben de officier van justitie en de verdediging, met instemming van de verdachte, te kennen gegeven dat al hetgeen ter terechtzitting van 1 april 2014 naar voren is gebracht als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

3 Preliminair verweer

In de zaak met parketnummer 05/842176-13 heeft de raadsman van verdachte preliminair verweer gevoerd. Volgens de raadsman voldoet in die zaak hetgeen onder feit 3 is tenlastegelegd niet aan de wettelijke criteria zoals omschreven in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de tenlastelegging voor dat feit nietig dient te worden verklaard. Volgens de raadsman is niet duidelijk van welke sieraden zijn cliënt wordt verdacht dat hij deze geheeld heeft.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen het gevoerde verweer en daartoe opgemerkt dat naar haar mening de tenlastelegging voldoende duidelijk is door daarin expliciet op te merken dat het de sieraden betreffen die in het dossier zijn opgenomen en die niet vallen onder de feiten 1 en 2.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 261, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Strekking hiervan is –onder meer- dat verdachte in de gelegenheid moet worden gesteld om zich op basis van de tenlastelegging goed te kunnen verdedigen. De eis van “opgave van het feit” wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk. Eén van de factoren die een rol speelt bij het begrip “duidelijk en begrijpelijk”, is de vraag of er bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan wat verdachte wordt verweten.

De rechtbank stelt vast dat in het dossier diverse aangiftes zijn gedaan van woninginbraken waarin telkens melding wordt gemaakt van de wegneming van onder meer een hoeveelheid sieraden. Onder de feiten 1 en 2 wordt verdachte verweten dat hij sieraden heeft gestolen bij een woninginbraak, althans dat hij die sieraden heeft geheeld. Onder feit 3 wordt verdachte kort gezegd tenlastegelegd dat hij sieraden heeft geheeld die niet vallen onder de feiten 1 en 2. Gelet op de inhoud van het onderzoeksdossier en op de samenhang van de tenlastegelegde feiten, is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 3 tenlastegelegde voldoende duidelijk en begrijpelijk is en daarmee voldoet aan de vereisten die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt aan de dagvaarding. De rechtbank verwerpt daarmee het preliminaire verweer.

4. De beslissing inzake het bewijs1

In de zaak met parketnummer 05/801737-13

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 18 november 2013 zijn de bewoners van[adres 1] perceelnummer [nummer] te Ede met vakantie gegaan. Diezelfde avond is aldaar door twee personen gepoogd om in te breken.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot woninginbraak. De officier van justitie baseert zich daarbij onder meer op de aangifte, de verklaringen van de buren van de aangever die daarbij signalementen opgeven die passen bij verdachte en zijn medeverdachte, de verklaring van de medeverdachte en de in de telefoon van verdachte vastgestelde berichten die duiden op betrokkenheid bij het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het tenlastegelegde. Volgens de raadsman voldeed verdachte in onvoldoende mate aan het opgegeven signalement en is ook niet gebleken van andere verdachte omstandigheden waaronder zijn cliënt is aangetroffen, waardoor geen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en verbalisanten dus niet hadden mogen overgaan tot aanhouding. Nu sprake is van een onrechtmatige aanhouding dient het bewijsmateriaal dat daaruit is voortgevloeid te worden uitgesloten. Daarmee resteert enkel de verklaring van de medeverdachte, hetgeen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

De beoordeling door de rechtbank

Getuige [getuige 1] zag op 18 november 2013: “(…) dat de buitenlamp in de tuin van de buren van het perceelnummer [nummer] aanging.(…) Ik zag dat er in de tuin van de buren van nummer [nummer] twee jongens stonden. (…) Ik zag dat een van deze jongens een donkere jas droeg. Ik zag dat de andere jongen een lichtere jas droeg en een lichte capuchon over zijn hoofd droeg. (…)”3

Verbalisanten kregen vervolgens vanuit de meldkamer het signalement door van de twee vermoedelijke daders. Dit signalement was: twee personen van wie een (1) persoon in het zwart gekleed en een (1) persoon een opvallend witte capuchon.4 Verbalisanten zagen onderweg en in de nabijheid van de plaats van het feit: “(…) twee personen staan in een tuin van een woning aan het [adres 6]. Wij zagen dat de twee personen voldeden aan het opgegeven signalement. (…) Wij zagen dat [verdachte] zwarte handschoenen droeg. Tevens zagen wij dat beide personen aan het hijgen waren alsof zij een lichamelijke inspanning hadden geleverd.”5 Vervolgens zijn deze twee personen aangehouden. Het enkele feit dat de meldkamer heeft doorgegeven dat sprake was van een zwarte jas, en verdachte blijkens zijn verklaring bij de politie6 een donkerblauwe jas droeg, maakt niet dat verdachte samen met zijn medeverdachte onvoldoende voldeden aan het doorgegeven signalement van de daders. Nu verdachte en zijn medeverdachte in ruim voldoende mate voldeden aan het opgegeven signalement van zowel de getuige als van de meldkamer, zij kort na de poging tot inbraak en opvallend hijgend door verbalisanten werden aangetroffen in een tuin van andere mensen en zij zich in de buurt van de plaats van het misdrijf werden opgemerkt, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld om verdachte als verdachte aan te merken en dat verbalisanten op juiste gronden zijn overgegaan tot aanhouding. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman dat door een onrechtmatige aanhouding het daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal moet worden uitgesloten.

