Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2702

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
5/841198
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een Harderwijkse verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden en TBS met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/841198-1305/841198-13

Uitspraak d.d.: 25 april 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI [adres],

raadsman: mr. S.A.S. Janssen, advocaat te Veenendaal.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 oktober 2013, 22 november 2013, 29 januari 2014 en 11 april 2014.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 juli 2013, in de gemeente Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon (verdachte's moeder), genaamd [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] (krachtig) bij de keel/hals heeft vastgepakt, en/of (vervolgens) de keel/hals van genoemde [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of (enige tijd) dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 03 juli 2013, in de gemeente Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan persoon (verdachte's moeder), genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] (krachtig) bij de keel/hals heeft vastgepakt, en/of (vervolgens) de keel/hals van genoemde [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of (enige tijd) dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 03 juli 2013, in de gemeente Harderwijk, opzettelijk mishandelend zijn moeder tot wie hij in familierechtelijke betrekking stond, althans een persoon, genaamd [slachtoffer 1], (krachtig) bij de keel/hals heeft vastgepakt, en/of (vervolgens) de keel/hals van genoemde [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of (enige tijd) dichtgeknepen heeft gehouden,

en/of met de al dan niet tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(pkn. 05.841198.13)

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 juli 2013, in de gemeente Harderwijk, een persoon, genaamd [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je mij geen uitkering geeft dan ga je er aan!", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(pkn. 05.841198.13)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Aangeefster [slachtoffer 1] en verdachte, haar zoon, zijn op 3 juli 2013 voor een afspraak bij de sociale dienst te Harderwijk geweest. Verdachte zou daar de medewerkster van de sociale dienst hebben bedreigd. Tijdens de autorit terug naar huis zou verdachte zijn moeder bij de keel hebben gepakt en deze dicht hebben geknepen. Verdachte is later die dag aangehouden en bevindt zich sindsdien in voorarrest.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er vrijspraak dient te volgen voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft zijn moeder wel bij de keel vastgepakt, maar dat moet te kort geweest zijn om haar van het leven te kunnen beroven. Er is geen bewijs dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn moeder zou komen te overlijden. Bovendien is er sprake geweest van vrijwillige terugtred. Verdachte heeft het slachtoffer uit zichzelf los gelaten. Hij liep al weg op het moment dat de getuige naar de auto kwam lopen, zodat verdachte subsidiair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Van een poging tot zware mishandeling dan wel mishandeling is geen sprake geweest zodat verdachte ook vrijgesproken dient te worden van het onder 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft tegenover de politie geen verklaring willen afleggen en zich ter terechtzitting steeds beroepen op zijn zwijgrecht.

[slachtoffer 2] heeft aangifte2 gedaan. Zij heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat zij werkzaam is bij de sociale dienst te Harderwijk. Zij had verdachte uitgenodigd voor een gesprek op 3 juli 2013 over sociale activering. Verdachte kwam die dag samen met zijn moeder. Zij heeft het gesprek met verdachte gevoerd in bijzijn van zijn moeder. Verdachte zag er gespannen uit. Zij heeft hem verteld dat hij verplichtingen had en dat hij wat moest gaan doen voor een uitkering. Hij zei dat zij voor haar eigen veiligheid maar beter niet kon weten wat hij dagelijks deed. Kort daarop zei verdachte dat hij niets ging doen voor zijn uitkering. Zij heeft toen verteld dat zij dan klaar waren met het gesprek. Verdachte liep naar de deur, draaide zich om en keek haar aan. Terwijl hij haar doordringend aankeek zei hij ”Als je mij geen uitkering geeft dan ga je eraan”. Zij maakte uit deze bedreiging op dat verdachte haar dood wilde maken. Zij kreeg kippenvel van de bedreiging. Op 4 juli 2013 belde verdachtes moeder. Zij vertelde dat zij op de terugweg van het gesprek gewurgd was door verdachte. Aangeefster dacht toen: waar hij mij gisteren mee bedreigd heeft is hij dus wel toe in staat. Zij schrok daar van.

