Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2694

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
05/900806-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting van een vennootschap voor pensioen- en levensverzekeringsverzekeringen door een werknemer van die vennootschap en een mededader, leidt tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/900806-08

Datum zitting : 6 februari 2014, 10 april 2014

Datum uitspraak : 24 april 2014

VERSTEK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juli 2000 tot en met 12 april 2007 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] te Apeldoorn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk geldbedrag verdachte en/of zijn mededader (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker Pensioenadministratie (relatiebeheerder en/of pensioenbeheerder) en/of als offertemedewerker bij de afdeling Acceptatie&Offerte van [benadeelde 1] te Apeldoorn, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2000 tot

en met 12 april 2007, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1]

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de

afgifte van een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), hierin bestaande dat verdachte (werkzaam bij [benadeelde 1] als "relatiebeheerder" van de klanten "[benadeelde 2]", "[benadeelde 3]" en/of "[benadeelde 4]") tezamen met verdachtes mededader, althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens)

opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, - bij de [naam bank] zakelijke girorekeningen heeft geopend op naam van (fictieve) bedrijven (eenmanszaken) te Spankeren, te weten "[benadeelde 2]", "[benadeelde 3]" en/of "[benadeelde 4]", welke tenaamstellingen overeenkwamen of (sterk) geleken op de naam van de echte klanten van [benadeelde 1], en/of - het bankrekeningnummer van die klanten in de administratie van [benadeelde 1]

[benadeelde 1] heeft veranderd in het rekeningnummer van die door hem/hen geopende zakelijke girorekeningen, en/of - in de administratie van [benadeelde 1] aanspraken op pensioenen van deelnemers van die klanten heeft afgeboekt (waardoor afkoopsommen vrijkwamen), en/of - overboekingsopdrachten heeft gemaakt/opgesteld voor de financiële afdeling van [benadeelde 1] om over te gaan tot uitbetaling van die afgeboekte

pensioengelden aan de klanten, en/of - overboekingsopdrachten heeft gemaakt/opgesteld voor de financiële afdeling van [benadeelde 1] om over te gaan tot uitbetaling van rentekortingen (overrente) aan die klanten, waardoor [benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juli 2000 tot

en met 12 april 2007, te Doesburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, althans (telkens) van een voorwerp, te weten een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 10 april 2014 ter terechtzitting onderzocht. Nu verdachte niet is verschenen en evenmin een (gemachtigd) raadsman is verschenen, is verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft gerekwireerd.

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is ter terechtzitting verschenen de heer[namens bp 1], bijgestaan door mr. H. Jahae.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte was gedurende de periode 7 juli 2000 tot en met 12 april 2007 werkzaam bij [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) in Apeldoorn. De bedrijven ‘Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij’ (hierna: [benadeelde 2].), ‘[benadeelde 3].’ (hierna: [benadeelde 3]) en ‘[benadeelde 4]’ (hierna: [benadeelde 4]), hadden contracten bij [benadeelde 1].2 Verdachte heeft gedurende deze periode medeverdachte [medeverdachte] verzocht om bij de [naam bank] girorekeningen te openen op naam van niet bestaande bedrijven met de namen ‘[benadeelde 2]’, ‘[benadeelde 3]’ en ‘[benadeelde 4]’. Deze namen kwamen sterk overeen met de namen van echte klanten bij [benadeelde 1].3 Verdachte heeft de bankrekeningnummers van de echte klanten van [benadeelde 1] in het computersysteem van [benadeelde 1] veranderd in de bankrekeningnummers, horende bij de (mede) door hem bij de [naam bank] geopende rekeningen.4 Vervolgens heeft hij in de administratie van [benadeelde 1] aanspraken op pensioenen van deelnemers van de echte klanten afgeboekt, waardoor afkoopsommen vrij kwamen en heeft hij overrente en pensioengelden op de door hem ingevoerde rekeningnummers laten uitkeren. Om de overrente en pensioengelden door de financiële afdeling uit te laten keren, deed verdachte aan die afdeling daartoe een verzoek, middels door verdachte opgestelde handvaststellingen.5 Door deze handelingen werden geldbedragen toebehorende aan [benadeelde 1] overgeboekt op de door verdachte en [medeverdachte] geopende rekeningen bij de [naam bank].6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 tenlastegelegde feit. De officier van justitie wijst in dit verband op de overgeboekte bedragen, de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ook de bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte].

De beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde

De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte de geldbedragen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking bij [benadeelde 1] daadwerkelijk onder zich had. Voor het ‘onder zich hebben’ van een goed is een zekere mate van beschikkingsmacht vereist. Teneinde de geldbedragen over te laten boeken naar de door hem en medeverdachte Wulp geopende rekeningen, moest verdachte eerst via een handvaststelling een verzoek doen aan de financiële afdeling. De handvaststelling werd gecontroleerd door een collega, waarna deze ter fiattering naar een leidinggevende ging. Als de leidinggevende akkoord was, werd de handvaststelling doorgestuurd naar de financiële administratie, waar de handvaststelling nogmaals gecontroleerd en uiteindelijk uitbetaald werd.7 Verdachte kon zonder deze tussenstappen geen geldbedragen overmaken en had naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet een zodanige beschikkingsmacht dat er sprake was van het ‘onder zich hebben’ van de diverse geldbedragen. Overigens is de rechtbank ook van oordeel dat, indien er vanuit zou worden gegaan dat verdachte de gelden wel uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, er geen sprake is van ‘anders dan door een misdrijf’ onder zich hebben van de geldbedragen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte is door middel van het vervalsen van documenten en het aanpassen van een e-mail (hetgeen valsheid in geschrift oplevert) in de positie gekomen om mutaties te kunnen (laten) verrichten die horen bij de functie van een relatiebeheerder. Dit waren geen handelingen die bij verdachtes eigenlijke functie bij [benadeelde 1] hoorden. Verdachte beschikte ten onrechte over deze bevoegdheid.8 Bij een normale gang van zaken was verdachte niet in de gelegenheid geweest om overboekingen te bewerkstelligen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair onder 1 tenlastegelegde.

Bewezenverklaringen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het oplichten van [benadeelde 1]. Door opzettelijk bankrekeningen te openen op naam van fictieve bedrijven, waarvan de naam sterk leek op bestaande klanten van [benadeelde 1], heeft verdachte een valse hoedanigheid aangenomen. Verdachte heeft opzettelijk de bankrekeningnummers in het systeem van [benadeelde 1] aangepast, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een listige kunstgreep is. Tevens heeft verdachte gedaan alsof de drie afzonderlijke bedrijven gerechtigd waren om de verschillende geldbedragen te ontvangen en verrichtte hij ook werkzaamheden waartoe hij op grond van zijn eigenlijke functieprofiel niet gerechtigd was. Dit zijn meerdere leugens, die de rechtbank kwalificeert als een samenweefsel van verdichtsels.

