Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2696

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
05/900807-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting van een vennootschap voor pensioen- en levensverzekeringsverzekeringen door een werknemer van die vennootschap en een mededader, leidt tot een werkstraf voor de duur van 240 uur met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/900807-08

Datum zitting : 6 februari 2014, 10 april 2014

Datum uitspraak : 24 april 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juli 2000 tot

en met 12 april 2007 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1]

[benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk geldbedrag verdachte en/of zijn mededader (telkens) uit hoofde van diens persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker Pensioenadministratie

(relatiebeheerder en/of pensioenbeheerder) en/of als offertemedewerker bij de afdeling Acceptatie&Offerte van [benadeelde 1], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2000 tot

en met 12 april 2007, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1]

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de

afgifte van een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), hierin bestaande dat verdachte tezamen met verdachtes mededader (werkzaam bij [benadeelde 1] als "relatiebeheerder" van de klanten "[benadeelde 2]", "[benadeelde 3]" en/of "[benadeelde 4]"), althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens)

opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, - bij de [naam bank] zakelijke girorekeningen heeft geopend op naam van (fictieve) bedrijven (eenmanszaken) te Spankeren, te weten "[benadeelde 2]", "[benadeelde 3]" en/of "[benadeelde 4]", welke tenaamstellingen overeenkwamen of (sterk) geleken op de naam van de echte klanten van [benadeelde 1], en/of - het bankrekeningnummer van die klanten in de administratie van [benadeelde 1]

[benadeelde 1] heeft veranderd in het rekeningnummer van die door hem/hen

geopende zakelijke girorekeningen, en/of - in de administratie van [benadeelde 1] aanspraken op pensioenen van deelnemers van die klanten heeft afgeboekt (waardoor afkoopsommen vrijkwamen), en/of - overboekingsopdrachten heeft gemaakt/opgesteld voor de financiële afdeling van [benadeelde 1] om over te gaan tot uitbetaling van die afgeboekte pensioengelden aan de klanten, en/of - overboekingsopdrachten heeft gemaakt/opgesteld voor de financiële afdeling van [benadeelde 1] om over te gaan tot uitbetaling van rentekortingen (overrente) aan die klanten, waardoor [benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juli 2000 tot

en met 12 april 2007, te Spankeren, gemeente Rheden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, althans (telkens) van een voorwerp, te weten een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 10 april 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is ter terechtzitting verschenen de heer [namens bp 1], bijgestaan door mr. H. Jahae.

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Feit 1, primair:

Het openbaar ministerie dient niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vervolging ten aanzien van het primair onder 1 tenlastegelegde feit. De raadsman stelt daartoe dat de verjaringstermijn van verduistering zes jaren bedraagt. Ten laste is gelegd een pleegperiode eindigend op 12 april 2007. Nu de dagvaarding op 24 december 2013 is uitgebracht, is het recht tot strafvordering door verjaring vervallen.

Subsidiair merkt de raadsman op dat indien wordt uitgegaan van een eerdere stuiting, het feit op grond van artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht na twaalf jaren is verjaard. In dat geval is het recht tot strafvordering ten aanzien van de feiten gepleegd voor 10 april 2002 door verjaring vervallen.

Feit 1, subsidiair:

Het openbaar ministerie dient voorts niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vervolging ten aanzien van het subsidiair onder 1 tenlastegelegde feit, voor zover dat ziet op feiten gepleegd voor 24 december 2001. De raadsman stelt daartoe dat de verjaringstermijn van oplichting twaalf jaren bedraagt en de dagvaarding is uitgebracht op 24 december 2013.

Feit 2:

Ook dient het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit, voor zover dat ziet op feiten gepleegd voor 24 december 2001, niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar strafvervolging. De raadsman merkt in dat kader op dat de verjaringstermijn van witwassen 12 jaren bedraagt en dat de dagvaarding op 24 december 2013 is uitgebracht.