[slachtoffer 1] heeft aangifte3 gedaan. Zij heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat verdachte op 3 juli 2013 heeft geprobeerd haar van het leven te beroven. Dat is niet voltooid omdat zij hulp kreeg van een getuige. Het ging sinds een jaar al niet goed met verdachte. Hij had waanbeelden en was psychotisch. Hij zei dat de “satellieten” voor hem zorgden en dat deze zeiden dat zij dood moest. Zij heeft een aantal keren sms-jes van verdachte gehad. In die sms-jes stonden naast verwarde denkbeelden ook doodsbedreigingen. Als zij niet aan zijn verwachtingen voldeed kreeg zij een sms van hem. Daarin stond onder andere “Ik wil dat je dood gaat, dat ik je langzaam zal leiden naar de dood”. Zij heeft deze sms-jes gedeeld met de crisisdienst en daarover een gesprek gehad met de politie (zie mutatie d.d. 4-3-2013, zoals ter zitting aan het dossier toegevoegd). Er is geprobeerd verdachte via een rechterlijke machtiging op te laten nemen. Zij was toen al bang dat het verkeerd zou gaan. Op 3 juli 2013 is zij met verdachte naar een afspraak bij de sociale dienst gegaan. Tijdens dat gesprek heeft verdachte mevrouw [slachtoffer 2], zorgcoach van de sociale dienst, bedreigd met de dood. Zijzelf voelde zich toen al niet goed bij het gedrag van haar zoon. Er was een verandering in zijn gedrag. Hij hapte naar adem en begon te trillen. Zij zag dat verdachte woede aan het opkweken was en dat zijn pupillen groter werden. Hij kwam zeer dreigend over. Hoewel het niet goed voelde heeft zij verdachte meegenomen in haar auto. Zij reed en verdachte zat naast haar. In de auto begon hij haar te bedreigen. Hij zei: “Kankerhoer, jij moet langzaam en tergend dood, de satalieten hebben dat voorspeld”. Hij bleef dat herhalen en bleef schreeuwen tegen haar. Zij voelde een enorme angst en voelde dat dit het einde was. Zij was doodsbang voor hem. De dingen die hij zei over dood maken geloofde zij. Het kwam ongelooflijk realistisch over. Verdachte maakte zich groot en had enorme pupillen. Hij kwam als een beest op haar over. Verdachte kwam naar voren in de stoel en begon zich op haar te richten. Zij heeft afgeremd omdat zij dacht dat verdachte haar echt zou gaan vermoorden. De auto stond stil op de weg en zij zakte onderuit in de stoel. Zij liet zich wegglijden zodat verdachte haar niet kon pakken en gooide de bestuurdersdeur open. Zij heeft gezien dat verdachte met beide handen naar haar nek ging. Hij greep eerst een keer mis. Zij kreeg haar linkerbeen uit de auto. Op dat moment had verdachte met beide handen haar keel vast en kneep hij haar keel dicht. Verdachte had op dat moment grote pupillen. Hij leek wel een beest. Zij heeft zich uit de auto laten glijden, de straat op. Verdachte kneep op dat moment met kracht haar luchtpijp dicht. Hij zei: “jij moet dood, kuthoer”. Hij zette vervolgens zijn knie op haar borst en liet niet meer los. Zij dacht dat zij op dat moment dood zou gaan, dat hij haar zou doden. Zij weet voor 100 procent dat hij dat zou hebben gedaan als de getuige niet had geholpen. Op het moment dat zij dacht dood te gaan, is zij voor een korte tijd knock-out gegaan, zij denkt voor een paar seconden. Zij zag toen alles zwart voor haar ogen. Toen zij de ogen open deed zag zij verdachte weglopen. Zij was verbaasd dat zij nog leefde. Er stond een vrouw naast haar.