Naast voornoemde omstandigheden bezigt de rechtbank tot bewijs het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2013 met betrekking tot de onder verdachte in beslag genomen telefoon, voor zover dit proces-verbaal inhoudt: “(…) Ik zag in deze chatberichten dat [verdachte] meerdere malen contact had gehad met [medeverdachte 1] op maandag 18 november 2013. Ik zag dat in deze chatberichten meerdere berichten stonden die mogelijk konden worden gerelateerd aan bovengenoemde woninginbraak.

(…) Ik zag dat [verdachte] om 10.21.10 uur het volgende bericht stuurde naar [medeverdachte 1]: “eey gaan we snel osso knallen?” Het is mij ambtshalve bekend dat dit straattaal is en dat een osso een huis is. Vermoedelijk vraagt [verdachte] in dit bericht aan [medeverdachte 1] of ze snel in een huis gaan inbreken. Ik zag dat [medeverdachte 1] om 10.22.08 “Jaa” en om 10.22.12 “Die jood” en om 10.22.20 “bij jou dqar” antwoordde. (…)

Ik zag dat [medeverdachte 1] om 17.41.20 het volgende bericht stuurde naar [verdachte]: “weetje al een” waarop [verdachte] om 17.41.45 antwoordde “Jaa”.

Ik zag dat [verdachte] om 18.49.55 het volgende bericht naar [medeverdachte 1] stuurde: “kom kwart over 8 na die veld okay”.7

Medeverdachte [medeverdachte 1] legt uiteindelijk een bekennende verklaring af en verklaart daarbij onder meer: “(…) We hebben dat maandagmiddag 18 november 2013 afgesproken. Dat gebeurde na onze whatsapp-gesprekken. In de whatsapp gesprekken hebben we het over jood, dat is het huis waar we hebben geprobeerd in te breken. (…) We dachten dat het een makkelijk huis was. (…)[verdachte] heeft geprobeerd het raam open te breken. Hij had een lang ding bij zich, dat was volgens mij van staal. (…) ik heb[verdachte] wel bij dat raam bezig gezien toen ik achter hem stond bij de poortdeur.”8

Alles overziend concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot woningbraak.

In de zaak met parketnummer 05/801841-13

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Omstreeks 16 en 17 november 2013 is uit de woning gelegen aan[adres 2] te Ede, weggenomen onder meer een witgekleurde laptop van het merk Sony, type Vaio.9

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie komt tot deze conclusie gelet op de aangifte, de berichten die in de telefoon van verdachte zijn teruggevonden en die passen bij de woninginbraak, het korte tijdsverloop tussen de diefstal en het Whatsappgesprek tussen verdachte en een onbekende persoon, het aantreffen van de laptop en de verklaring van getuige [getuige 2].

Ter zake het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd tot vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor zowel het onder feit 1 als het onder feit 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman komt de verdenking voor deze feiten rechtstreeks voort uit de inbeslagneming die in de zaak met parketnummer 05/801737-13 is geschied en die volgens de raadsman onrechtmatig is geweest. Met betrekking tot de verklaring van getuige [getuige 2] merkt de raadsman op dat deze verklaart dat meerdere personen in de schuur komen en dat zij bijna – aldus niet volledig – zeker weet dat verdachte de gestolen goederen in de schuur heeft gelegd. Volgens de verdediging is deze verklaring onvoldoende overtuigend om als bewijsmiddel te dienen.

De beoordeling door de rechtbank

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, is verdachte op rechtens correcte wijze aangehouden in de zaak met parketnummer 05/801737-13. Hierdoor is ook de verdenking ter zake onderhavige feiten, die rechtstreeks voortvloeit uit de inbeslagname en daaropvolgende uitlezing van de telefoon van verdachte in de eerder genoemde zaak, rechtmatig geweest.

Wat betreft het onder feit 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de uitgelezen telefoon van verdachte komt onder meer een gesprek naar voren dat door de verbalisant als volgt is waargenomen: “(…) Ik zag dat er op 17 november 2013 omstreeks 12.16 uur het volgende gesprek had plaatsgevonden met [medeverdachte 2] middels de applicatie Whatsapp. (…) I:[verdachte] W: [medeverdachte 2]

W: kom jelleh

I: Jaa ik hb lappie

I: Kopen meh

I: Sony

I: Vaio

I: Gister uit osso

(…) Het is mij ambtshalve bekend dat een lappie straattaal is en dat het laptop betekent. Het is mij ambtshalve bekend dat een osso straattaal is en dat het huis betekent. (…) Ik zag dat er tussen 16 november 00.00 uur en 23.59 uur één (1) inbraak in een woning had plaatsgevonden in Ede. Dit betrof een inbraak in een woning, gelegen aan de[adres 2] te Ede. Ik zag dat er bij de inbraak een witte Sony Vaio laptop was weggenomen.”10