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1, primair en subsidiair en Feit 2:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel degelijk ontvankelijk is in de vervolging. Verduistering in dienstbetrekking, oplichting en witwassen kennen ieder een verjaringstermijn van twaalf jaren. De verjaring is op 7 februari 2011 gestuit nu op die dag, na een door de officier van justitie gedane vordering ex artikel 110 van het Wetboek van Strafvordering, de woning van medeverdachte [medeverdachte] door de rechter-commissaris is doorzocht. Volgens de officier is dit een daad van vervolging en hij wijst in dat kader naar een uitspraak van de Hoge Raad, waarin dit standpunt wordt bevestigd.1 De officier van justitie is van mening dat deze daad van vervolging op grond van artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, ook de verjaring terzake het aan verdachte tenlastegelegde stuit, nu uit artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat elke daad van vervolging, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde, de verjaring stuit. Ook in dit kader wijst de officier van justitie op een uitspraak van de Hoge Raad, waarin dit standpunt wordt bevestigd.2
Subsidiair stelt de officier van justitie dat de dagvaarding op 23 januari 2014 in persoon aan verdachte betekend is en dat om die reden feiten die zijn gepleegd voor 23 januari 2002 zijn verjaard.

De beoordeling van de rechtbank

Feit 1, primair en subsidiair en Feit 2:

De raadsman is bij het bepalen van de verjaringstermijn uitgegaan van verduistering, strafbaar gesteld in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. Op dat delict staat een maximale gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Dat maakt dat de verjaringstermijn op grond van artikel 70, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht zes jaren bedraagt.

Kijkend naar hetgeen primair onder 1 ten laste is gelegd, gaat de rechtbank echter uit van verduistering in dienstbetrekking gepleegd, strafbaar gesteld in artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 70, eerste lid, onder 3 van het Wetboek van Strafrecht bedraagt de verjaringstermijn dan twaalf jaren. Ditzelfde geldt voor oplichting, subsidiair onder 1 tenlastegelegd en witwassen, onder 2 tenlastegelegd.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de officier van justitie primair terecht en op juiste gronden heeft betoogd waarom hij wel ontvankelijk in zijn vervolging moet worden geacht.

De verweren van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring treffen naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen doel. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, acht de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de onder 1 (primair en subsidiair) en 2 tenlastegelegde feiten.

3. De beslissing inzake het bewijs3

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Medeverachte [medeverdachte] was gedurende de periode 7 juli 2000 tot en met 12 april 2007 werkzaam bij [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) in Apeldoorn. De bedrijven ‘Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij’ (hierna: [benadeelde 2].), ‘[benadeelde 3].’ (hierna: [benadeelde 3]) en ‘[benadeelde 4]’ (hierna: [benadeelde 4]), hadden contracten bij [benadeelde 1].4 [medeverdachte] heeft gedurende deze periode verdachte verzocht om bij de [naam bank] girorekeningen te openen op naam van niet bestaande bedrijven met de namen ‘[benadeelde 2]’, ‘[benadeelde 3]’ en ‘[benadeelde 4]’. Deze namen kwamen sterk overeen met de namen van echte klanten bij [benadeelde 1]. Verdachte heeft de bankrekeningen ook daadwerkelijk geopend.5 [medeverdachte] heeft de bankrekeningnummers van de echte klanten van [benadeelde 1] in het computersysteem van [benadeelde 1] veranderd in de bankrekeningnummers, horende bij de (mede) door hem bij de [naam bank] geopende rekeningen.6 Vervolgens heeft hij in de administratie van [benadeelde 1] aanspraken op pensioenen van deelnemers van de echte klanten afgeboekt, waardoor afkoopsommen vrij kwamen en heeft hij overrente en pensioengelden op de hem ingevoerde rekeningnummers laten uitkeren. Om de overrente en pensioengelden door de financiële afdeling uit te laten keren, deed [medeverdachte] aan die afdeling daartoe een verzoek, middels door hem opgestelde handvaststellingen.7 Door [benadeelde 1] werden geldbedragen overgeboekt op de door verdachte geopende rekeningen bij de [naam bank].8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 tenlastegelegde feit. De officier van justitie wijst in dit verband op de overgeboekte bedragen, de verklaring van verdachte tegenover de politie, waarin hij bekent dat hij wist dat het fout geld betrof en ook de bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte] tegenover de politie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het primair onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe gesteld dat medeverdachte [medeverdachte] de gelden niet anders dan door misdrijf onder zich had, nu hij pas door gebruik van frauduleuze documenten in de gelegenheid was om overboekingen te doen, hetgeen eigenlijk aan andere medewerkers van [benadeelde 1] was voorbehouden. Voorts merkt de raadsman op dat medeverdachte [medeverdachte] de gelden überhaupt niet onder zich had, nu de gelden aan [benadeelde 1] waren toevertrouwd. [benadeelde 1] had de gelden dus onder zich. Nu [medeverdachte] zich niet schuldig heeft gemaakt aan verduistering, kan er van medeplegen daarvan ook geen sprake zijn.
De raadsman stelt vervolgens dat voor medeplegen van verduistering is vereist dat beide verdachten de goederen anders dan door misdrijf onder zich hebben. Nu zijn cliënt wist dat de gelden afkomstig waren van [benadeelde 1] en hij zelf rekeningen op naam van fictieve handelsnamen heeft geopend, kan daarvan geen sprake zijn. Zijn cliënt heeft de gelden zich niet wederrechtelijk toegeëigend. Hij heeft bepaalde geldsommen wel gepind, maar heeft deze meteen afgegeven aan medeverdachte [medeverdachte]. Dat zijn cliënt daarvoor een beloning kreeg, doet daar volgens de raadsman niet aan af. Zijn cliënt heeft niet als heer en meester over de gelden beschikt.