[slachtoffer 1] is door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, als getuige4 gehoord. Zij heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat verdachte op 3 juli 2013 door het lint ging omdat zijn uitkering dreigde stopgezet te worden. Zij weet nog dat verdachte totaal in paniek was en dat zijn pupillen groot waren. Zij heeft de auto tot stilstand gebracht omdat zij wel aan voelde komen dat het serieus werd, dat zij hem niet kon stoppen en dat er iets met hem aan de hand was. Toen kwam de explosie. Hij zat naast haar met druppels van het zweet op zijn voorhoofd en keek haar in totale paniek met grote ogen aan. Toen zij zijn gezicht zag dacht zij ”hier kom ik niet meer doorheen”. Verdachte had zijn been op haar, vlak onder de ribben, waardoor zij klem zat. Hij pakte haar bij de keel, terwijl zij hem riep dat niet te doen en zich probeerde los te maken. Op dat moment werd de druk zo groot. Zij kreeg het benauwd, kon de deur nog opendoen en heeft haar been naar buiten gestoken. Toen werd het even zwart. Zij had nog nooit zoveel kracht bij hem gezien. Zij heeft niet bewust meegemaakt dat hij haar losliet en kan niet inschatten hoe lang hij haar heeft vastgehouden. Zij kan zich herinneren dat verdachte in de auto zei dat zij langzaam dood moest gaan. Die woorden had hij vaker gebruikt, bijvoorbeeld in smsjes.

De getuige heeft haar geholpen. Zij zag die getuige voor het eerst toen de getuige uit haar auto naar haar (aangever) toekwam. De getuige zei: “Ik zag hem bovenop u liggen en ik heb geschreeuwd ga eraf”.

[getuige] is als getuige5 gehoord. Zij heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat zij op 3 juli 2013 in Harderwijk reed. Voor haar reed een blauwe Volkswagen Passat. Het voertuig stopte midden op de weg. De bijrijder stapte uit, liet het portier open staan en draaide zich direct weer om. Hij ging in de auto zitten met de knieën op de stoel. Hij ging met het hoofd op en neer. Zij zag dat zijn beide armen gestrekt richting de nek van de bestuurster waren en dat die ook heen en weer gingen. Zij dacht op dat moment dat de man de bijrijdster in elkaar sloeg. De bestuurdersdeur ging open. Zij zag er twee benen uit komen, dat deze uit de auto hingen en langzaam heen en weer bewogen. Het leek er op dat de bestuurster knock out was geslagen en buiten bewustzijn raakte. Zij is er heen gelopen. Op dat moment ging de bijrijder er vandoor. De bestuurster kwam overstuur naar haar toelopen en vroeg of zij de politie wilde bellen. De bestuurster was verward en overstuur, had een rode nek en snakte naar adem. Zij was bang dat de bestuurster alsnog bewusteloos zou raken. Zij begreep van de bestuurster dat het om haar zoon ging. Hij liep hard weg.

De rechtbank acht op grond van de voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 3 juli 2013 met zijn beide handen met kracht de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of dit handelen, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd, gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag dan wel als een poging tot zware mishandeling of (eenvoudige) mishandeling.

In het geval van een poging tot doodslag is voorwaardelijk opzet op de dood aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard. Hierbij dient te worden opgemerkt dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het ‒ behoudens contra‑indicaties ‒ niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg willens en wetens heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte al vreemd deed en kwaad was voordat hij bij aangeefster in de auto stapte. Tijdens de autorit begon hij haar te bedreigen en heeft hij een aantal keren tegen haar gezegd of geschreeuwd “Kankerhoer, jij moet langzaam en tergend dood”. De satellieten hadden dat voorspeld, aldus verdachte. Hij had op dat moment zweet op zijn voorhoofd en hij had grote pupillen. Verdachte heeft zich in aangeefsters richting gedraaid en heeft, terwijl aangeefster onderuitgezakt op een autostoel zat, met zijn beide handen met kracht de keel van aangeefster dichtgeknepen. Hij zette op dat moment aangeefster klem door zijn knie met kracht op haar lichaam te zetten, net onder haar ribben. De druk op de keel werd zo groot dat aangeefster het benauwd kreeg en dat het vervolgens zwart werd voor haar ogen. Verdachte is opgehouden op het moment dat getuige [getuige] naar de auto kwam en schreeuwde dat hij op moest houden.

