Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2578

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
05/842175-13, 05/820270-14 en 05/840258-13 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van heling van grote hoeveelheid sieraden veroordeeld tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken

Promis II

Parketnummer : 05/842175-13, 05/820270-14 en 05/840258-13 (TUL)

Datum zitting : 01 april 2014

Datum uitspraak: 15 april 2014

TEGENSPRAAK

In de zaken van

de officier van justitie

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]1997 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsvrouw: mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging in de zaak met parketnummer 05/842175-13, tenlastegelegd dat:

in de zaak met parketnummer 05/820270-14

hij op of omstreeks 08 november 2013,

in de gemeente Ede,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een bromfiets (merk Piaggo, type Zip), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 08 november 2013,

in de gemeente Ede,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk een bromfiets (merk Piaggo, type Zip), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft

weggemaakt door die bromfiets heeft weggesleept en/althans door die bromfiets

voor de rechthebbende onbekende plaats heeft achtergelaten;

in de zaak met parketnummer 05/842175-13

1.

hij op of omstreeks 24 december 2013, in de gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, om met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan

het [adres 2]) heeft weggenomen een (blad)gouden broche (eikenblad) en/of

een gouden ketting en/of een gouden hanger (met parel) en/of een (of meer)

ander(en) siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan een persoon genaamd [aangever 2], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december

2013 tot en met 27 december 2013,

in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen,

een gouden broche (eikenblad) en/of een gouden ketting en/of een gouden

hanger (met parel) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voornoemde (gouden) siera(a)d(en) (al dan niet

buitgemaakt bij een woninginbraak aan het [adres 2]), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 23 december 2013, in de gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, om met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan

het [adres 3]) heeft weggenomen een (gouden) horloge en/of een (of meer)

gouden siera(a)d(en) en/of een (of meer) ander(en) siera(a)d(en) en/of een

trommel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een

persoon genaamd[aangever 3] en/of "[stichting]", in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 december 2013, althans in of omstreeks de periode van

23 december 2013 tot en met 27 december 2013,

in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, een

(gouden) horloge en/of een (of meer) gouden siera(a)d(en) en/of een (of meer)

ander(en) siera(a)d(en) en/of een trommel (met inhoud) heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goed(eren) (al dan niet

buitgemaakt bij een woninginbraak aan het [adres 3]) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 december

2013 tot en met 27 december 2013, in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, op

verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) diverse gouden

en/of zilveren siera(a)d(en) en/of een (of meer) (gouden) horloge(s) en/of een

(of meer) armband(en) (anders bedoeld als bij feit 1 en feit 2 op de

dagvaarding genoemd) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voornoemde siera(a)d(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij op of omstreeks 5 maart 2013, althans in of omstreeks de periode van 1

maart 2013 tot en met 5 maart 2013, in de gemeente Ede, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een scooter (met kenteken[kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 5 maart 2013, althans in of omstreeks de periode van 1

maart 2013 tot en met 5 maart 2013,

in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland,

een scooter (met kenteken[kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voornoemde scooter wist dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof.

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 05/840528-13).

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaken zijn op 1 april 2014 ter terechtzitting met gesloten deuren onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

Ter terechtzitting van 1 april 2014 zijn de zaken van de officier van justitie, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

De officier van justitie, mr. M. Zwartjes, heeft ter terechtzitting van 1 april 2014 haar eis geformuleerd.

De raadsvrouw en verdachte hebben ter terechtzitting van 1 april 2014 het woord ter verdediging gevoerd.

Als benadeelde partij heeft zich in de zaak met parketnummer 05/842175-13, feit 2, schriftelijk in het geding gevoegd:

[gemachtigde] als gemachtigde van[stichting].

3. De beslissing inzake het bewijs1

In de zaak met parketnummer 05/820270-14

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

In de zaak met parketnummer 05/842175-13

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 21 tot en met 25 december 2013 is in de gemeente Ede uit woningen gelegen aan respectievelijk [adres 5], [adres 3], [adres 2], [adres 6] en [adres 7] onder meer een hoeveelheid sieraden weggenomen, toebehorende aan achtereenvolgens[aangever 5]2,[aangever 3]3, [aangever 2]4, [aangever 6] en/of [aangever 7]5 en[aangever 8]6.