Ook ten aanzien van het subsidiair onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij stelt daartoe dat zijn cliënt zich, met uitzondering van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd, niet schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen. Het feit dat zijn cliënt bankrekeningen op namen van fictieve bedrijven, gelijkend aan namen van bestaande bedrijven, heeft geopend is niet te kwalificeren als een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Voorts is [benadeelde 1], al zou er sprake zijn van een oplichtingsmiddel, daardoor niet bewogen zijn door afgifte van de geldbedragen. Het is juist medeverdachte [medeverdachte] en niet [benadeelde 1] die de betalingen heeft geeffectueerd. Ook indien de rekeningen niet op naam van de klanten van [benadeelde 1] zouden zijn gesteld, zouden de betalingen alsnog door toedoen van medeverdachte [medeverdachte] zijn gedaan. Er is daarom geen causaal verband.

De beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde

De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu niet kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte] de geldbedragen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij [benadeelde 1] daadwerkelijk onder zich had. Voor het ‘onder zich hebben’ van een goed is een zekere mate van beschikkingsmacht vereist. Teneinde de geldbedragen over te laten boeken naar de door hem en verdachte geopende rekeningen, moest [medeverdachte] daartoe eerst via een handvaststelling een verzoek doen aan de financiële afdeling. De handvaststelling werd gecontroleerd door een collega, waarna deze ter fiattering naar een leidinggevende ging. Na akkoord van de leidinggevende, werd de handvaststelling doorgestuurd naar de financiële administratie, waar de handvaststelling nogmaals gecontroleerd en uiteindelijk uitbetaald werd.9 Medeverdachte [medeverdachte] kon zonder deze tussenstappen geen geldbedragen overmaken en had naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet een zodanige beschikkingsmacht dat er sprake was van het ‘onder zich hebben’ van de diverse geldbedragen. Overigens is de rechtbank ook van oordeel dat, indien er vanuit zou worden gegaan dat [medeverdachte] de gelden wel uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, er geen sprake is van ‘anders dan door een misdrijf’ onder zich hebben van de geldbedragen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [medeverdachte] is door middel van het vervalsen van documenten en het aanpassen van een e-mail (hetgeen valsheid in geschrift oplevert) in de positie gekomen om mutaties te kunnen (laten) verrichten die horen bij de functie van een relatiebeheerder. Dit waren geen handeling die bij Haanappels eigenlijke functie bij [benadeelde 1] hoorden. [medeverdachte] beschikte ten onrechte over deze bevoegdheid.10 Bij een normale gang van zaken was hij niet in de gelegenheid geweest om overboekingen te bewerkstelligen. Nu ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] voor een veroordeling van verduistering in functie gepleegd vereiste, essentiële bestanddelen niet kunnen worden bewezen, kan er van het medeplegen daarvan ook geen sprake zijn.

De rechtbank zal verdachte daarom vrij spreken van het primair onder 1 tenlastegelegde.

