Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2622

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
05/780043-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft bekend dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een kind dat hij verzorgde en opvoedde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/780043-13

Uitspraak: 18 april 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum 1],

wonende te [adres]

Raadsvrouw: mr. W. Hekkelman, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 april 2014.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 12 december 2011

tot en met 30 december 2012 te Gaanderen, gemeente Doetinchem, in ieder geval

in Nederland,

met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2]),

van wie hij, verdachte, wist zij leed aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling

of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens ([slachtoffer] lijdt aan het Dorsall

Midbrain Syndoom, zij heeft een ernstige verstandelijke beperking en een

geschat SON-RIQ van 33) dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil

daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van haar

borsten en/of haar vagina en/of het likken aan haar borsten, en/of het in zijn mond
nemen van haar tepels en/of zuigen aan haar tepels,

terwijl die [slachtoffer] minderjarig was en aan de zorg en/of waakzaamheid van

verdachte was toevertrouwd;

art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 247 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 12 december 2011

tot en met 30 december 2012 te Gaanderen, gemeente Doetinchem, in ieder geval

in Nederland,

met de minderjarige [slachtoffer], geboortedatum [geboortedatum 2],

ontucht heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van haar borsten en/of haar

vagina en/of het likken aan haar borsten,

terwijl die [slachtoffer] aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was

toevertrouwd.

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

In de tenlastelegging zijn onder het primair tenlastegelegde de woorden “buiten echt” weggevallen. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke omissie.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten

Op 21 januari 2013 heeft[gezinsvoogd], gezinsvoogd, aangifte gedaan van een zedenmisdrijf gepleegd op 30 december 2012 bij [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2]2.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij de borsten van [slachtoffer] en haar vagina heeft aangeraakt en dat hij haar borsten heeft gekust3. Het is (tenminste) twee keer op de slaapkamer van [slachtoffer] en een keer op de bank in de huiskamer aan de [adres] gebeurd. Daarnaast heeft hij haar borsten wel eens aangeraakt als hij met haar in de keuken was en zij om een knuffel vroeg of vlak bij hem stond. Verdachte heeft ook de tepels van [slachtoffer] een keer in zijn mond genomen en erop gezogen4. Het betasten van de borsten is eind 2011 begonnen5. Volgens verdachte was hij gevoelsmatig de papa van [slachtoffer]6. Hij voelde zich voor haar verantwoordelijk en hielp bij haar verzorging.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Ter terechtzitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe betoogd dat niet kan worden bewezen dat [slachtoffer] wilsonbekwaam was.

Beoordeling door de rechtbank

Uit het Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling, vastgesteld op 30 augustus 20127, komt naar voren dat [slachtoffer] het Dorsall Midbrain Syndroom heeft8. Verder heeft ze een ernstige verstandelijke handicap, een achterstand in spraak-/taalontwikkeling en een achterstand in de motorische ontwikkeling. In april 2005 is [slachtoffer] psychologisch getest, waarbij het SON-RIQ werd geschat op 33.

[slachtoffer] heeft gezien haar verstandelijke beperkingen baat bij een warme, veilige en gestructureerde woonomgeving9. Ze is niet zelfstandig in staat in te schatten en aan te geven wat zij nodig heeft. Uit het Plan van Aanpak komt verder naar voren dat [slachtoffer] destijds een meisje van 16 jaar was maar emotioneel functioneert als een meisje in de leeftijd van 4/5 jaar10. Ze is door haar beperkingen een zeer kwetsbaar meisje en erg beïnvloedbaar.

Verdachte heeft over [slachtoffer] verklaard dat zij een meervoudige beperking had11. Het was moeilijk met haar te praten, haar te verstaan en te begrijpen. Ze volgde ook speciaal onderwijs. Ze heeft volgens hem een IQ van 56 of 65, ze kon niet lezen of schrijven en zal dat waarschijnlijk ook nooit leren. [slachtoffer] had hulp nodig bij haar persoonlijke verzorging, soms bij het aan- en uitkleden. Als ze naar school ging moesten verdachte en de moeder van [slachtoffer] brood voor haar smeren en haar zwemspullen klaarleggen. Ze kon zelfstandig televisie kijken, muziek luisteren en de televisie op haar kamer bedienen. Veel meer kon ze niet. Volgens verdachte probeerde hij haar karweitjes te laten doen die binnen haar vermogen lagen, zoals water geven aan de konijnen12. Verdachte heeft verder verklaard dat [slachtoffer] het Dorsall Midbrain Syndroom heeft13.