Verdachte heeft bij de politie verklaard geen betrokkenheid te hebben bij twee van de drie overgeboekte bedragen op het rekeningnummer op naam van [benadeelde 4] te Spankeren van respectievelijk € 68.908,35 en € 48.923,16. Hij stelt hiertoe dat het geld wel op het verkeerde rekeningnummer (opmerking rechtbank: het door verdachte en medeverdachte geopende rekeningnummer bij de [naam bank]) terecht is gekomen, maar dat dit respectievelijk een normale mutatie betreft of dat hij voor het overboeken van het geldbedrag geen opdracht heeft gegeven. Als verklaring voor het feit dat de geldbedragen toch op het verkeerde rekeningnummer terecht zijn gekomen, geeft verdachte aan dat hij het bankrekeningnummer binnen de administratie van [benadeelde 1] niet weer heeft veranderd in het juiste nummer van [benadeelde 4].9 Desgevraagd heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij had kunnen weten dat er geldbedragen naar [benadeelde 4] te Spankeren overgeboekt zouden worden, omdat deze klant op ‘automatisch uitbetalen’ stond.10 De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte handelde uit winstbejag. Met dat doel heeft hij bankrekeningnummers aangepast in de administratie van [benadeelde 1]. Verdachte deed dit ook ten aanzien van [benadeelde 4], terwijl hij wist dat deze klant als ‘automatisch uitbetalen’ in het systeem vermeld stond.11 Nu [benadeelde 4] op die manier in het systeem vermeld stond, was er een aanmerkelijke kans dat één of meerdere geldbedragen op de rekening geboekt zouden worden. Door het rekeningnummer te veranderen en na de eerste transactie niet weer aan te passen in het daadwerkelijke rekeningnummer van [benadeelde 4], heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er – zonder dat verdachte daar recht op had – geld op het door hem opgemaakte rekeningnummer zou worden gestort, wat maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake was van (minstgenomen) voorwaardelijk opzet. De betalingen werden op naam van [benadeelde 1] verricht. De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde 1] door het handelen van verdachte bewogen is tot afgifte van dit bedrag, nu bij een normale gang van zaken immers niet tot betaling van de geldbedragen was overgegaan.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde 1] voor een bedrag van € 630.080,68 heeft opgelicht. Gelet op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte], onder andere inhoudende dat hij wist dat het geld van [benadeelde 1] afkomstig was en dat hij en verdachte niet bevoegd waren zich het geld toe te eigenen, alsmede de omstandigheid dat de rekeningen bij de [naam bank] door hem geopend zijn, op zijn naam stonden en hij de meeste bedragen heeft gepind, acht de rechtbank een bewuste nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aanwezig. [medeverdachte] was van het begin af aan bij de plannen betrokken en heeft aanvankelijk voor een groot deel gedeeld in de opbrengst.12 Om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode 7 juli 2000 tot en met 12 april 2007 werden op naam van [benadeelde 1] geldbedragen overgemaakt op door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] geopende bankrekeningen, terwijl verdachte wist dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben contant geld van deze rekeningen opgenomen.13 Zij hebben de contant opgenomen geldbedragen uitgegeven.14

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit. De officier van justitie stelt dat de witwashandelingen eruit hebben bestaan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] geld naar de rekeningen van de fictieve bedrijven hebben overgemaakt, deze bedragen hebben overgedragen en er vervolgens gebruik van hebben gemaakt. De gelden zijn overgedragen tussen de verdachten onderling, maar ook aan derden in ruil voor luxe goederen. De officier is van mening dat verdachten de gelden hiermee uit het zicht van [benadeelde 1] hebben gebracht.

De beoordeling door de rechtbank

Op naam van [benadeelde 1] is in totaal een bedrag van € 630.080,68 overgeboekt op de rekeningen van de fictieve bedrijven ‘[benadeelde 2]’, ‘[benadeelde 3]’ en ‘[benadeelde 4]’.15 Gelet op het onder 1 overwogene, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Ook [medeverdachte] wist dat de geldbedragen afkomstig waren van [benadeelde 1] en dat hij en verdachte niet de bevoegdheid hadden zich deze toe te eigenen.16 Van deze bankrekeningen is in totaal een bedrag van € 634.949,21 contant opgenomen, zijnde een groter bedrag dan het op naam van [benadeelde 1] overgeboekte totaalbedrag.17 Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] het overgrote deel van de pintransacties heeft verricht en dat hij na het pinnen telkens (een deel van) de geldbedragen aan verdachte gaf.18 De bedragen zijn bij verschillende Postbankfilialen, onder andere in Doesburg, gepind.19 Nu de geldbedragen -bij elkaar opgeteld een geldbedrag van €630.080,68- op de bankrekeningen van de fictieve bedrijven zijn gestort en verdachte contante geldbedragen van [medeverdachte] overhandigd kreeg, hebben zij gezamenlijk het totale geldbedrag verworven en voorhanden gehad. Voorts heeft [medeverdachte] geldbedragen overgedragen aan verdachte. Het gehele geldbedrag is, zij het in gedeeltes, in contanten van de bankrekeningen opgenomen. Door de geldbedragen te pinnen, zijn de bedragen aan het zicht van [benadeelde 1] onttrokken en is de herkomst van de bedragen verhuld. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard de door hun ontvangen geldbedragen besteed te hebben aan (onder andere) huizen, vakanties, drugs, auto’s en het afbetalen van schulden (in het drugscircuit).20 Naast de voorgenoemde witwashandelingen, hebben zij zich om die reden tevens schuldig gemaakt aan het gebruiken van de uit misdrijf afkomstige geldbedragen. Ook hebben zij deze geldbedragen overgedragen aan derden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 630.080,68.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2000 tot