Verdachte is op 24 december 2013 en op 27 december 2013 omstreeks 17.00 uur met anderen bij de juwelierswinkel ‘[juwelier],7 te Ede geweest. Op 27 december 2013 heeft verdachte aldaar een hoeveelheid sieraden ingeleverd.8 Deze sieraden zijn door verbalisanten in beslag genomen.9 Een aantal van deze sieraden wordt door voornoemde aangevers herkend als zijnde hun eigendom en weggenomen bij de woninginbraken.10

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde woninginbraken, maar wel dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan heling zoals onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 is tenlastegelegd. Volgens de officier van justitie moet verdachte hebben geweten dat de sieraden die hij en zijn medeverdachten hebben aangeboden bij de opkoper van misdrijf afkomstig zijn geweest, waardoor sprake is van opzetheling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich geschaard achter de conclusie van de officier van justitie dat de primair tenlastegelegde woningbraken niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van de tenlastegelegde heling heeft zij opgemerkt dat het politieonderzoek haars inziens onvolledig en onnauwkeurig is geweest. Zo heeft de politie nagelaten om nauwkeurig te verbaliseren en fotograferen hoe en waar zij de sieraden hebben aangetroffen bij de juwelier. Nu ook de juwelier geen (volledige) administratie heeft bijgehouden, kan niet worden vastgesteld wie op 24 en 27 december 2013 welke sieraden heeft aangeboden en ingeleverd. Voorts is op de beelden van de beveiligingscamera waar te nemen dat verdachte een passievere rol heeft dan zijn medeverdachte(n) en dat het lijkt alsof verdachte de sieraden voor het eerst ziet. Alles overziend is de raadsvrouw van mening dat ook de tenlastegelegde feiten ter zake heling niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde bewezen te verklaren en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Algemeen

Ten aanzien van de onder 1 subsidair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde feiten overweegt de rechtbank als volgt. Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij op 24 december 2013 en op 27 december 2013 met medeverdachte [medeverdachte 1] bij de juwelierswinkel ‘[juwelier]’ te Ede is geweest. Daarbij zijn door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) sieraden overgedragen aan de juwelier.11 Verbalisanten concluderen aan de hand van bewakingsbeelden binnen in de winkel dat één van de medeverdachten eerder op die 27e december 2013 bij deze juwelier is geweest om sieraden in te leveren.12 Deze medeverdachte betreft blijkens het dossier [medeverdachte 1]. Nu medeverdachte [medeverdachte 1] drie keer bij de juwelier is geweest om sieraden in te leveren en verdachte daar twee keer bij is geweest en daarnaast de juwelier geen gedegen administratie heeft bijgehouden, kan de rechtbank niet alle ingeleverde en in beslag genomen sieraden aan verdachte toedichten. Dit leidt tot het volgende oordeel.

Feit 1 subsidiair

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Wanneer verdachte met zijn medeverdachten op 27 december 2013 sieraden bij de opkoper hebben ingeleverd, komen op verzoek van twee toezichthouders na enige tijd verbalisanten ter plaatse.13 Eén van de verbalisanten zag: “(…) op de plaats waar [medeverdachte 1] had gezeten (…) dat op de zitting van deze stoel in de naad van het zitvlak en de rugleuning een 8 stuks gouden sieraden verstopt zaten.”14

Bij nader onderzoek naar het leggen van relaties tussen de in beslag genomen goederen uit de juwelierswinkel [juwelier] en goederen die bij een inbraak in een woning, gelegen aan de [adres 2] te Ede, zijn weggenomen wordt het volgende vastgesteld: “De goederen bestonden onder andere uit de volgende goederen:

- Gouden speld in de vorm van een eikenblad. Deze gouden speld is aangetroffen in de zitting van de stoel in bovengenoemde juwelier (…). (…) contact opgenomen met van [aangever 2a], woonachtig op de [adres 2] te Ede. (…) De gouden speld (…) werd[en] door aangever van [aangever 2a] herkend alszijnde (…) weggenomen (…) bij de inbraak in haar woning.”15

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat in ieder geval de sieraden die op 27 december 2013 door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn ingeleverd, afkomstig zijn geweest van diefstal uit de woning gelegen aan [adres 2] te Ede.

Feit 2 subsidiair

Zoals hiervoor is overwogen, kan de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen achten dat verdachte betrokken is geweest bij het inleveren van alle in beslag genomen sieraden. Nu het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat dat de sieraden die bij de diefstal uit de woning aan de [adres 3] te Ede zijn weggenomen, in het bijzijn van verdachte zijn ingeleverd, zal de rechtbank verdachte voor het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde vrijspreken. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat de opkoper verklaart over de slavenarmband – die uit de woning aan de [adres 3] is weggenomen – dat deze bij het eerste bezoek van medeverdachte [medeverdachte 1] op 27 december 2013 is ingeleverd. Zoals hiervoor reeds vastgesteld, was verdachte daar niet bij aanwezig.