De gedragingen van verdachte kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als gericht te zijn geweest op de dood van aangeefster, zodat het niet anders kan dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Anders dan door de raadsman bepleit, kan de rechtbank uit de bovenomschreven gang van zaken niet afleiden dat vrijwillig terugtred aan de orde was. Er was reeds sprake van een begin van uitvoering die niet anders kan worden beschouwd als te zijn gericht op het doden van aangeefster. Verdachte is eerst met zijn handelingen gestopt toen de getuige [getuige] op de auto van aangeefster af kwam lopen en daarbij riep dat verdachte van aangeefster af moest gaan. Er is geen begin van aannemelijkheid dat verdachte uit eigen beweging de keel van aangeefster heeft losgelaten. Om te beginnen rept hij er zelf niet over. Voorts kan aangeefster over deze fase van de gebeurtenissen niets zeggen, omdat zij toen even buiten bewustzijn was. En de verklaring van de getuige [getuige] roept het beeld op dat verdachte door het toelopen op de auto van aangeefster (een van buiten komende omstandigheid) stopte met zijn handelen. De verklaring van getuige [getuige] dat verdachte “er vandoor ging” wijst er meer op dat hij - op heterdaad betrapt - zo snel mogelijk de plaats van het delict wilde verlaten, dan dat hij tot inkeer gekomen was. De rechtbank verwerpt het verweer. Zij acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht ook het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 3 juli 2013, in de gemeente Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon (verdachte's moeder), genaamd [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] krachtig bij de keel/hals heeft vastgepakt, en vervolgens de keel/hals van genoemde [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 3 juli 2013, in de gemeente Harderwijk, een persoon, genaamd [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je mij geen uitkering geeft dan ga je er aan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1.

poging tot doodslag;

2.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte en oplegging van straf en/of maatregel

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte en de oplegging van straf en/of maatregel overweegt de rechtbank het volgende.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot:

  • -

    18 maanden gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Voor het geval de rechtbank niet zal overgaan tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ter toelichting op zijn eis heeft de officier van justitie aangevoerd dat, hoewel de verdachte geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan een multidisciplinair rapport, in het strafdossier voldoende aanwijzingen zijn voor de rechtbank om zelf vast te stellen dat er bij verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten een geestelijke stoornis bestond, zodat de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd kan worden.

De raadsman heeft, naast de bepleite vrijspraak danwel ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en referte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, aangevoerd dat de eis van de officier van justitie veel te hoog is. Hij heeft daarbij verwezen naar uitspraken die naar zijn mening enigszins vergelijkbaar zijn.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er niet door een medisch deskundige is vastgesteld dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is niet mogelijk, aldus de raadsman.

De rechtbank heeft met betrekking tot de op te leggen straf en/of maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in eerste instantie schuldig gemaakt aan een bedreiging van een medewerkster van de afdeling sociale dienst, omdat zij hem wees op zijn verplichtingen voor behoud van zijn uitkering. Verdachte is vervolgens met zijn moeder huiswaarts gereden en heeft meerdere keren tegen haar gezegd dat zij langzaam en tergend dood moest. Zij heeft de auto tot stilstand gebracht, waarna verdachte de daad bij het woord voegde en ook daadwerkelijk heeft geprobeerd zijn moeder te wurgen. Door alert reageren van een medeweggebruiker heeft verdachte zijn moeder uiteindelijk losgelaten en is hij gevlucht. Het gebeurde is voor het slachtoffer een zeer angstige situatie geweest. De gevolgen ervan hadden voor haar evengoed fataal kunnen zijn.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de op te leggen straf en maatregel het volgende.