en met 12 april 2007, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1]

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de

afgifte van een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), hierin bestaande dat verdachte (werkzaam bij [benadeelde 1] als "relatiebeheerder" van de klanten "[benadeelde 2]", "[benadeelde 3]" en"[benadeelde 4]") tezamen met verdachtes mededader, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- bij de [naam bank] zakelijke girorekeningen heeft geopend op naam van

(fictieve) bedrijven (eenmanszaken) te Spankeren, te weten "[benadeelde 2]", "[benadeelde 3]

[benadeelde 3]" en "[benadeelde 4]", welke tenaamstellingen

(sterk) geleken op de naam van de echte klanten van [benadeelde 1], en

- het bankrekeningnummer van die klanten in de administratie van [benadeelde 1] heeft veranderd in het rekeningnummer van die door hen geopende zakelijke girorekeningen, en

- in de administratie van [benadeelde 1] aanspraken op pensioenen van

deelnemers van die klanten heeft afgeboekt (waardoor afkoopsommen vrijkwamen), en/of

- overboekingsopdrachten heeft opgesteld voor de financiële afdeling

van [benadeelde 1] om over te gaan tot uitbetaling van die afgeboekte

pensioengelden aan de klanten, en

- overboekingsopdrachten heeft opgesteld voor de financiële afdeling van [benadeelde 1] om over te gaan tot uitbetaling van rentekortingen (overrente) aan die klanten, waardoor [benadeelde 1] en/of [benadeelde 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij meer tijdstippen in de periode van 7 juli 2000 tot

en met 12 april 2007, te Doesburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer 630.080,- euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, althans (telkens) van een voorwerp, te weten een geldbedrag (tot

een totaal van ongeveer 630.080,- euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de feit 2:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Bij het bepalen van zijn strafeis heeft de officier rekening gehouden met de ernst van het feit, alsmede de landelijke richtlijnen en het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Ook houdt de officier van justitie rekening met het feit dat verdachte de initiatiefnemer is geweest en dat hij gedurende de tijd dat de behandeling van de strafzaak op zich liet wachten, niet is gestart met het afbetalen van de schuld aan [benadeelde 1].

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 18 maart 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en het medeplegen van witwassen. Met zijn handelen heeft hij [benadeelde 1], alsmede het vertrouwen in het financiële verkeer in het algemeen, schade toegebracht. Dergelijk handelen wordt in de maatschappij als verwerpelijk ervaren. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen dan ook zwaar aan.

Verdachte was werkzaam bij [benadeelde 1] en wist hoe men in dat bedrijf werkte. Hij en medeverdachte [medeverdachte] hebben gedurende een lange periode frauduleus gehandeld, waarbij verdachte initiatiefnemer was. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen van zijn werkgever alsook het vertrouwen van de betrokken relaties van zijn werkgever ernstig geschaad. Hij is op zeer geraffineerde wijze te werk gegaan en heeft gedurende de verstreken tijd niets in het werk gesteld om [benadeelde 1] tegemoet te komen. De rechtbank houdt echter ook rekening met het feit dat de zaak aanvankelijk door het openbaar ministerie is geseponeerd en het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Om die reden komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in het bijzonder de ernst van het feit, evenwel van oordeel dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