Bewezenverklaringen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichten van [benadeelde 1]. Door samen met [medeverdachte] opzettelijk bankrekeningen te openen op naam van fictieve bedrijven, waarvan de naam sterk leek op bestaande klanten van [benadeelde 1], heeft hij een valse hoedanigheid aangenomen. [medeverdachte] heeft opzettelijk de bankrekeningnummers in het systeem van [benadeelde 1] aangepast, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een listige kunstgreep is. Tevens heeft [medeverdachte] gedaan alsof de drie afzonderlijke bedrijven gerechtigd waren om de verschillende geldbedragen te ontvangen en verrichtte hij ook werkzaamheden waartoe hij op grond van zijn eigenlijke functieprofiel niet gerechtigd was. Dit zijn meerdere leugens, die de rechtbank kwalificeert als een samenweefsel van verdichtsels. Anders dan door de raadsman gesteld is voor medeplegen niet vereist dat elke deelnemer afzonderlijk alle tenlastegelegde bestanddelen heeft verricht. Voldoende is dat beide verdachten gezamenlijk door hun afzonderlijk handelen ervoor hebben gezorgd dat alle bestanddelen werden verricht. Daar is sprake van.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard geen betrokkenheid te hebben bij twee van de drie overgeboekte bedragen op het rekeningnummer op naam van [benadeelde 4] te Spankeren van respectievelijk € 68.908,35 en € 48.923,16. Hij stelt hiertoe dat het geld wel op het verkeerde rekeningnummer (opmerking rechtbank: het door verdachte en medeverdachte geopende rekeningnummer bij de [naam bank]) terecht is gekomen, maar dat dit respectievelijk een normale mutatie betreft of dat hij voor het overboeken van het geldbedrag geen opdracht heeft gegeven. Als verklaring voor het feit dat de geldbedragen toch op het verkeerde rekeningnummer terecht zijn gekomen, geeft medeverdachte [medeverdachte] aan dat hij het bankrekeningnummer binnen de administratie van [benadeelde 1] niet weer heeft veranderd in het juiste nummer van [benadeelde 4].11 Desgevraagd heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij had kunnen weten dat er geldbedragen naar [benadeelde 4] te Spankeren overgeboekt zouden worden, omdat deze klant op ‘automatisch uitbetalen’ stond.12 De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] handelden uit winstbejag. Met dat doel heeft [medeverdachte] bankrekeningnummers aangepast in de administratie van [benadeelde 1]. Hij deed dit ook ten aanzien van [benadeelde 4], terwijl hij wist dat deze klant als ‘automatisch uitbetalen’ in het systeem vermeld stond.13 Nu [benadeelde 4] op die manier in het systeem vermeld stond, was er een aanmerkelijke kans dat één of meerdere geldbedragen op de rekening geboekt zouden worden. Door het rekeningnummer te veranderen en na de eerste transactie niet weer aan te passen in het daadwerkelijke rekeningnummer van [benadeelde 4], heeft medeverdachte [medeverdachte] op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er – zonder dat hij daar recht op had – meer dan eens geld op het door hem en verdachte geopende rekeningnummer zou worden gestort, wat maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake was van (minstgenomen) voorwaardelijk opzet. De betalingen werden op naam van [benadeelde 1] verricht. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat [benadeelde 1] door het handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bewogen is tot afgifte van dit bedrag, nu bij een normale gang van zaken immers niet tot betaling van de geldbedragen op de rekeningen van de fictieve bedrijven was overgegaan. Er is derhalve sprake van een causaal verband tussen de oplichting en het overboeken van de geldbedragen.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] [benadeelde 1] voor een bedrag van € 630.080,68 heeft opgelicht. Gelet op de verklaringen van verdachte, onder andere inhoudende dat hij wist dat het geld van [benadeelde 1] afkomstig was en dat hij en [medeverdachte] niet bevoegd waren zich het geld toe te eigenen, alsmede de omstandigheid dat de rekeningen bij de [naam bank] door hem geopend zijn, op zijn naam stonden en hij de meeste bedragen heeft gepind, acht de rechtbank een bewuste nauwe samenwerking tussen [medeverdachte] en verdachte aanwezig. Verdachte was van het begin af aan bij de plannen betrokken en heeft aanvankelijk voor een groot deel gedeeld in de opbrengst uit de door [benadeelde 1] gestorte geldbedragen.14 Om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode 7 juli 2000 tot en met 12 april 2007 werden op naam van [benadeelde 1] geldbedragen overgemaakt op door verdachte, op verzoek van medeverdachte [medeverdachte], geopende bankrekeningen, terwijl verdachte en medeverdachte wisten dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben contant geld van deze rekeningen opgenomen.15 Zij hebben de contant opgenomen geldbedragen uitgegeven.16