Verdachte heeft in alle toonaarden gedurende het onderzoek gezwegen en geweigerd zijn medewerking te verlenen aan onderzoek door gedragskundigen. Voor beantwoording van de vraag of er bij verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten al dan niet een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond, acht de rechtbank het volgende van belang

- Het trajectconsult:

Over verdachte is een rapport van trajectconsult, gedateerd 7 november 2013, opgemaakt door [psychiater 1], psychiater van de NIFP. Hieruit blijkt dat verdachte heeft geweigerd aan het psychiatrisch onderzoek mee te werken. Door die weigering kon door de psychiater geen duidelijke uitspraak worden gedaan over een eventuele actuele aanwezigheid van een psychiatrische stoornis. Na lezing van de ten behoeve van het trajectconsult verstrekte stukken kon door de psychiater echter niet worden uitgesloten dat er wellicht sprake is van een al langer bestaande paranoid gekleurde belevingswereld, van waaruit verdachte bijvoorbeeld ook niet zou kunnen/willen meewerken. Een opname en observatie zou het meest aangewezen zijn voor verheldering van diagnostiek en nadere advisering, aldus de psychiater.

- Observatie

De rechtbank heeft op 22 november 2013 bevolen dat verdachte ter observatie zou worden opgenomen in het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Over de observatie van verdachte is een multidisciplinair rapport opgemaakt, gedateerd 4 april 2014, door [psycholoog] psycholoog, en [psychiater 2], psychiater, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Uit het rapport blijkt dat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek en dat hij het grootste deel van de observatieperiode in zijn cel heeft doorgebracht. Er zijn slechts beperkte groepsobservaties gedaan.

De conclusie van het rapport is dat het niet mogelijk is op basis van de observaties betrouwbare uitspraken te doen over de aanwezigheid van psychische klachten of status van forensisch relevante psychische functies, zoals de impulscontrole, agressieregulatie, gewetensontwikkeling en het vermogen tot empathie. Of er bij verdachte sprake is van een weigering op pathologische gronden kan bevestigd noch uitgesloten worden.

Vanuit het milieuonderzoek dat heeft plaatsgevonden zijn aanwijzingen naar voren gekomen voor een psychotische stoornis, alsmede voor (antisociale, narcistische en borderline) persoonlijkheidsproblematiek en middelengebruik (cannabis en alcohol), dan wel afhankelijkheid. De moeder van verdachte heeft aan de rapporteurs verteld dat het in januari 2013 niet goed ging met verdachte. Hij kwam zelden buiten, blowde veel en dronk dagelijks veel alcohol. Zij had daarom contact gezocht met de crisisdienst, die verdachte bezocht.

Het was opvallend dat het uit het milieuonderzoek gebleken gedrag van terugtrekken, omdraaien van het dag- en nachtritme, slechte verzorging en waandenkbeelden ook op de afdeling door verdachte werd vertoond. Vanuit de groepsobservatie is gebleken dat verdachte veelal op zijn cel verbleef. De groepsleiding heeft verdachte regelmatig zien en horen lachen, ook als hij alleen in zijn cel was. Hij heeft niet willen vertellen waarom hij moest lachen. Ten overstaan van de groepsleiding heeft verdachte psychotisch aandoende uitspraken gedaan. Zo heeft hij verteld dat hij in zijn cel aan het “werk” was, waarbij hij niet gestoord wilde worden. Hij wilde daar desgevraagd geen uitleg over geven, maar beweerde ook te werken voor onder andere DaCia. Da was Russisch voor “ja” CIA is de Amerikaanse inlichtingendienst. In de cel is echter niets aangetroffen wat op werk zou kunnen duiden. Tijdens de korte contactmomenten stelde verdachte zich onvriendelijk en afwerend op tegen de onderzoeker en bij doorvragen vertoonde hij tekenen van snel en hevig oplopende spanning, waardoor het gesprek van de zijde van de onderzoeker werd afgebroken.

- Mutatierapport6

Uit het over verdachte opgemaakte mutatierapport blijkt dat een medewerker van de crisisdienst van GGZ in januari 2013 contact met verdachte heeft gehad, dat verdachte psychisch niet in orde zou zijn en dat GGZ bezig was een diagnose bij verdachte te stellen om de juiste zorg in te kunnen schakelen.