Op 21 november 2013 overhandigt getuige[getuige 2] onder andere een niet aan haar toebehorende laptop aan de politie11, waarvan verbalisanten na onderzoek concluderen dat deze laptop toebehoort aan aangever [aangever 2].12 Bij een later verhoor verklaart getuige [getuige 2] als volgt: “(…)Ik weet bijna zeker dat mijn buurjongen de enige is die gebruikmaakt van de kleine schuur, hij kwam wel eens met meer dingen aanzetten. Hij kwam aanzetten met gouden sieraden. Hij kwam aan met een zak goud en vertelde stoer dat hij had ingebroken, meerdere malen is dit gebeurd.(…)”13

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat middels de telefoon van verdachte op 17 november 2013 met een onbekende persoon via de Whatsapp wordt gesproken over een laptop Sony Vaio die slechts één dag eerder uit een huis is weggenomen en waarvan aangifte is gedaan. Verdachte verklaart dat hij de enige is die gebruik maakt van zijn telefoons14, waaruit de rechtbank concludeert dat verdachte degene is geweest die het Whatsapp-gesprek heeft gevoerd. De laptop wordt uiteindelijk in de schuur van getuige [getuige 2], zijnde een overbuurvrouw van verdachte, aangetroffen. Getuige [getuige 2] verklaart dat zij vrijwel zeker weet dat haar overbuurjongen de enige is die gebruik maakt van haar schuur. Het enkele feit dat deze getuige niet met zekerheid kan verklaren, maakt niet dat haar verklaring niet als steunbewijs kan dienen.

Hoewel het verdachte vrij staat om zich te beroepen op zijn zwijgrecht, geeft verdachte geen openheid van zaken en kan hij geen uitleg geven over het bewijs dat er tegen hem ligt. De rechtbank kan niet wettig en overtuigend bewezen verklaren dat verdachte degene is geweest die de laptop heeft weggenomen, maar wel dat hij deze kort na de diefstal in zijn bezit heeft gehad en dat hij weet dat deze uit een huis komt, waarna hij de laptop in de schuur van getuige [getuige 2] heeft achtergelaten. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling.

Met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de Whatsapp-berichten in de telefoon van verdachte weliswaar te denken geven, maar dat dit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om dit feit bewezen te verklaren. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

In de zaak met parketnummer 05/842176-13

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 21 tot en met 25 december 2013 is in de gemeente Ede uit woningen gelegen aan respectievelijk [adres 7],[adres 5], [adres 4], [adres 8] en [adres 9] onder meer een hoeveelheid sieraden weggenomen, toebehorende aan respectievelijk [aangever 7]15, [aangever 5]16, [aangever 4]17, [aangever 8a] en/of [aangever 8b]18 en [aangever 9]19.

Verdachte is op 27 december 2013 omstreeks 17.00 uur met anderen bij de juwelierswinkel ‘[juwelier]’ , inkoop van goud en zilver,20 te Ede geweest. Daarbij is een hoeveelheid sieraden ingeleverd.21 Deze sieraden zijn door verbalisanten in beslag genomen.22 Een aantal van deze sieraden wordt door aangevers herkend als zijnde hun eigendom en weggenomen bij de woninginbraken.23

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde woninginbraken, maar wel dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan heling zoals onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 is tenlastegelegd. Gelet op met name de beelden van de beveiligingscamera in de winkel en ook de verklaring van verdachte bij de politie dat hij de goederen van anderen heeft gekregen, moet verdachte hebben geweten dat de sieraden die hij en zijn medeverdachten hebben aangeboden bij de opkoper van misdrijf afkomstig zijn geweest, waardoor sprake is van opzetheling.

Het standpunt van de verdediging

Onder verwijzing naar jurisprudentie van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch uit 2007, LJN AZ7139, merkt de verdediging vooraleerst op dat de buitengewoon opsporingsambtenaren ten onrechte de verdachten hebben staande gehouden nu staande houding ingevolge artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering slechts plaatsvindt ter vaststelling van de identiteit van de verdachte. Uit hun verklaringen volgt echter dat de identiteit van de verdachten hun reeds ambtshalve bekend was. Vervolgens worden de verdachten door deze buitengewoon opsporingsambtenaren terug naar de juwelier gebracht en aldaar langere tijd vastgehouden. Volgens de verdediging hadden deze opsporingsambtenaren daar geen recht toe.

Daarnaast merkt de verdediging op dat, wanneer na lange tijd de hoofdagenten ter plaatse komen, tussen hen en de juwelier een gesprek ontstaat dat lijkt op een verhoor, zonder dat de juwelier de cautie is gegeven. Vervolgens ontstaat uit dat gesprek een verdenking jegens verdachte en zijn medeverdachten ter zake heling, waarna zij worden aangehouden.

Volgens de verdediging is deze aanhouding door het voorgaande onrechtmatig geweest, waardoor ook het daaruit voortvloeiende bewijs dient te worden uitgesloten en vrijspraak dient te volgen.

Voor zover de rechtbank de verdediging niet zou volgen in dit betoog, is de verdediging met de officier van justitie van mening dat hetgeen onder 1 primair en 2 primair is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft het onder 2 subsidiair tenlastegelegde leest de verdediging in de verklaring van de juwelier dat hij niet meer weet of de sieraden die van[adres 5] afkomstig zijn op 24 of op 27 december 2013 zijn ingeleverd. Ook voor het onder 3 tenlastegelegde is niet duidelijk welke sieraden op 24 of op 27 december 2013 zijn ingeleverd, terwijl onduidelijk is of verdachte ook op 24 december bij de juwelier aanwezig is geweest om sieraden in te leveren. Op grond hiervan concludeert de verdediging tot vrijspraak van de feiten 2 en 3.

