Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2505

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
ZUT 2014/14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

Zaaknummer: ZUT 2014/14

Beslissing van 14 april 2014 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. D. Vergunst,

kantonrechter te Apeldoorn,

hierna te noemen: de rechter.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Verzoeker heeft in verzet willen komen tegen een aan hem uitgevaardigd dwangbevel. Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van
19 februari 2014 heeft de kantonrechter onder meer verzoeker bevolen om op zijn kosten over te gaan tot verbetering van het inleidend processtuk. Voorts heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rolzitting van woensdag 19 maart 2014 bij de Rechtbank Gelderland, Team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen. De zaak is aanhangig onder zaaknummer 2798657 ZA 14-6.

1.2.

Verzoeker heeft bij brief van 14 maart 2013 (lees: 2014), ontvangen op de griffie van deze rechtbank op 18 maart 2014, een wrakingsverzoek ingediend jegens de rechter.

1.3.

De rechter heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek bij e-mailbericht van 25 maart 2014.

1.4.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van 31 maart 2014. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Verzoeker en de rechter zijn ter zitting verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek, zakelijk samengevat en voor zover hier relevant, het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker is in zijn gerechtelijke procedures binnen het arrondissement Zutphen in het verleden zelden tot nooit in het gelijk gesteld en daarbuiten wel. De rechter is in een eerdere vennootschapsrechtelijke procedure de behandelend rechter geweest. De rechter heeft in die procedure een ongemotiveerd vonnis gewezen in het nadeel van verzoeker en heeft een deskundigenrapport buiten beschouwing gelaten. De rechter heeft verzoeker niet toegelaten tot de regeling inzake de schuldsanering natuurlijke personen. De rechter heeft de hand gehad in de benoeming van de rechter-commissaris in de faillissementsprocedure van verzoeker. De rechter heeft voorts na de opheffing van het faillissement van verzoeker ingestemd met een vergoeding van € 90.000,-- aan de curator. De rechter moet op de hoogte zijn geweest van de malversaties van die curator. De rechter en de rechter-commissaris zijn lid van dezelfde extreme religieuze politieke stroming. Er is/was kennelijk een groepje rechters dat met elkaar in contact staat.

2.2.

Uit het voorgaande kan volgens verzoeker worden afgeleid dat er sprake is van een oneerlijke behandeling en derhalve partijdigheid van de rechter jegens verzoeker. Bij de behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangegeven dat hij de beslissing van de rechter van 19 februari 2014 op zich juist acht.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft niet in de wraking berust en het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken. Volgens de rechter is er geen valide grond voor de wraking. De zaak is door hem slechts verwezen van het kantongerecht naar de rechtbank.

3.2.

Voor zover thans van belang heeft de rechter aangevoerd dat verzoeker hoger beroep had kunnen instellen tegen de destijds kennelijk voor hem ongunstig uitgevallen beslissingen. De beslissingen waar verzoeker op doelt zijn, voor zover de rechter zich herinnert, van 10, mogelijk wel 15 jaar geleden. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat hij geen reden heeft of had om op negatieve wijze te oordelen in de zaken van verzoeker. De rechter-commissaris die destijds in het faillissement van verzoeker door hem is benoemd, is door het gerechtsbestuur aangewezen als zodanig. Aangezien de rechter in die tijd zelf de enige andere rechter-commissaris was op de faillissementsafdeling, was er feitelijk ook geen keuze. De rechter was niet belast met het toezicht op de desbetreffende rechter-commissaris. De rechter betwist dat hij een vergoeding aan de curator heeft toegekend om hem gunstig te stemmen. Aan een dergelijke beslissingen ligt een beredeneerd advies ten grondslag van de rechter-commissaris op basis van een urenspecificatie van de desbetreffende curator.

3.3.

De rechter heeft voorts aangevoerd dat het hem niet bekend is tot welke politieke en/of religieuze gezindte de desbetreffende rechter-commissaris behoort. Verzoeker legt een verband dat er niet is. De rechter rekent zichzelf niet tot een extreme religieuze politieke stroming.

4 De beoordeling door de rechtbank

4.1.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Artikel 37 lid 1 Rv bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoekster bekend zijn geworden.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de feiten en omstandigheden die verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd hem al langere tijd bekend zijn.
De beslissing van de rechter dateert van 19 februari 2014 en is op 20 februari 2014 aan verzoeker verzonden. Verzoeker heeft pas op 18 maart 2014 een wrakingsverzoek naar aanleiding van die feiten en omstandigheden ingediend. Dat is te laat, zodat hij op die grond niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.

4.4.

Ook overigens kan verzoeker niet in het verzoek tot wraking van de rechter worden ontvangen. De bepalingen met betrekking tot wraking zijn er namelijk op gericht te bevorderen dat een ieder die partij is in een gerechtelijke procedure zijn zaak behandeld ziet door een onpartijdige, niet bevooroordeelde rechter. De rechter tegen wie een wrakingsverzoek is gericht en die de zaak niet meer in behandeling heeft, heeft nadien echter geen verdere taak en bevoegdheid meer in de desbetreffende zaak, zodat aan een dergelijk wrakingsverzoek het belang van verzoeker ontbreekt. Het staat vast dat de zaak door de rechter bij beschikking van 19 februari 2014 naar de rolzitting van de rechtbank is verwezen. Daarmee was de behandeling van deze zaak door de rechter ten einde. Of de zaak later aan de rechter zal worden toebedeeld is thans niet bekend. Bovendien is de beschikking van
19 februari 2014 als zodanig niet in geschil. Er is daarom geen sprake van een beslissing die zo onbegrijpelijk is dat deze door vooringenomenheid moet zijn ingegeven. Niet valt in te zien welk belang verzoeker derhalve heeft bij het indienen van een verzoek tot wraking naar aanleiding van die beschikking. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek en dus aan de bespreking van de overige gronden komt de rechtbank daarom niet toe.

4.5.

Gelet op het vorenstaande wordt als volgt beslist.

5 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;

  • -

    bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder kenmerk: 2798657 / AZ 14-6, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. van der Mei, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en P.F.A. Bierbooms, rechters, en uitgesproken op 14 april 2014 in aanwezigheid van

mr. C.J. van der Sloot, griffier.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.