Ook in het opgemaakte proces-verbaal7 zijn aanwijzingen te putten over de psychische gesteldheid van verdachte voorafgaand aan en tijdens het plegen van de bewezen verklaarde feiten.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft op 3 juli 2013 verklaard8 dat het toen al sinds een jaar slecht ging met verdachte en dat hij waanbeelden had en psychotisch was. Verdachte dacht dat hij deel was van de [naam 1]. Hij vertelde dat hij een dodenlijst had en dat hij mensen op die lijst zou moeten doden voor de [naam 1]. Hij had een missie om mensen te doden. Ook heeft hij haar sms-jes gestuurd waarin hij het vaker over “satalieten” had. Die zeiden tegen verdachte dat zij dood moest. Ook stuurde hij haar sms-jes met daarin onder meer: “Ik wil dat je dood gaat, dat ik langzaam zal leiden naar de dood”. Er is toen geprobeerd verdachte op te laten nemen via een rechterlijke machtiging. Toen zij op 3 juli 2013 na het bezoek aan de sociale dienst in de auto stapten zag zij verandering in verdachtes gedrag. Hij hapte naar adem en was aan het trillen. Hij was woede aan het opkweken. In de auto heeft hij tegen haar gezegd: “Kankerhoer, jij moet langzaam en tergend dood, de satalieten hebben dat voorspeld”. Hij bleef dat herhalen en bleef schreeuwen tegen haar. Verdachte maakte zich groot en had enorme pupillen.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft aan de politie foto’s overgelegd van sms-berichten die door verdachte aan haar zijn gestuurd. Deze berichten hebben onsamenhangende teksten, namelijk:

Tekst eerste smsbericht:

“Verrader je weet niets van respect af je gaat alles terug krijgen stemmen geluiden en je co relatie denken spreken etc daarom zijn we de hel voor jullie schuldige aan het maken zodat iedereen jullie kan aanraken je gaat t allemaal ervaren ze staan allemaal in me zelfmoord en moord systeem en [naam 2] heeft ze vader of weeshuis en aan hij

was ook niet zo aardig net als jij dus hier komen jullie nooit meer uit wij waren al klaar voor t begon ik ben de bovenwereld en onder wereld over de hele wereld god en de duivel t alziend oog van illuminatie mijn machine mijn sateliten tv internet regeringen maffia organisaties wij zoeken alleen verraders en dat is iedereen die erin staat ze worden allemaal opgenomen en

in de gaten gehouden wie teveel hoort en weet tja je weet hoe geheime diensten als da fsb mossad etc en hoe de r9 is en maffias zijn wij allang1”

Tekst tweede sms bericht:

“We maken iedereen af die uit is op macht en geld etc attaturken grijze wolfjes hebollah al caida etc maar ook snotjochies kut marrokaantjes uh buren etc iedereen die ik continu heb gehoord en nu nog een paar grote zuiveringen alle rotte appels eruit meeste is al gedaan

alleen hier nog en ga jezelf maar na wat je allemaal gelogen heb doorgeven heb uit proberen te spelen etc we weten alles ze hebben allemaal je waarschuwing gehad in t begin en de regels en toch spelletjes spelen dan gaan we spelen toch vrij wil jullie keuze t is een vredemachine voor degene die vrede willen maar die zijn er allang uit en spelen aleen ff mee als ze mij zien en een oorlogsmachine voor degene die oorlog zoeken niemand staat boven mij en [betrokkene] en de fam[familienaam verdachte] en we worden zwaar beveiligd”

De rechtbank vindt het opmerkelijk dat in deze sms-berichten onder andere de woorden “geheime diensten als da” en “sateliten” staan vermeld, woorden die de verdachte ook tijdens de observatie in het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht heeft gebruikt.