De beoordeling door de rechtbank

Staande houding en aanhouding

Als meest verstrekkend verweer is gevoerd dat de buitengewoon opsporingsambtenaren ten onrechte de verdachten hebben staande gehouden en dat de hoofdagenten nadien verdachte en zijn medeverdachten op een onrechtmatige wijze hebben aangehouden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De buitengewoon opsporingsambtenaren zagen: “(…) voor mij een drietal ambtshalve bekend jongeren de juwelierswinkel ‘[juwelier]’ in lopen. Het ging om: [verdachte] (…), [medeverdachte 3](…), [medeverdachte 4](…). Ons is bekend dat deze jongeren zich bezighouden met woninginbraken. (…) Ik, verbalisant 1, had het vermoeden dat er in de juwelierswinkel ‘[juwelier]’ sieraden verkocht werden door de betrokkene 1 tot en met 3. (…) Ik, verbalisant 1, kon niet naar binnen. De deur was door middel van een sleutel aan de binnenkant afgesloten. Ik, verbalisant 1, zag dat er geld geteld werd en op de balie gelegd werd. (…) Ik, verbalisant 1, zag dat er briefjes van 50 € op de balie gelegd werden. (…) betrokkene 1 tot en met 3 naar buiten kwamen. (…) Ik, verbalisant 1, riep dat de 3 betrokkenen moesten blijven staan. (…) Wij, verbalisanten, zagen dat de drie betrokkenen wilden wegrennen. (…) Ik, verbalisant 1, heb betrokkene 2 staande kunnen na een afstand afgelegd te hebben van ongeveer 10 meter. (…) Ik, verbalisant 2, zag dat betrokkene 1 zich wilde onttrekken aan de staande houding en greep hem bij zijn jas.”24

Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat de hoofdagenten vervolgens ter plaatse zijn gekomen op verzoek van toezichthouders in verband met een controle.25

Met betrekking tot de staande houding is de rechtbank - anders dan de verdediging - van oordeel dat de verbalisanten de verdachten, juist nu de personalia van de verdachten hen reeds ambtshalve bekend waren en de verdachten wilden wegrennen toen zij werden aangesproken door de verbalisanten, letterlijk tot stilstand wilden brengen en niet wilde staande houden zoals is opgenomen in de zin van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht de werkwijze van de buitengewoon opsporingsambtenaren in zoverre dan ook niet onrechtmatig.

Vervolgens zijn verbalisanten ter plaatse gekomen. Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat verbalisanten in gesprek gaan met de opkoper [juwelier].26 Zo hier al sprake is geweest van een verhoorsituatie waarvoor de cautie had moeten zijn gegeven en waardoor sprake zou zijn van een verzuim, komt, gelet op de zogenoemde ‘Schutznorm’, aan de verdachte geen beroep toe op schending van deze rechtsnorm voor zover deze norm jegens een ander dan de verdachte is geschonden.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verbalisanten overleg hebben gehad met de officier van justitie, die heeft besloten om de opkoper te doen aanhouden en om verdachte en zijn medeverdachte te doen onderwerpen aan een bewijsfouillering. Wanneer bij de bewijsfouillering diverse bankbiljetten en een sieraad worden ontdekt, wordt opnieuw contact opgenomen met de officier van justitie die daarop besluit dat ook verdachte en zijn medeverdachte dienen te worden aangehouden.27 In al het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest. Het verweer van de verdediging wordt in zoverre dan ook verworpen.

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde bewezen te verklaren en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Heling

Voor de beoordeling van de onder 1 subsidair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heling zal de rechtbank eerst dienen vast te stellen of verdachte op zowel 24 december 2013 als op 27 december 2013 meermalen bij de juwelierswinkel ‘[juwelier]’ te Ede is geweest, hetgeen door de verdediging deels ter discussie is gesteld.

In het proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2013 ter zake het uitlezen van de beelden van de beveiligingscamera relateert verbalisant onder meer: “(…) De volgende dagen zijn door mij, verbalisant, bekeken. Dinsdag 24 december 2013 van 12.00 uur tot 17.00 uur. Vrijdag 27 december 2013 van 12.00 uur tot 17.00 uur. (…)

24 december 2013

(…) NN1 heeft een zakje met sieraden welke hij op de toonbank uitlegt. (…) De spullen die zijn bekeken door de eigenaar en die kennelijk niets waard zijn, worden door [medeverdachte 3] weer in een plastic zakje gestopt. Door de eigenaar wordt een stapeltje geld uit zijn broek gehaald en er worden diverse biljetten van dit stapeltje gehaald en aan de jongens gegeven. [medeverdachte 3] neemt het geld aan en de jongens verlaten de winkel. (…)

15.15.40 uur 27 december 2013

(…) De eerste jongen is de jongen welke ik herken als de jongen van 24 december 2013 NN1. De tweede jongen noem ik NN2. De derde jongen zal ik NN3 noemen. (…) NN1 legt een plastic zakje neer en maakt deze open. De sieraden worden op de toonbank gelegd en worden uitgezocht en bekeken. Door de eigenaar worden de sieraden bekeken en gewogen en uiteindelijk worden de sieraden die niet worden gewogen weer in een zakje gestopt door NN2. De eigenaar geeft NN2 een biljet en de jongens verlaten de winkel.