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit. De officier van justitie stelt dat de witwashandelingen eruit hebben bestaan dat verdachte en medeverdachte [verdachte] geld naar de rekeningen van de fictieve bedrijven hebben overgemaakt, deze bedragen hebben overgedragen en er vervolgens gebruik van hebben gemaakt. De gelden zijn overgedragen tussen verdachten onderling, maar ook aan derden in ruil voor luxe goederen. De officier is van mening dat verdachten de gelden hiermee uit het zicht van [benadeelde 1] hebben gebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat zijn cliënt zich niet schuldig heeft gemaakt aan het ‘gebruik maken’ van de gelden. Hij stelt daartoe dat zijn cliënt de contanten gepind heeft en daarna aan medeverdachte [medeverdachte] heeft gegeven. Zijn cliënt kreeg telkens een beloning voor het pinnen. De raadsman stelt voorts dat zijn cliënt de gelden wel voorhanden heeft gehad, maar dat dit onvoldoende is om de gedraging als witwassen te kwalificeren, nu de geldbedragen uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Volgens de raadsman is er niet sprake van meerdere witwashandelingen, zoals dat volgens de Hoge Raad in een dergelijk geval wel vereist is. Ook is er volgens de raadsman geen sprake van een gedraging die op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld is gericht.

De beoordeling door de rechtbank

Op naam van [benadeelde 1] is in totaal een bedrag van € 630.080,68 overgeboekt op de rekeningen van de fictieve bedrijven ‘[benadeelde 2]’, ‘[benadeelde 3]’ en ‘[benadeelde 4]. Van alle bedrijven was bij de [naam bank] een adres in Spankeren bekend.17 Gelet op het onder 1 overwogene, acht de rechtbank bewezen dat beide verdachten wisten dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Verdachte heeft immers verklaard dat hij wist dat de geldbedragen afkomstig waren van [benadeelde 1] en dat hij en [medeverdachte] niet de bevoegdheid hadden zich deze bedragen toe te eigenen.18
Van deze bankrekeningen is in totaal een bedrag van € 634.949,21 contant opgenomen, zijnde een groter bedrag dan het op naam van [benadeelde 1] overgeboekte totaalbedrag.19 Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat verdachte het overgrote deel van de pintransacties heeft verricht en dat hij na het pinnen telkens (een deel van) de geldbedragen aan [medeverdachte] gaf.20 Nu de geldbedragen -bij elkaar opgeteld een geldbedrag van € 630.080,68- op de bankrekeningen van de fictieve bedrijven zijn gestort en verdachte contante geldbedragen aan [medeverdachte] overhandigde, hebben zij gezamenlijk het totale geldbedrag verworven en voorhanden gehad. Voorts heeft verdachte geldbedragen overgedragen aan [medeverdachte]. Het gehele geldbedrag is, zij het in gedeeltes, in contanten van de bankrekeningen opgenomen. Door de geldbedragen te pinnen, zijn de bedragen aan het zicht van [benadeelde 1] onttrokken en is de herkomst van de bedragen verhuld.
Zowel [medeverdachte] als verdachte heeft verklaard de door hun ontvangen geldbedragen besteed te hebben. Het geld is opgegaan aan (onder andere) huizen, vakanties, drugs, auto’s en het afbetalen van schulden in het drugscircuit.21 Verdachte zelf heeft niet verklaard over het krijgen van een beloning per pintransactie. Hij heeft bij de politie juist verklaard dat hij met [medeverdachte] had afgesproken dat zij van de gepinde bedragen ieder de helft zouden krijgen. Ook [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat het gepinde geld ‘fifty-fifty’ werd verdeeld. Hij verklaarde zelfs dat het mogelijk is dat verdachte meer heeft ‘gepakt’ dat hij heeft gekregen.22 Dit duidt niet op een beloning. De rechtbank merkt voorts op, dat al zou er sprake zijn van een beloning, dit niet afdoet aan het feit dat het geld ‘gebruikt’ is. Verdachte heeft immers verklaard dat hij met de door hem ontvangen gelden schulden in het drugscircuit heeft afbetaald. Naast de eerder genoemde witwashandelingen, hebben verdachten zich naar het oordeel van de rechtbank evengoed schuldig gemaakt aan het gebruiken van de uit misdrijf afkomstige geldbedragen. Ook hebben zij deze geldbedragen, door onder andere goederen te kopen en schulden af te betalen, overgedragen aan derden. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van meer witwashandelingen dan het enkele ‘voorhanden hebben’.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 630.080,68.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het [welke feiten] tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