De rechtbank overweegt dat uit het Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling blijkt dat bij [slachtoffer] sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Uit verdachtes verklaring komt naar voren dat hij hiervan op de hoogte was. Hij wist dat [slachtoffer] meervoudig beperkt was en dat haar denkniveau en functioneren niet overeenkwamen met haar daadwerkelijke leeftijd.

In het verslag van het studioverhoor van [slachtoffer]14 leest de rechtbank dat het initiatief voor de ontuchtige handelingen van verdachte kwam. Meerdere keren geeft [slachtoffer] aan dat zij de handelingen van verdachte niet prettig vindt doordat zij stop zegt, waarna verdachte daarmee soms stopt. Ook leest de rechtbank dat [slachtoffer] aangeeft dat de zoon van verdachte iets niet mag zien.

In het proces-verbaal van verhoor van verdachte15 leest de rechtbank dat hij situaties waarin er contact of nabijheid was tussen [slachtoffer] en hem heeft gebruikt om voormelde ontuchtige handelingen met [slachtoffer] te plegen en dat hij degene was die daartoe het initiatief nam. Ook was het verdachte die kledingstukken verwijderde of [slachtoffer] vroeg dat te doen. Verdachte geeft voor één situatie 16 aan dat hij stopte toen [slachtoffer] aangaf dat zij het niet fijn vond. Hij gist dat hij op 30 december 2012 gestopt is omdat [slachtoffer] een onverwachte beweging maakte of omdat hij beneden iets hoorde.

De rechtbank leest in voormelde processen-verbaal ook dat er sprake is van een patroon van herhaald misbruik. Verdachte pleegt telkens opnieuw ontuchtige handelingen met [slachtoffer], ondanks dat ze soms ‘stop’ zegt.

Uit beide processen-verbaal komt ook het beeld naar voren dat [slachtoffer] ‘het laat gebeuren’. Dat beeld past bij hetgeen over haar blijkt uit voormeld Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling.

Derhalve ontleent de rechtbank wettig en overtuigend bewijs aan voormelde bewijsmiddelen dat [slachtoffer] ten gevolge van haar gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens niet, of onvolkomen, in staat was haar wil omtrent de ontuchtige handelingen te bepalen of (voldoende) kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.

De rechtbank acht gelet hierop het primair ten laste gelegde bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 12 december 2011 tot en met 30 december 2012 te Gaanderen, gemeente Doetinchem, met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 2]), van wie hij, verdachte, wist dat zij leed aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens ([slachtoffer] lijdt aan het Dorsall

Midbrain Syndroom, zij heeft een ernstige verstandelijke beperking en een geschat SON-RIQ van 33) dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van haar borsten en haar vagina en het likken aan haar borsten, en het in zijn mond nemen van haar tepels en zuigen aan haar tepels, terwijl die [slachtoffer] minderjarig was en aan de zorg en waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Met iemand van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Volgens de officier van justitie dienen als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting bij een forensische ambulante polikliniek te worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft een deels voorwaardelijke werkstraf bepleit met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de officier van justitie. De raadsvrouw heeft in dit verband betoogd dat de zoons van verdachte bij hem wonen en zullen moeten verhuizen indien aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd, terwijl die zoons ook gezien hun leeftijd en gezondheidstoestand van verdachte afhankelijk zijn. Ze heeft verder betoogd dat verdachte gemotiveerd is voor een behandeling.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft ontucht gepleegd met een jonge, nog minderjarige vrouw van wie hij wist dat ze leed aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Kwalijk is ook dat het een minderjarige betrof die aan verdachtes zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Verdachte, die een relatie had met de moeder van het slachtoffer, gedroeg zich als vader en werd door het slachtoffer ook ‘papa’ genoemd. Gelet op het niveau waarop het slachtoffer functioneerde kan het niet anders zijn dan dat verdachte de handelingen verrichtte om zijn eigen seksuele lusten te bevredigen. Hij heeft hiermee het vertrouwen van het slachtoffer en ook het vertrouwen van haar moeder ernstig beschaamd en een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer verkeerde vanwege haar verstandelijke beperking in een kwetsbare positie en was niet in afdoende mate in staat om aan het handelen van verdachte weerstand te bieden.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] die ter terechtzitting is voorgelezen door mevrouw [betrokkene] van Slachtofferhulp Nederland.