17.23.14 uur 27 december 2013

Op 27 december 2013 komen er drie personen voor de winkel die naar binnen willen. De eerste jongen herken ik als de jongen die op 24 december 2013 en eerder op de dag ook al in de winkel is geweest NN1. De tweede jongen is de mij ambtshalve bekende [medeverdachte 3]. De derde jongen herken ik als de jongen die eerder op de dag met NN1 ook al in de winkel is geweest NN2. (…).”28

Verdachte wordt vervolgens door de politie herkend als zijnde de persoon die is aangeduid als NN1, zowel op de beelden betreffende 24 december 2013 als 27 december 2013.29 Voorts heeft verdachte tegenover verbalisanten uiteindelijk toegegeven dat hij ook op 24 december 2013 met medeverdachte [medeverdachte 3] bij de juwelierswinkel is geweest.30 De rechtbank acht daarmee voldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 december 2013 en tweemaal op 27 december 2013 in de juwelierswinkel is geweest.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat, wanneer verdachte met zijn medeverdachten op 27 december 2013 sieraden bij de juwelier hebben ingeleverd, na enige tijd verbalisanten ter plaatse komen op verzoek van toezichthouders.31 Vervolgens zag verbalisant: “(…) op de plaats waar [verdachte] had gezeten (…) dat op de zitting van deze stoel in de naad van het zitvlak en de rugleuning een 8 stuks gouden sieraden verstopt zaten.”32

Bij nader onderzoek naar het leggen van relaties tussen de in beslag genomen goederen uit de juwelierswinkel [juwelier] en goederen die bij een inbraak in een woning, gelegen aan de [adres 4] te Ede, zijn weggenomen wordt het volgende vastgesteld:

De goederen bestonden onder andere uit de volgende goederen:

- Gouden speld in de vorm van een eikenblad. Deze gouden speld is aangetroffen in de zitting van de stoel in bovengenoemde juwelier (…). (…) contact opgenomen met [aangever 4a], woonachtig op de [adres 4] te Ede. (…) De gouden speld (…) werd[en] door aangever [aangever 4a] herkend als zijnde de goederen, welke weggenomen waren bij de inbraak in haar woning.”33 Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat in ieder geval de sieraden die op 27 december 2013 door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] zijn ingeleverd, afkomstig zijn geweest van diefstal uit de woning gelegen aan [adres 4] te Ede.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat verdachte al eerder op 27 december 2013 bij de juwelierswinkel is geweest en dat hij daarbij sieraden heeft ingeleverd. Wanneer verbalisanten aan de juwelier vragen of de jongens die op dat moment in de winkel aanwezig waren, de slavenarmband hebben ingeleverd, beantwoordt de juwelier de vraag bevestigend.34 Deze slavenarmband wordt vervolgens door[aangever 5a] herkend als zijnde weggenomen bij de woninginbraak van 23 december 2013.35 Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten minste dit sieraad, dat afkomstig is uit de woning aan de[adres 5] te Ede, heeft ingeleverd bij de juwelier.

Wat betreft het onder 3 tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft op de beelden van de beveiligingscamera in de winkel van de opkoper waargenomen dat verdachte en zijn medeverdachte(n) op 24 december 2013 en tot twee maal toe op 27 december 2013 een forse hoeveelheid sieraden hebben ingeleverd.36 Deze hoeveelheid sieraden overtreft in ruime mate de hoeveelheid sieraden die de aangevers [aangever 4] en [aangever 5] hebben gedaan naar aanleiding van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zijnde respectievelijk 9 stuks37 en 11 stuks38. Gelet op de onder de vaststaande feiten opgenomen aangiftes en de herkenning van de inbeslaggenomen sieraden door de aangevers, stelt de rechtbank vast dat deze sieraden van woninginbraak afkomstig zijn geweest. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat verdachte, overeenkomstig het onder feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde, goederen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen die van misdrijf afkomstig waren. Ter beoordeling is thans de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de sieraden van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Op de vraag van verbalisanten of hij dacht dat de sieraden van diefstal afkomstig waren antwoordt verdachte: “Ik dacht wel dat het niet zou kloppen” en “Ik heb het vermoeden dat de sieraden van een woninginbraak afkomstig zijn (…) omdat deze jongens zich bezig houden met woninginbraken.”39 De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte wist dat de sieraden van misdrijf afkomstig zijn geweest, zodat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

in de zaak met parketnummer 05/801737-13

hij op of omstreeks 18 november 2013 te Ede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (perceel gelegen aan de [adres 1] weg te nemen enig geldbedrag en/of enig(e) goed(eren) van verdachtes en/of van zijn mededaders gading, geheel of ten dele toebehorende aan[aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen en/of voormeld(e) goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, door met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een (draai)raam van die woning te verbreken/forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

05/801841-13

1.