Feit 3

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft op de beelden van de beveiligingscamera in de winkel van de opkoper waargenomen dat verdachte en zijn medeverdachte(n) op 24 december 2013 en op 27 december 2013 een forse hoeveelheid sieraden hebben ingeleverd.16 Deze hoeveelheid sieraden overtreft in ruime mate de hoeveelheid sieraden die de aangevers [aangever 2] en[aangever 3] hebben gemeld naar aanleiding van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zijnde respectievelijk 9 stuks17 en 11 stuks18. Gelet op de onder de vaststaande feiten opgenomen aangiftes en de herkenning van de inbeslaggenomen sieraden door de aangevers, stelt de rechtbank vast dat deze sieraden van woninginbraak afkomstig zijn geweest. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat verdachte, overeenkomstig het onder feit 1 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde, goederen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen die van misdrijf afkomstig waren. Ter beoordeling is thans de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de sieraden van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verdachte heeft op 24 december 2013 met een medeverdachte een forse hoeveelheid sieraden ingeleverd, die niet passend is bij de leeftijd van verdachte en zijn medeverdachte. Daarbij komt dat verdachte tegenover verbalisanten opmerkt dat hij zijn vrienden niet vertrouwt.19 Desalniettemin heeft verdachte nagelaten onderzoek te doen naar de herkomst van de sieraden op het moment dat hij deze inlevert bij de opkoper. Enkele dagen later komt verdachte opnieuw met zijn medeverdachte en een derde persoon een aanzienlijke hoeveelheid sieraden inleveren bij dezelfde opkoper. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte wist dat de sieraden van misdrijf afkomstig zijn geweest.

Ten aanzien van feit 4

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde opzetheling, nu hij met de scooter is herkend door een getuige en op de telefoon van verdachte een foto wordt aangetroffen van de bewuste -gestolen- scooter met als specifiek kenmerk een aantal vlekken op de overkapping van de scooter.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte is met de officier van justitie van mening dat de primair tenlastegelegde diefstal niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat verdachte hiervoor behoort te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het subsidiaire concludeert de verdediging eveneens tot vrijspraak. De raadsvrouw van verdachte stelt dat, nu geen toestemming is verleend om in de telefoon van verdachte te kijken, sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Dit leidt tot bewijsuitsluiting van de foto die op de telefoon van verdachte zou staan. Daarnaast is het proces-verbaal van bevindingen zodanig slordig in de datering, dat ook dit niet kan bijdragen aan het bewijs. Ten slotte merkt de raadsvrouw van verdachte op dat op de beelden waarop verdachte te zien zou zijn op de gestolen scooter geen kenteken van de scooter te zien is, waardoor niet met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat verdachte op die bewuste gestolen scooter heeft gereden. Op grond van het voorgaande concludeert de verdediging tot vrijspraak van het tenlastegelegde.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat verdachte de onder primair tenlastegelegde diefstal heeft gepleegd.

Met betrekking tot de subsidiair tenlastegelegde heling overweegt de rechtbank als volgt. Op 5 maart 2013 wordt tussen 9.00 uur en 12.00 uur de scooter van het merk Peugeot, type Vivacity, van aangeefster [aangever 4] gestolen. Deze scooter wordt op 5 maart 2013 aangetroffen in een vijver in Ede. Verbalisanten hoorden meldster verklaren dat zij een jongen met rood/oranje haar bij de waterkant zag staan, die door haar buurmeisje “[verdachte]” werd genoemd. Vervolgens zag zij een scooter in het water liggen, maar weet zij niet of deze [verdachte] de scooter uit het water trachtte te halen of juist verder het water in probeerde te werken. Verbalisanten doen vervolgens aan de hand van camerabeelden onderzoek of kan worden vastgesteld wie de scooter in de vijver heeft gegooid. Op de beelden, waarvan de rechtbank begrijpt dat die op 11 februari 2014 zijn bekeken en niet op 11 februari 2013 zoals door de verdediging opgemerkt, zien verbalisanten diverse bestuurders rijden van wie 1 persoon wordt herkend als zijnde verdachte [verdachte]. Uit voorgaande bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte, op het moment dat hij de scooter voorhanden kreeg, wist dat de scooter van misdrijf afkomstig was. Hierbij laat de rechtbank zich niet uit over de al dan niet rechtmatig verkregen wijze van de foto door de politie, nu dit niets afdoet aan voorgaande conclusie. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

in de zaak met parketnummer 05/842175-13

1.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december

2013 tot en met 27 december 2013,

in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen,

een gouden broche (eikenblad) en/of een gouden ketting en/of een gouden

hanger (met parel) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voornoemde (gouden) siera(a)d(en) (al dan niet

buitgemaakt bij een woninginbraak aan het [adres 2]), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 december