6A. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.059.190,76, dat ter terechtzitting is vermeerderd met € 17.530,65 (en de daarover berekende wettelijke rente.
De uiteindelijke vordering bedraagt € 1.093.002,82, inclusief wettelijke rente en kosten voor rechtsbijstand.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot betaling van het bedrag van € 1.076.721,41 (zijnde het bedrag van de eigenlijke vordering, vermeerderd met het ter zitting gevorderde bedrag van € 17.530, 65) toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht te bepalen dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van de vergoeding van de schade hoofdelijk aansprakelijk zijn.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank beoordeelt de gevorderde schadeposten als volgt, waarbij zij de door de benadeelde partij gehanteerde volgorde aanhoudt. De rechtbank bepaalt dat de gevorderde wettelijke rente enkel over de ontvreemde bedragen moet worden voldaan.

1. Ontvreemde tegoeden in de periode 2000 tot en met 2007

De rechtbank is van oordeel dat schade die ziet op de ontvreemde tegoeden voor vergoeding in aanmerking komt, nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde feit. De gevorderde wettelijke rente is telkens opeisbaar vanaf het moment van storten van het tegoed op (één van) de rekeningnummers in gebruik bij verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte]. Uitgegaan wordt van de in het navolgende schema opgenomen bedragen en data.

Bedrag overboeking

Wettelijke rente opeisbaar vanaf: (moment storten op rekening)

Totaal

[benadeelde 2].

€ 16.476, 70

7 juli 2000

€ 717, 19

20 april 2001

€ 336, 76

26 februari 2002

[benadeelde 2].: € 17.530, 65

[benadeelde 3]

€ 18.233, 38

24 november 2011

€ 40.267,99

20 april 2001

€ 33. 576,76

13 augustus 2001

€ 22.691, 46

18 december 2001

€ 39.378, 41

26 februari 2002

€ 34.115,82

10 juni 2002

€ 37.572, 89

10 februari 2003

€29.421, 84

26 januari 2004

€ 50.216, 82

5 augustus 2004

€ 37.340,80

12 januari 2005

€3.055, 25

6 april 2005

€ 32.755,21

6 september 2005

€ 30.172, 89

12 april 2007

[benadeelde 3].: € 408.799,52

Stichting Pensioenfonds Verzekeringsmaatschappij [benadeelde 4] N.V

€ 85.919,00

31 januari 2006

€ 68.908,35

8 juni 2006

€ 48.923, 16

22 november 2006

Stichting Pensioenfonds Verzekeringsmaatschappij [benadeelde 4] N.V:

€ 203.750, 51

Eindtotaal:

€630.080,68

2. Interne onderzoekskosten

De rechtbank acht het causale verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de gevorderde schade van € 87.454,-- ten dele aanwezig. De exacte omvang en reikwijdte van het causale verband blijkt echter onvoldoende uit het dossier. De rechtbank is in een dergelijk geval op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd de schade naar redelijkheid te schatten. De rechtbank schat de schade, die wordt gevormd door interne onderzoeken ten behoeve van het inzichtelijk maken van de fraude, naar redelijkheid op € 40.000,-- en zal dit bedrag toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige gevorderde bedrag niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

3. Externe juridische kosten

Toewijsbaar is een bedrag van in totaal € 670.080,68 (€ 630.080,68 + € 40.000,--). De benadeelde partij vordert tevens vergoeding voor de rechtsbijstandskosten die zij heeft gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding. De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zullen door de rechtbank middels het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven worden berekend.
De kosten worden gesteld op drie punten van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven (één punt voor het indienen van de vordering en één punt voor de aanwezigheid ter terechtzitting, gelet op de omvang van de zaak te vermeerderen met 1 punt) en worden derhalve begroot op € 7.740,--.