De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

De rechtbank zal alles afwegend een gevangenisstraf opleggen van 180 dagen. Teneinde te voorkomen dat verdachte opnieuw een dergelijk strafbaar feit begaat zal de rechtbank hiervan 179 dagen voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank zal hieraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 2 april 2014. Verder ziet de rechtbank aanleiding om een taakstraf op te leggen, die gezien de ernst van het strafbare feit van aanzienlijke duur moet zijn. De rechtbank zal daarom een werkstraf opleggen van 240 uren.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] (gemachtigde mr. L. van Sommeren) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.110,33, te vermeerderen met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde. Van dit bedrag ziet € 1.500,- op een voorschot op immateriële schadevergoeding en € 3.610,33 op vergoeding van materiële schade (reiskosten, parkeer- en telefoonkosten, verhuiskosten en opslagkosten).

De officier van justitie acht een bedrag van € 1.000,- voor immateriële schade toewijsbaar. Ten aanzien van de materiële schade heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw van verdachte heeft de vordering betwist en verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Ten aanzien van de reiskosten, de verhuiskosten en de opslagkosten heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het causaal verband niet is gebleken, dan wel ontbreekt. Met betrekking tot de immateriële schade meent zij dat de problematiek rondom het slachtoffer niet volledig aan het handelen van verdachte is te wijten. Ook voordat het strafbare feit werd gepleegd, ging het niet goed met het slachtoffer. Voor zover de rechtbank daar anders over denkt, verzoekt de raadsvrouw het toe te wijzen bedrag te matigen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 1.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2012 voor immateriële schade redelijk en billijk. Daarnaast zal zij een bedrag van € 90,24 toewijzen voor reiskosten (naar de advocate, het gesprek bij de officier van justitie en bezoek aan de rechtbank), € 25,- voor telefoonkosten en € 25,- voor parkeerkosten, in totaal derhalve € 140,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2014 voor de gevorderde materiële schade. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Voor het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering nu verdachte heeft betwist dat sprake is van causaal verband tussen het door verdachte gepleegde feit en de gevorderde schade en de rechtbank dat verband niet eenvoudig kan vaststellen.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens zal de rechtbank daarbij aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemde benadeelde partij, waarbij de rechtbank aansluit bij de hiervoor genoemde bedragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f, 57, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:


met iemand van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 179 (honderdnegenenzeventig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde vóór het einde van een proeftijd van 3 jaren de navolgende algemene- dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de reclassering te Zutphen, Houtwal 16d (telefoonnummer 0575 582744);

  • -

    zich daarna blijft melden zo frequent en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    zich ambulant laat behandelen bij een forensische polikliniek, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:
    een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], tot een bedrag van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2012 en tot een bedrag van € 140,24 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2014, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2012 en van een bedrag van € 140,24 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2014, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 26 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Bijl, voorzitter, Ouweneel en Spoor, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 april 2014.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0640 2013002588, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, team Recherche Achterhoek, gesloten en ondertekend op 7 juli 2013.

2 Proces-verbaal aan aangifte door[gezinsvoogd], p. 33-34.

3 Proces-verbaal van de terechtzitting van 4 april 2014.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 99.

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p. 96.

6 Proces-verbaal van de terechtzitting van 4 april 2014.

7 Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling, p. 46.

8 Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling, p. 47.

9 Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling, p. 52.

10 Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling, p. 50.

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p. 88.

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p. 89.

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p. 90.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 59-71, o.a. pagina 66 en 67.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 92-103, o.a. pagina 95.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 100.