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2013 tot en met 21 november

2013 te Ede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, een laptop (witte Sony Vaio), heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn

mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

genoemde laptop wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat

het een door misdrijf verkregen goed betrof;

in de zaak met parketnummer 05/842176-13

1.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december

2013 tot en met 27 december 2013,

in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen,

een gouden broche (eikenblad) en/of een gouden ketting en/of een gouden

hanger (met parel) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voornoemde (gouden) siera(a)d(en) (al dan niet

buitgemaakt bij een woninginbraak aan het [adres 4]), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 27 december 2013, althans in of omstreeks de periode van

23 december 2013 tot en met 27 december 2013,

in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, een

(gouden) horloge en/of een (of meer) gouden siera(a)d(en) en/of een (of meer)

ander(en) siera(a)d(en) en/of een trommel (met inhoud) heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goed(eren) (al dan niet

buitgemaakt bij een woninginbraak aan het[adres 5]) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 december

2013 tot en met 27 december 2013, in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, op

verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) diverse gouden

en/of zilveren siera(a)d(en) en/of een (of meer) (gouden) horloge(s) en/of een

(of meer) armband(en) (anders bedoeld als bij feit 1 en feit 2 op de

dagvaarding genoemd) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voornoemde siera(a)d(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betroffen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 05/801737-13

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

in de zaak met parketnummer 05/801841-13

Opzetheling.

in de zaak met parketnummer 05/842176-13, ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3, telkens:

Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

Door A. Soetendaal, gz-psycholoog/ gerechtelijk deskundige NRGD, is op 20 maart 2014 – in de zaken met parketnummer 05/842176-13 en 05/801841-13 – een Pro Justitia rapport uitgebracht over de persoon van de verdachte. De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van zowel een ziekelijke stoornis als een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een beginnende gedragsstoornis (matig), zwakbegaafdheid, ouder-kind relatieprobleem en acculturatieproblematiek. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Gelet op de ontkennende houding van verdachte, kan niet met zekerheid worden gesteld in welke mate de problematiek heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde.

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en neemt deze over. Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7 De motivering van de sanctie(s)

De officier van justitie heeft ter terechtzitting primair verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen of na sluiting ervan deze te heropenen, omdat zij meent dat de Raad voor de Kinderbescherming in de gelegenheid moet worden gesteld om een rapportage op te stellen over de haalbaarheid van de gedragsbeïnvloedende maatregel, zoals deze wordt geadviseerd door voornoemde psycholoog en de Raad. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 132 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat hij meewerkt aan MST en ITB Criem. Van het onvoorwaardelijke deel dient te worden afgetrokken de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting opgemerkt dat zijn cliënt geen noemenswaardig strafblad heeft en dat het enkele gegeven dat nu sprake is van een verdenking van meerdere strafbare feiten geen aanleiding geeft om direct de zware GBM-maatregel op te leggen. Zijn cliënt is de afgelopen periode goed begeleidbaar gebleken, zodat ook voor een alternatief in de vorm van een voorwaardelijke straf kan worden gekozen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich al dan niet met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak en aan opzetheling, gepleegd op diverse tijdstippen. Door zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven dat hij geen respect heeft voor de bezittingen van anderen. Verdachte moest beseffen dat de goederen die bij diefstal worden buitgemaakt zoals sieraden vaak emotionele waarde hebben voor slachtoffers die voor hen niet in waarde is uit te drukken, maar voor verdachte slechts een relatief geringe opbrengst oplevert. Verdachte is hier te gemakkelijk aan voorbijgegaan, hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

  • -

    het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte, gedateerd 7 maart 2014;

  • -

    de Pro Justitia rapportage van A. Soetendaal, gz-psycholoog/ gerechtelijk deskundige NRGD, betreffende verdachte, gedateerd 20 maart 2014;

  • -

    de briefrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 maart 2014.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie volgt dat verdachte eerder ter zake onder meer een vermogensdelict is veroordeeld.

De psycholoog concludeert in het rapport van 20 maart 2014 dat bij verdachte sprake is van een grote discrepantie tussen zijn gedrag binnenshuis en buitenshuis, waarbij hij enerzijds een aangepaste en anderzijds een onaangepaste kant laat zien. Hierdoor lukt het de ouders onvoldoende om verdachte te begrenzen en te spiegelen aan de realiteit. Voorts heeft verdachte moeite zich op school te handhaven en trekt hij toe naar een straatcultuur waarin hij zich in relatie tot antisociale vrienden stoer en imponerend gedraagt. Als bijkomende omstandigheid wordt opgemerkt dat in de thuissituatie sprake is van financiële problematiek, hetgeen een extra uitdaging vormt voor verdachte gezien zijn eerdere verwenning in onder andere materiële zin. Alles overziend wordt het recidiverisico voor vermogensdelicten als hoog ingeschat.

Ter voorkoming van recidive meent de rapporteur dat met name een intensieve interventie als MST naast de reeds in gang gezette ITB Criem noodzakelijk is. Om verdere scheefgroei van verdachte’s ontwikkeling te voorkomen, wordt geadviseerd de gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. Een stevig kader is nodig om een daadwerkelijke gedragsverandering te bewerkstelligen. Sprake is van een matig risico op gewelddadige recidive. Van belang voor de kans op recidive is het beperkte ouderlijk toezicht met name betreffende de vriendenkring van verdachte. De ouders lijken voorts (deels) onmachtig om het gedrag van verdachte adequaat te sturen/controleren vanuit de thuissituatie. Daarnaast is sprake van een verhoogde beïnvloedbaarheid. Daarbij adviseert de psycholoog MST in te zetten.