De benadeelde partij zal voor het overige gevorderde bedrag niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voorzover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Tot zekerheid voor daadwerkelijke betaling van de schade zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De gevorderde en toegewezen wettelijke rente en vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen. Daarbij geldt bovendien dat indien en voor zover door de mededader schade is vergoed, ook verdachte daardoor tot dat vergoede bedrag tegenover de Staat zal zijn gekweten. De rechtbank zal tot slot bevelen dat bij niet-betaling vervangende hechtenis zal worden toegepast.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 47, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 4 (vier) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover [medeverdachte] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde 1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde 1] Pensioen- en Levensverzekeringen N.V, te betalen € 670.080,68 (zeshonderdzeventigduizendentachtig euro en achtenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de ontvreemde bedragen (zie datum toewijsbaarheid per bedrag);

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op € 7.740,-- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover [medeverdachte] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde 1] zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] te betalen € 670.080,68 (zeshonderdzeventigduizendentachtig euro en achtenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de ontvreemde bedragen (zie datum toewijsbaarheid per bedrag), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. W.A. Holland (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. G.M.L. Tomassen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2014.

mr. J.M. Klep is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de regiopolitie Gelderland-Midden, divisie Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2011013551, gesloten op 22 juni 2011 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De aangifte door [aangever 1] en [aangever 2], namens [benadeelde 1], bijlage 2, p. 45, middenin en het proces-verbaal van aangifte, p. 35, onderaan.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 253, laatste alinea, p. 254, regelnummer 1.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 254, regelnummers 5,6 en 11 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 280, tweede alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 293, middenin.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 280, laatste alinea en p. 281, eerste alinea en tweede alinea, regelnummers 1 t/m 3 en het proces-verbaal van verhoor [verdachte], p. 292, onderaan.

6 De aangifte door [aangever 1] en [aangever 2], namens [benadeelde 1], bijlage 2, p. 47, eerste alinea en het proces-verbaal d.d. 22 juni 2011, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , p. 14, middenin, p.15, middenin en p.17, bovenaan.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 280, laatste alinea.

8 Het proces-verbaal van aangifte, p. 35, onderaan en p. 36, eerste en tweede alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 256, een na laatste alinea en het schriftelijke bescheid, inhoudende een valselijk opgemaakte brief door verdachte [verdachte] p. 57 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 258, zesde alinea.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 280, tweede alinea.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 293, achtste alinea.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte]. P. 279, onderaan.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 318, vierde alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 344, onderaan, p. 345, eerste en derde alinea, p. 346, laatste alinea en het schriftelijke bescheid, inhoudende een inschrijving eenmanszaak bij de Kamer van Koophandel op naam van [medeverdachte], p. 210 t/m 213, een schriftelijk bescheid, inhoudende een uittreksel Kamer van Koophandel, p. 217 en een schriftelijk bescheid, inhoudende een afschrift aanvragen girorekening [benadeelde 3] op naam van [medeverdachte], p. 116.

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 253, laatste alinea, p. 254, bovenste helft van de pagina en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 280, tweede alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 293, middenin en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 344, onderaan, p. 345, eerste alinea.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 253, eerste tot en met vijfde alinea en het proces-verbaal van verdachte [medeverdachte], p. 345, tweede alinea, regelnummer 3 en 4.

15 Het proces-verbaal d.d. 22 juni 2011, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], p. 14, middenin, p.15, middenin en p.17, bovenaan, p. 29, bovenste helft van de pagina.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 344 onderaan en p. 346, laatste alinea.

17 Het proces-verbaal d.d. 22 juni 2011, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], p. 29, middenin en het schriftelijke bescheid, inhoudende een overzicht van contante opnames van de bankrekeningnummers van de fictieve bedrijven: 6043714 ([benadeelde 3]), 1221632 ([benadeelde 4]) en 8111079 ([benadeelde 2]), bijlage 37, p. 359 t/m 365.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 254, derde alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 345, eerste alinea onderaan en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 318, derde en vierde alinea.

19 Het schriftelijke bescheid, inhoudende een bankafschrift op naam van [benadeelde 3] te Spankeren, p. 164.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 286, onderste deel van de pagina, p. 287 en 288 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 345, tweede alinea.