Subsidiair

hij op meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2000 tot

en met 12 april 2007, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1]

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de

afgifte van een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), hierin bestaande dat verdachte tezamen met verdachtes mededader (werkzaam bij [benadeelde 1] als "relatiebeheerder" van de klanten "[benadeelde 2]", "[benadeelde 3]" en "[benadeelde 4]"), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens)

opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid,

- bij de [naam bank] zakelijke girorekeningen heeft geopend op naam van

(fictieve) bedrijven (eenmanszaken) te Spankeren, te weten "[benadeelde 2]", "[benadeelde 3]

[benadeelde 3]" en "[benadeelde 4]", welke tenaamstellingen (sterk) geleken op de naam van de echte klanten van [benadeelde 1], en

- het bankrekeningnummer van die klanten in de administratie van [benadeelde 1] heeft veranderd in het rekeningnummer van die door hen geopende zakelijke girorekeningen, en

- in de administratie van [benadeelde 1] aanspraken op pensioenen van

deelnemers van die klanten heeft afgeboekt (waardoor afkoopsommen vrijkwamen), en/of

- overboekingsopdrachten heeft opgesteld voor de financiële afdeling

van [benadeelde 1] om over te gaan tot uitbetaling van die afgeboekte

pensioengelden aan de klanten, en

- overboekingsopdrachten heeft opgesteld voor de financiële afdeling van [benadeelde 1] om over te gaan tot uitbetaling van rentekortingen (overrente) aan die klanten, waardoor [benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op meer tijdstippen in de periode van 7 juli 2000 tot

en met 12 april 2007, te Spankeren, gemeente Rheden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, althans (telkens) van een voorwerp, te weten een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, subsidiair:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de feit 2:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Bij het bepalen van zijn strafeis heeft de officier rekening gehouden met de ernst van het feit, alsmede de landelijke richtlijnen en het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Ook houdt de officier van justitie rekening met de rolverdeling tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Voorts houdt de officier rekening met het feit dat verdachte gedurende de tijd dat de behandeling van de strafzaak op zich liet wachten, niet is gestart met het afbetalen van de schuld aan [benadeelde 1].

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat zijn cliënt vanwege zijn schulden genoodzaakt was om aan het plan van [medeverdachte] mee te werken. Zijn cliënt was in de veronderstelling dat er geen individuele personen gedupeerd zouden raken en heeft aan de strafbare feiten een geringer bedrag overgehouden dan [medeverdachte]. Voorts wijst de raadsman erop dat er geen vergelijkbare feiten op de Justitiële Documentatie bekend zijn en dat zijn cliënt zich enige jaren geleden op eigen initiatief heeft gewend tot een personal coach, teneinde zijn gedrag te veranderen. De raadsman verzoekt de rechtbank rekening te houden met de tijd die zijn cliënt in verzekering is gesteld, met het feit dat de redelijke termijn is overschreden en het feit dat het openbaar ministerie de zaak aanvankelijk heeft geseponeerd.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 18 maart 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en het medeplegen van witwassen. Met zijn handelen heeft hij [benadeelde 1], alsmede het vertrouwen in het financiële verkeer in het algemeen, schade toegebracht. Dergelijk handelen wordt in de maatschappij als verwerpelijk ervaren. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen dan ook zeer aan.

Hij en medeverdachte [medeverdachte] hebben gedurende een lange periode frauduleus gehandeld. Verdachte heeft gedurende de verstreken tijd niets in het werk gesteld om [benadeelde 1] tegemoet te komen.

De rechtbank houdt echter ook rekening met het feit dat de zaak aanvankelijk door het openbaar ministerie is geseponeerd en het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ter terechtzitting is verschenen en openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft er zelf voor gezorgd dat hij zijn leven weer op de rit heeft gekregen. Hij neemt verantwoordelijkheid voor hetgeen hij heeft gedaan. Verdachte heeft al jaren lang een vaste baan bij dezelfde werkgever en geniet dus een maandelijks inkomen. De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte, indien de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zou leggen, zijn baan verliest. Daarmee zou het perspectief op afbetaling van de schulden bij [benadeelde 1] verloren gaan of in ieder geval worden beperkt. De rechtbank acht dit onwenselijk. Mede om die reden komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een forse taakstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank evenwel ook van oordeel dat daarnaast een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf op zijn plaats is.