2013 tot en met 27 december 2013, in de gemeente Ede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, op

verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) diverse gouden

en/of zilveren siera(a)d(en) en/of een (of meer) (gouden) horloge(s) en/of een

(of meer) armband(en) (anders bedoeld als bij feit 1 en feit 2 op de

dagvaarding genoemd) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van voornoemde siera(a)d(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betroffen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 05/842175-13, ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 3:

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan verdachte ter zake het door haar bewezenverklaarde wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 70 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte dient mee te werken aan ITB Harde Kern, Nieuwe Perspectieven, FFT voor zover het aandeel van verdachte daarbij en een contactverbod ter zake zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie.

De raadsvrouw van verdachte heeft, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht te volstaan met een straf die gelijk is aan het voorarrest.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling, gepleegd op diverse tijdstippen. Door zijn handelen draagt verdachte bij aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen en stimuleert hij op die manier het criminele circuit. Verdachte moest beseffen dat sieraden vaak emotionele waarde hebben voor slachtoffers die voor hen niet in waarde is uit te drukken, maar voor verdachte slechts een relatief geringe opbrengst oplevert. Verdachte is hier te gemakkelijk aan voorbijgegaan, hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

  • -

    het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte, gedateerd 6 maart 2014;

  • -

    het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 maart 2014.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 maart 2014 volgt dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld.

De Raad concludeert in zijn rapport van 26 maart 2014 dat bij verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en een hoog dynamisch risicoprofiel. Hoewel middels hulpverlening en straf al veel is ingezet om het recidiverisico te verminderen, was het resultaat te gering. De Raad adviseert om – bij bewezenverklaring – verdachte op te leggen een straf die gelijk is aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering, in eerste instantie in het kader van ITB Harde Kern, ook als dat betekent begeleiding via het Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer-traject in combinatie met een systeeminterventie.

Ter terechtzitting heeft de zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming aan de rapportage toegevoegd dat sinds ITB Harde Kern en Nieuwe Perspectieven zijn ingezet, verdachte een positieve stap heeft gezet, maar dat deze nog pril is. De Raad acht het van belang dat deze trajecten middels bijzondere voorwaarden worden voortgezet.

De heer Van Geels van de William Schrikker Jeugdbescherming onderschrijft ter terechtzitting de indruk van de Raad dat verdachte een positieve ontwikkeling doormaakt, mede door de ingezette trajecten. Ook de ouders werken goed mee aan de hulpverlening. Inmiddels is ook vanuit de gemeente Ede het nodige opgestart om verdachte aan een stageplek en aan lidmaatschap van een[vereniging] te helpen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak in aanmerking komt een deels voorwaardelijke jeugddetentie waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De voorwaardelijke straf die zal worden opgelegd, dient als waarschuwing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden. De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals is gebleken uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting, aanleiding om aan de voorwaardelijke jeugddetentie de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering, ook als dat mocht inhouden dat verdachte meewerkt aan de trajecten van ITB Harde Kern, Nieuwe Perspectieven en een systeeminterventie.

Aangezien de rechtbank verdachte van meer feiten vrijspreekt dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank niet naast de deels voorwaardelijke jeugddetentie ook nog een werkstraf opleggen.

Gelet op de duur van de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis zal de rechtbank het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

6a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 05/840528-13 heeft de officier van justitie gevorderd de proeftijd met één jaar te verlengen en voorts de bijzondere voorwaarden te wijzigen door deze gelijk te stellen aan de hoofdzaak. Dit met het oog op het door de vader van verdachte al van tevoren aangegeven in te stellen hoger beroep bij een veroordeling door de rechtbank in de hoofdzaak, zodat de ingezette hulpverlening aan verdachte niet zal stagneren.

