Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2660

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
Rek 14/796
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening artikel 287b, eerste lid, Fw (moratorium). Betalingsverplichting jegens schuldeiser is niet gewaarborgd. Mondelinge toezeggingen zijn onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team Insolventies

rekestnummer: Rek 14/796

uitspraakdatum: 16 april 2014

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet

in de zaak van [verzoekster][verzoekster]

wonende te [woonplaats][woonplaats][woonplaats],

verzoekster.

1 De gang van zaken en het verzoek

1.1.

Verzoekster huurt van Stichting Omnia Wonen (hierna: verweerder), gevestigd te Harderwijk, de woning gelegen aan het adres [adres].

1.2.

De kantonrechter heeft bij verstekvonnis van 19 maart 2014 de huurovereenkomst ontbonden, de ontruiming van de door verzoekster gehuurde woning gelast en verzoekster veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.3.

Verzoekster heeft tot en met 1 april 2014 een huurachterstand laten ontstaan bij verweerder van € 3.415,68, inclusief wettelijke rente en kosten.

1.4.

Bij exploot van 26 maart 2014 heeft toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder [A], werkzaam bij deurwaarderskantoor Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders, namens verweerder, aan verzoekster laten weten dat de ontruiming is bepaald op 17 april 2014.

1.5.

Op 15 april 2014 heeft verzoekster een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Verzoekster heeft daarbij gevraagd om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b, eerste lid, van de Faillissementswet, ter voorkoming van de ontruiming van haar woning.

1.6.

Het verzoek is ter zitting van deze rechtbank op 16 april 2014 behandeld. Verzoekster is ter terechtzitting gehoord. Tevens is ter zitting verschenen mevrouw [x], werkzaam bij Sociaal.nl Schuldsanering. Namens verweerder is verschenen de heer [B], werkzaam bij Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders.

2 De standpunten van partijen

2.1.

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om verweerder te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 19 maart 2014. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij in de problemen is gekomen met het betalen van de maandelijkse huurtermijnen vanaf september 2013, omdat vanaf die maand de budgetbeheerder niet langer zorgdroeg voor betaling van deze termijnen. Het beëindigen van het budgetbeheer was het gevolg van het intrekken van de WWB-uitkering door de gemeente [x] in augustus 2013. De huidige partner van verzoekster is vanaf september 2013 de financiën gaan beheren, maar omdat de onderneming van de partner van verzoekster te kampen had met tegenvallende resultaten, lukte het niet om steeds de huur te betalen. Vanaf december 2013 verblijft de partner van verzoekster, op instigatie van Bureau Jeugdzorg, elders en is verzoekster zelf verantwoordelijk voor haar financiën. Verzoekster heeft in januari 2014 een WWB-uitkering aangevraagd bij de gemeente [x]. Eerst op 15 april 2014 zijn alle voor de aanvraag benodigde stukken ontvangen door de gemeente. Volgens verzoekster heeft zij de mondelinge toezegging dat haar uitkeringsaanvraag geen bijzonderheden bevat. Verzoekster meent dat zij met ingang van april 2014 een WWB-uitkering zal ontvangen en dat zij daardoor in staat zal zijn de maandelijkse huurtermijnen te betalen. Voor het geval de gemeente [x] verzoekster niet op tijd een uitkering zal verstrekken, is verzoekster door haar consulent bij de gemeente de toezegging gedaan dat een voorschot kan worden verstrekt, van welk voorschot direct de lopende huurtermijn aan verweerder dan wel het deurwaarderskantoor kan worden overgemaakt.
Verzoekster heeft met haar kinderen twee weken verbleven op een gezinsopnamelocatie te Beilen. Binnenkort zullen zij voor een periode van zestien weken aldaar verblijven. Volgens verzoekster is het van belang dat zij in het weekend naar haar huis kan terugkeren, omdat dit een vereiste is om te kunnen worden opgenomen. Indien geen sprake is van een stabiele thuislocatie loopt verzoekster het risico dat haar kinderen uit huis worden geplaatst, aldus verzoekster.

2.2.

Verweerder heeft verweer gevoerd en gesteld dat de situatie van verzoekster en haar kinderen niet bedreigend genoeg is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen. Verzoekster en haar kinderen hebben twee weken op een gezinsopnamelocatie verbleven en verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij en haar kinderen binnenkort voor een periode van zestien weken aldaar zullen verblijven. Volgens verweerder lijkt het erop dat verzoekster de huurovereenkomst is aangegaan terwijl zij wist, althans kon weten, dat zij deze overeenkomst niet zou kunnen nakomen. Reeds na drie maanden na het betrekken van de woning door verzoekster is het mis gegaan. Daar komt bij dat verzoekster geen medewerking heeft verleend aan het schuldhulptraject dat medio 2013 is gestart. Inmiddels wordt al maandenlang helemaal geen huur betaald, hetgeen er volgens verweerder op duidt dat verzoekster de onderliggende problemen niet onder controle heeft. Er is nog geen begin gemaakt met het minnelijk traject. Voorts zijn er geen stukken voorhanden waaruit blijkt dat verzoekster een uitkering zal worden toegekend dan wel dat haar een voorschot zal worden verstrekt. Daardoor is het allerminst zeker dat verzoekster de lopende verplichtingen zal kunnen nakomen. Voorts kan van een persoon die afhankelijk is van een WWB-uitkering niet worden verwacht dat forse betalingen kunnen worden gedaan. Gelet op de hele geschiedenis in deze zaak heeft verweerder geen enkel vertrouwen in beloften en beweringen van verzoekster.

3 De beoordeling

3.1.

Vastgesteld wordt dat er sprake is van spoedeisendheid omdat sprake is van een bedreigende situatie als bedoeld in artikel 287b, eerste lid, van de Faillissementswet en de ontruiming is aangezegd tegen 17 april 2014.

3.2.

De vraag die nu voorligt is of de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming dient te worden geschorst. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Sinds september 2013 is verzoekster in gebreke gebleven met het betalen van de maandelijkse huurtermijnen. In deze situatie is geen verbetering opgetreden. Integendeel, in de maanden februari, maart en april 2014 is in het geheel geen huur betaald. Van verzoekster zijn voorts geen stukken ontvangen waaruit blijkt dat de gemeente [x] verzoekster een WWB-uitkering zal verstrekken. Ook is niet uit stukken gebleken dat verzoekster een voorschot op haar uitkering zal worden verstrekt. De mondelinge toezeggingen waar verzoekster zich op beroept, zijn onvoldoende om aan te kunnen nemen dat verzoekster daadwerkelijk een uitkering dan wel een voorschot zal worden verstrekt. Van een stabilisatie van de financiële situatie van verzoekster is dan ook (nog) geen sprake. Het is daardoor ook onvoldoende aannemelijk dat (spoedig) een minnelijk traject zal kunnen worden gestart. In deze overweging wordt meegenomen dat in het verleden meerdere uitkeringsaanvragen van verzoekster zijn afgewezen wegens het niet verstrekken van de juiste stukken. Voorts weegt ook mee dat een in 2013 gestart minnelijk traject schuldhulpverlening door verzoekster werd afgebroken.

Op dit moment is het onvoldoende aannemelijk dat verzoekster de lopende en de komende huurtermijnen tijdig zal kunnen voldoen. Daarmee is de betalingsverplichting jegens verweerder niet gewaarborgd.

3.3.

Gelet op het vorenstaande geldt dat het belang van verweerder zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. Van verweerder kan niet worden verlangd dat hij zonder enige vorm van zekerheid de huur laat doorlopen met het risico dat de vordering nog verder oploopt. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. van Nijen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 16 april 2014.