[slachtoffer 2] heeft verklaard9 dat zij verdachte vragen stelde om een beeld te krijgen van zijn huidige situatie. Op de vraag wat hij dagelijks deed gaf hij als antwoord: “Dit is niet noemenswaardig en voor je eigen veiligheid beter dat jij dat niet weet”. Zij wist niet wat zij met dat antwoord aan moest.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, verklaard10 dat verdachte op 3 juli 2013 door het lint ging omdat zijn uitkering dreigde stopgezet te worden. Zij weet nog dat verdachte totaal in paniek was, dat zijn pupillen groot waren en dat er iets met hem aan de hand was. Hij zat naast haar met druppels van het zweet op zijn voorhoofd en keek haar in totale paniek met grote ogen aan.

Verdachte zei in de auto dat zij langzaam dood moest gaan. Die woorden had hij vaker gebruikt, bijvoorbeeld in smsjes.

Indien een verdachte, zoals in dit geval, zijn (volledige) medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van een terbeschikkingstelling de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37 lid 2 Sr.

Maar nog steeds blijft vereist, dat wordt vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder die vaststelling is oplegging van TBS niet mogelijk.

Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt, om die vaststelling te doen. De rechter zal zich daarbij in zeer sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen, maar als de gedragsdeskundigen aan de grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap nog kunnen verantwoorden, zal de rechter zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen voor zover de wet hem daartoe de ruimte geeft.

De wet noch de jurisprudentie vereist dat de stoornis wordt geclassificeerd volgens het handboek DSM-IV en dat deze dient te worden vastgesteld door een gedragsdeskundige.

Dit betekent dat in het uiterste geval de rechter, uiteraard slechts met grote behoedzaamheid, tot de vaststelling van een stoornis kan komen, ook al kunnen de gedragsdeskundigen op basis van de voor hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen niet tot die conclusie komen.

Voor zijn beslissing dient de rechter dan wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen zo mogelijk wél hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte.

De rechtbank constateert uit de hiervoor besproken stukken dat er bij verdachte in januari 2013 al sprake was van een reeds langer bestaand aanzienlijk verval van zijn levensloop en van een zorgelijke ontwikkeling met betrekking tot de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Er is toen getracht om verdachte passende zorg te bieden, maar hij heeft daar op geen enkele wijze zijn medewerking aan willen verlenen.

Dit alles maakt het voor het rechtbank in voldoende mate aannemelijk dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, waardoor de verdachte ten minste in enige mate als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank is gelet op de aard en de ernst van de feiten en vanuit veiligheidsoogpunt van oordeel dat het onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De rechtbank zal daarom de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu de bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn die een gevaar opleveren voor of een krenking zijn van de lichamelijke integriteit van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Die verminderde toerekeningsvatbaarheid betekent, dat de strafbaarheid van verdachte niet (geheel) is uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat daarom naast de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat ook de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 37, 37a, 37b, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1.

poging tot doodslag;

2.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door mr. Prisse, voorzitter, mr. Bijl en mr. O.E. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

25 april 2014.

Mr. De Jong is buiten staat mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, opgenomen bij proces-verbaal van voorgeleiding, nummer 2013089668 Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 7 juli 2013 en het (dossier) proces-verbaal eveneens genummerd 2013089668, gesloten en ondertekend op 30 juli 2013.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], genummerd PL0612 2013088378-1 d.d. 4 juli 2013

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], genummerd PL0612 2013088082-1 d.d. 3 juli 2013

4 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, d.d. 18 november 2013

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], genummerd PL0612 2013088082-5 d.d. 3 juli 2013

6 Mutatierapport van Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, genummerd PL0612 2103003404-1 d.d. 4 maart 2013

7 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, opgenomen bij proces-verbaal van voorgeleiding, nummer 2013089668 Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 7 juli 2013 en het (dossier) proces-verbaal eveneens genummerd 2013089668, gesloten en ondertekend op 30 juli 2013.

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], genummerd PL0612 2013088082-1 d.d. 3 juli 2013

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], genummerd PL0612 2013088378-1 d.d. 4 juli 2013

10 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, d.d. 18 november 2013