6A. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van €1.059.190,76, dat ter terechtzitting is vermeerderd met € 17.530,65 (en de daarover berekende wettelijke rente.
De uiteindelijke vordering bedraagt € 1.093.002,82, inclusief wettelijke rente en kosten voor rechtsbijstand.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot betaling van het bedrag van € 1.076.721,41 (zijnde het bedrag van de eigenlijke vordering, vermeerderd met het ter zitting gevorderde bedrag van €17.530, 65) toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht te bepalen dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van de vergoeding van de schade hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu hij vrijspraak heeft bepleit.

Subsidiair is de raadsman van mening dat de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de vordering geen onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt. Zij beoordeelt de gevorderde schadeposten als volgt, waarbij zij de door de benadeelde partij gehanteerde volgorde aanhoudt. De rechtbank bepaalt dat de gevorderde wettelijke rente enkel over de ontvreemde bedragen moet worden voldaan.

1. Ontvreemde tegoeden in de periode 2000 tot en met 2007

De rechtbank is van oordeel dat schade die ziet op de ontvreemde tegoeden voor vergoeding in aanmerking komt, nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde feit. De gevorderde wettelijke rente is telkens opeisbaar vanaf het moment van storten van het tegoed op (één van) de rekeningnummers in gebruik bij verdachte en/of medeverdachte [verdachte]. Uitgegaan wordt van de in het navolgende schema opgenomen bedragen en data.

Bedrag overboeking

Wettelijke rente opeisbaar vanaf: (moment storten op rekening)

Totaal

[benadeelde 2].

€ 16.476, 70

7 juli 2000

€ 717, 19

20 april 2001

€ 336, 76

26 februari 2002

[benadeelde 2].: € 17.530, 65

[benadeelde 3]

€ 18.233, 38

24 november 2011

€ 40.267,99

20 april 2001

€ 33. 576,76

13 augustus 2001

€ 22.691, 46

18 december 2001

€ 39.378, 41

26 februari 2002

€ 34.115,82

10 juni 2002

€ 37.572, 89

10 februari 2003

€29.421, 84

26 januari 2004

€ 50.216, 82

5 augustus 2004

€ 37.340,80

12 januari 2005

€3.055, 25

6 april 2005

€ 32.755,21

6 september 2005

€ 30.172, 89

12 april 2007

[benadeelde 3].: € 408.799,52

Stichting Pensioenfonds Verzekeringsmaatschappij [benadeelde 4] N.V

€ 85.919,00

31 januari 2006

€ 68.908,35

8 juni 2006

€ 48.923, 16

22 november 2006

Stichting Pensioenfonds Verzekeringsmaatschappij [benadeelde 4] N.V:

€ 203.750, 51

Eindtotaal:

€630.080,68

2. Interne onderzoekskosten

De rechtbank acht het causale verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de gevorderde schade van € 87.454,-- ten dele aanwezig. De exacte omvang en reikwijdte van het causale verband blijkt echter onvoldoende uit het dossier. De rechtbank is in een dergelijk geval op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd de schade naar redelijkheid te schatten. De rechtbank schat de schade, die wordt gevormd door interne onderzoeken ten behoeve van het inzichtelijk maken van de fraude, naar redelijkheid op € 40.000,-- en zal dit bedrag toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige gevorderde bedrag niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

3. Externe juridische kosten

Toewijsbaar is een bedrag van in totaal € 670.080,68 (€ 630.080,68 + € 40.000,--). De benadeelde partij vordert tevens vergoeding voor de rechtsbijstandskosten die zij heeft gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding. De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zullen door de rechtbank middels het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven worden berekend.
De kosten worden gesteld op drie punten van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven (één punt voor het indienen van de vordering en één punt voor de aanwezigheid ter terechtzitting, gelet op de omvang van de zaak te vermeerderen met 1 punt) en worden derhalve begroot op € 7.740,--.