De verdediging heeft in de hoofdzaak vrijspraak bepleit en concludeert dan ook tot afwijzing van de vordering. Voor zover de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging te volstaan met verlenging van de proeftijd.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie op zichzelf genomen juist. Ter terechtzitting is namens de Raad en de William Schrikker Jeugdbescherming opgemerkt dat een tenuitvoerlegging de positieve lijn zou doorkruisen, hetgeen een onwenselijke situatie is. Op grond hiervan en ter waarborg dat de in te zetten hulpverlening zal worden voortgezet, zal de rechtbank overeenkomstig het voorstel van de officier van justitie de proeftijd verlengen en daarbij de bijzondere voorwaarden aanpassen, in die zin dat zij gelijk luiden aan de voorwaarden die in de hoofdzaak worden opgelegd.

6b. De beoordeling van de civiele vordering

In de zaak met parketnummer 05/842175-13, feit 2:

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade, zijnde €205,63 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering nu de schade niet in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

De rechtbank stelt vast dat de vordering betrekking heeft op feit 2 van de zaak met parketnummer 05/842175-13. Nu verdachte voor dat feit integraal wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 47, 77a, 77g, 77h,77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77ee, 77gg en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de zaak met parketnummer 05/820270-14 en het in de zaak met parketnummer 05/842175-13 onder feit 1 primair, feit 2 primair en subsidiair en feit 4 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05/842175-13 onder feit 1 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 70 (zeventig) dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie 27 (zevenentwintig) dagen niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van 2 (twee) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de Jeugdreclassering van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland zullen worden gegeven, ook als dit zal inhouden deelnemen aan/het volgen van ITB Harde Kern en /of begeleiding via het Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer-traject en/of FFT voor zover dit het aandeel van verdachte in deze systeemtherapie betreft, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, die namens de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland de maatregel Hulp en Steun over verdachte uitvoert.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het -inmiddels geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling (05/8420528-13)

Verlengt de proeftijd met de duur van één jaar.



Wijzigt de bijzondere voorwaarden in die zin dat:
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de Jeugdreclassering van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland zullen worden gegeven, ook als dit zal inhouden deelnemen aan/het volgen van ITB Harde Kern en/of begeleiding via het Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer-traject en/of FFT voor zover dit het aandeel van verdachte in deze systeemtherapie betreft, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, die namens de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland de maatregel Hulp en Steun over verdachte uitvoert.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij[gemachtigde] als gemachtigde van[stichting] in de zaak met parketnummer 05/842175-13, feit 2

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. R.M.H. Pennings, kinderrechter, als voorzitter,

mr. C.G. Peper, kinderrechter,

mr. W. Bruins, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.W. Lambregts, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 april 2014.

1 De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op:in de zaak met parketnummer 05/842175-13- de feiten en omstandigheden die zijn vervat in het in wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Midden opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL074H-2014019359z, gesloten op 19 februari 2014 met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier.

2 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van[aangever 5] d.d. 23 december 2013, p. 189 e.v.

3 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van[aangever 3] d.d. 24 december 2013, p. 44 e.v.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] d.d. 25 december 2013, p. 146 e.v.

5 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van [aangever 7a] mede namens [aangever 7] d.d. 25 december 2013, p. 161 e.v.

6 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van[aangever 8] d.d. 25 december 2013, p. 177 e.v.

7 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 3] d.d. 28 december 2013, p. 412 en 413.

8 Een geschrift zijnde een verklaring van de buitengewoon opsporingsambtenaren S. Saliman en M. van Dalen d.d. 27 december 2013, p. 40 e.v. en de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 april 2014.

9 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 december 2013, p. 111 en 112.

10 Het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [aangever 9] d.d. 28 januari 2014, p. 236 en 237; het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [aangever 2] d.d. 28 januari 2014, p. 243 en 244; het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [aangever 6] d.d. 30 december 2013, p. 254 en 255; het proces-verbaal van verhoor van benadeelde[aangever 8] d.d. 29 december 2013, p. 183; het proces-verbaal van verhoor van benadeelde[aangever 5] d.d. 17 januari 2014, p. 198.

11 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 april 2014.

12 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2013, p. 210, 1e en 2e alinea.

13 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 december 2013, p. 108, 3 na laatste alinea.

14 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 december 2013, p. 112; het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 2 januari 2014, p. 362.

15 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2013, p. 142.

16 De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 1 april 2014.

17 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van [aangever 2] d.d. 25 december 2013, p. 149 en 150.

18 Het proces-verbaal van aangifte met bijlage van[aangever 3] d.d. 24 december 2013, p. 46 tot en met 48.

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 3 januari 2014, p. 310, 10e vraag en antwoord tussen verbalisanten en verdachte.