Gelet op het advies van de gedragsdeskundige heeft de Raad bij brief van 26 maart 2014 verzocht om de zaak aan te houden teneinde de Raad en de Jeugdreclassering in de gelegenheid te stellen om de haalbaarheid van de geadviseerde gedragsbeïnvloedende maatregel te onderzoeken. Ter zitting heeft de zittingsvertegenwoordigster van de Raad opgemerkt dat het advies van de gedragsdeskundige wordt gesteund, nu verdachte een stevig juridisch kader nodig heeft als waarborg voor zijn deelname aan de in te zetten trajecten.

Ter terechtzitting is namens de Jeugdreclassering aangevoerd dat het advies voor de gedragsbeïnvloedende maatregel aanvankelijk onverwacht kwam, maar dat hij nu wel begrip heeft voor het advies. Volgens de Jeugdreclassering is de begeleiding de afgelopen periode in overwegende mate goed verlopen, maar vraagt verdachte telkens om iets meer ruimte. Inmiddels wordt de vader van verdachte ook meer betrokken bij de begeleiding en dat verloopt positief. Vanuit de Jeugdreclassering is het de bedoeling dat bij oplegging eerst MST wordt uitgevoerd en daarna ITB Criem, omdat in deze volgorde het meeste effect kan worden bereikt.

Gedragsbeïnvloedende maatregel

In navolging van de adviezen van de gedragsdeskundige, de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering heeft de officier van justitie primair gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst of na sluiting wordt heropend, opdat de Raad voor de Kinderbescherming in de gelegenheid wordt gesteld de haalbaarheid van die maatregel te onderzoeken.

De raadsman van verdachte heeft zich hiertegen verzet.

De rechtbank overweegt als volgt. De wetgever heeft met de invoering van de gedragsbeïnvloedende maatregel op 1 februari 2008 beoogd een sanctie mogelijk te maken die wat betreft zwaarte past tussen de voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden enerzijds en de PIJ-maatregel anderzijds. Door deze maatregel werd het mogelijk gemaakt om een jongere buiten de gebruikelijke justitiële setting behandeling, begeleiding of training te bieden. Ingevolge artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht kan deze maatregel slechts worden opgelegd "indien de ernst van het begane misdrijf of de veelvuldigheid van de begane misdrijven of voorafgegane veroordelingen hiertoe aanleiding geven en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte". De rechtbank begrijpt hieruit dat een bijzondere aanleiding dient te zijn gelegen in de bijzondere ernst of de hoeveelheid van de strafbare feiten die de verdachte heeft gepleegd. Als die aanleiding er niet is, kan de maatregel niet worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is van die aanleiding in onderhavige zaak onvoldoende sprake. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat tot op heden nog nauwelijks sprake is geweest van hulpverlening rondom verdachte en dat de – in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis – huidige ingezette hulpverlening via de Jeugdreclassering positief verloopt, zodat ook op andere manieren de verdere ontwikkeling van verdachte positief kan worden gestuurd. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de haalbaarheid van de maatregel en daartoe de procedure aan te houden. De rechtbank zal de zaak dan ook conform de wens van de verdediging afdoen.

Strafoplegging

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de subsidiair gevoerde eis van de officier van justitie alleszins redelijk is. De rechtbank zal verdachte dan ook conform die eis veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uur. Met betrekking tot de duur van de voorlopige hechtenis is de rechtbank uitgegaan van een andere duur dan de officier van justitie, zodat de rechtbank in zoverre van de eis van de officier van justitie afwijkt. De voorwaardelijk op te leggen straf dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om hem de begeleiding te geven die naar het oordeel van de rechtbank en de deskundigen noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de voorlopige hechtenis van verdachte thans niet meer aanwezig is. De inmiddels geschorste voorlopige hechtenis zal daarom worden opgeheven.

Beslag

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verzocht om de in de zaak met parketnummer 05/801737-13 in beslag genomen goederen terug te geven aan de beslagene.

De verdediging heeft zich niet verzet tegen het verzoek van de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan de beslagene.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen

In de zaak met parketnummer 05/801841-13, feit 2

De benadeelde partij [aangever 3] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade, zijnde €390,81 aan materiële schade.

In de zaak met parketnummer 05/842176-13, feit 2

De benadeelde partij [gemachtigde] heeft namens Stichting [de stichting] overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade, zijnde € 205,63 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen nu verdachte van de tenlastegelegde woninginbraken dient te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft verzocht de benadeelden niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.

Nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte degene is geweest die de woninginbraken heeft gepleegd, waar de opgevoerde schade uit voortvloeit, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 45, 47, 77a, 77g, 77h,77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het in de zaak met parketnummer 05/801841-13 onder feit 1 primair en 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 05/842176-13 onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05/801737-13 tenlastegelegde, het in de zaak met parketnummer 05/801841-13 onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 05/842176-13 onder feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 132 (honderdtweeëndertig) dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie 84 (vierentachtig) dagen niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van 2 (twee) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de Jeugdreclassering van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland zullen worden gegeven, ook als dit zal inhouden deelnemen aan MST voor zover dit het aandeel van verdachte in deze systeemtherapie betreft, en ITB Criem, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de Jeugdreclassering van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde Hulp en Steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot het verrichten van een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat de werkstraf binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden verricht.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende jeugddetentie vast op 40 (veertig) dagen.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Heft op het -inmiddels geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

Beveelt de teruggave aan de rechthebbende van de in de zaak met parketnummer 05/801737-13 inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Telefoontoestel Kl: Zwart
BLACKBERRY BOLD

2. 1.00 STK Telefoontoestel Kl: wit
SAMSUNG

3. 1.00 PR Schoeisel Kl: blauw
CRUIJFF SPORTS

4. 2.00 STK Handschoen Kl: zwart

5 1.00 STK Muts Kl: Zwart

6. Geld Nederlands 0.00

ibn. dd: 18-11-13, 970 belgische francs

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (05/801841-13, feit 2)

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [gemachtigde] als gemachtigde van Stichting [de stichting] (05/842176-13, feit 2)

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. W. Bruins, kinderrechter, als voorzitter,

mr. C.G. Peper, kinderrechter,

mr. R.M.H. Pennings, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.W. Lambregts, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2014.

1 De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op:in de zaak met parketnummer 05/801737-13:- de feiten en omstandigheden die zijn vervat in het in wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Midden opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL074H 2013123985, gesloten op 27 november 2013, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier;in de zaak met parketnummer 05/801841-13:- de feiten en omstandigheden die zijn vervat in het in wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Midden opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL074H 2014003390z, gesloten op 8 januari 2014, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier;in de zaak met parketnummer 05/842176-13- de feiten en omstandigheden die zijn vervat in het in wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Midden opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL074H-2014019359z, gesloten op 19 februari 2014 met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1a] namens de benadeelde[aangever 1] d.d. 18 november 2013, p. 5 e.v.; het proces-verbaal van verhoor benadeelde[aangever 1] d.d. 20 november 2013, p. 8 e.v.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 18 november 2013, p. 13.

4 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 18 november 2013, p. 58, laatste alinea.

5 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 18 november 2013, p. 59, eerste alinea.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 november 2013, p. 74, 7e alinea.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2013, p. 34.

8 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 21 november 2013, p. 143 en 144.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] d.d. 18 november 2013, p. 45 e.v.

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 december 2013, p. 65 en 66.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2] d.d. 21 november 2013, p. 48.

12 Het proces-verbaal veiligstellen en/of onderzoek aan gegevensdrager(s) d.d. 28 november 2013, p. 56.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2] d.d. 17 december 2013, p. 52.

14 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlage d.d. 11 december 2013, p. 60.

15 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van [aangever 7] d.d. 23 december 2013, p. 189 e.v.

16 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van [aangever 5] d.d. 24 december 2013, p. 44 e.v.

17 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] d.d. 25 december 2013, p. 146 e.v.

18 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van[aangever 8c] mede namens [aangever 8b] d.d. 25 december 2013, p. 161 e.v.

19 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van [aangever 9] d.d. 25 december 2013, p. 177 e.v.

20 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [juwelier] d.d. 28 december 2013, p. 412 en 413.

21 Een geschrift zijnde een verklaring van de buitengewoon opsporingsambtenaren S. Saliman en M. van Dalen d.d. 27 december 2013, p. 40 e.v. en de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 april 2014 en die is ingelast ter terechtzitting van 22 april 2014.

22 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 december 2013, p. 111 en 112.

23 Het proces-verbaal van verhoor van benadeelde[aangever 5a] d.d. 28 januari 2014, p. 236 en 237; het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [aangever 4] d.d. 28 januari 2014, p. 243 en 244; het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [aangever 8a] d.d. 30 december 2013, p. 254 en 255; het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [aangever 9] d.d. 29 december 2013, p. 183; het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [aangever 7] d.d. 17 januari 2014, p. 198.

24 Een geschrift zijnde een verklaring van buitengewoon opsporingsambtenaren S. Saliman en M. van Dalen d.d. 27 dec 2013, p. 40 en 41.

25 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 27 december 2013, p. 87, op 3 na laatste alinea.

26 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 27 december 2013, p. 88, laatste alinea.

27 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 27 december 2013, p. 90, 2e en 4e alinea.

28 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2013, p. 209 en 210.

29 Het proces-verbaal van bevindingen herkenning verdachte d.d. 29 december 2013, p. 212

30 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 3 januari 2014, p. 368, midden van de pagina.

31 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 december 2013, p. 108, 3 na laatste alinea.

32 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 december 2013, p. 112; het proces-verbaal van verhoor van verdachte I. [verdachte] d.d. 2 januari 2014, p. 362.

33 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2013, p. 142.

34 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [juwelier] d.d. 16 januari 2014, p. 474.

35 Het proces-verbaal van verhoor van benadeelde[aangever 5a] d.d. 28 januari 2014, p. 236, 3 na laatste alinea.

36 De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 1 april 2014 die tevens is ingelast ter terechtzitting van 22 april 2014.

37 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van [aangever 4] d.d. 25 december 2013, p. 149 en 150.

38 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van [aangever 5] d.d. 24 december 2013, p. 46 tot en met 48.

39 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 3 januari 2014, p. 310, 10e vraag en antwoord tussen verbalisanten en verdachte.