De benadeelde partij zal voor het overige gevorderde bedrag niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voorzover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Tot zekerheid voor daadwerkelijke betaling van de schade zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De gevorderde en toegewezen wettelijke rente en vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen. Daarbij geldt bovendien dat indien en voor zover door de mededader schade is vergoed, ook verdachte daardoor tot dat vergoede bedrag tegenover de Staat zal zijn gekweten. De rechtbank zal tot slot bevelen dat bij niet-betaling vervangende hechtenis zal worden toegepast.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 47, 63, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 6 (zes) uren, zijnde 3 (drie) dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tevens tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf geheel niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover [medeverdachte] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde 1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde 1] Pensioen- en Levensverzekeringen N.V, te betalen € 670.080,68 (zeshonderdzeventigduizendentachtig euro en achtenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de ontvreemde bedragen (zie datum toewijsbaarheid per bedrag);

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op € 7.740,-- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover [medeverdachte] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde 1] zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] te betalen € 670.080,68 (zeshonderdzeventigduizendentachtig euro en achtenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de ontvreemde bedragen (zie datum toewijsbaarheid per bedrag), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. W.A. Holland (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. G.M.L. Tomassen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2014.

mr. J.M. Klep is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8746.

2 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9987.

3 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de regiopolitie Gelderland-Midden, divisie Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2011013551, gesloten op 22 juni 2011 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

4 De aangifte door [aangever 1] en [aangever 2], namens [benadeelde 1], bijlage 2, p. 45, middenin en het proces-verbaal van aangifte, p. 35, onderaan en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2014.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 253, laatste alinea, p. 254, regelnummer 1 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 317, zesde alinea, regelnummers 1 en 2 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2014.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 254, regelnummers 5,6 en 11 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 280, tweede alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 293, middenin en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2014.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 280, laatste alinea en p. 281, eerste alinea en tweede alinea, regelnummers 1 t/m 3 en het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], p. 292, onderaan en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2014.

8 De aangifte door [aangever 1] en [aangever 2], namens [benadeelde 1], bijlage 2, p. 47, eerste alinea en het proces-verbaal d.d. 22 juni 2011, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], p. 14, middenin, p.15, middenin en p.17, bovenaan en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2014.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 280, laatste alinea.

10 Het proces-verbaal van aangifte, p. 35, onderaan en p. 36, eerste en tweede alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 256, een na laatste alinea en het schriftelijke bescheid, inhoudende een valselijk opgemaakte brief door verdachte [medeverdachte]. P. 57 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 258, zesde alinea.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 280, tweede alinea.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 293, achtste alinea.

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte]. P. 279, onderaan.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 318, vierde alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 344, onderaan, p. 345, eerste en derde alinea, p. 346, laatste alinea en het schriftelijke bescheid, inhoudende een inschrijving eenmanszaak bij de Kamer van Koophandel op naam van [verdachte], p. 210 t/m 213, een schriftelijk bescheid, inhoudende een uittreksel Kamer van Koophandel, p. 217 en een schriftelijk bescheid, inhoudende een afschrift aanvragen girorekening [benadeelde 3] op naam van [verdachte], p. 116 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2014.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 253, laatste alinea, p. 254, bovenste helft van de pagina en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 280, tweede alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 293, middenin en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 344, onderaan, p. 345, eerste alinea.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 253, eerste tot en met vijfde alinea en het proces-verbaal van verdachte [verdachte], p. 345, tweede alinea, regelnummer 3 en 4.

17 Het proces-verbaal d.d. 22 juni 2011, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], p. 14, middenin, p.15, middenin en p.17, bovenaan, p. 29, bovenste helft van de pagina en de schriftelijke bescheiden, inhoudende inschrijfformulieren voor het openen van rekeningen voor de (fictieve) bedrijven [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4], respectievelijk, p. 112, 116 en 119.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 344 onderaan en p. 346, laatste alinea en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2014.

19 Het proces-verbaal d.d. 22 juni 2011, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], p. 29, middenin en het schriftelijke bescheid, inhoudende een overzicht van contante opnames van de bankrekeningnummers van de fictieve bedrijven: 6043714 ([benadeelde 3]), 1221632 ([benadeelde 4]) en 8111079 ([benadeelde 2]), bijlage 37, p. 359 t/m 365.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 254, derde alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 345, eerste alinea onderaan en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 318, derde en vierde alinea en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2014.

21 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 286, onderste deel van de pagina, p. 287 en 288 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 345, tweede alinea.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 345, eerste alinea, laatste zin en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 254, derde alinea.