Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2486

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
14-04-2014
Zaaknummer
C/05/255427 / FA RK 13-14513 en C/05/259011 / FA RK 14/507
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag. De vader en de stiefmoeder worden met het gezamenlijk gezag belast. Afweging specifieke omstandigheden in het licht van artikel 1:253t en 1:282 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253t
Burgerlijk Wetboek Boek 1 282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/83
FJR 2014/65.3

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/255427 / FA RK 13-14513 en C/05/259011 / FA RK 14/507

Datum uitspraak: 02 april 2014

beschikking

naar aanleiding van het verzoek van

Ten aanzien van de procedure onder zaaksnummer C/05/255427 / FA RK 13-14513

Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden Nederland (nader te noemen: de Raad),

locatie Utrecht,

tegen

[de moeder] (nader te noemen: moeder),

wonende te Beuningen,

betreffende

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

(nader te noemen: de minderjarige of [de minderjarige]);

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] (nader te noemen: de vader),

en

[de stiefmoeder] (nader te noemen: de stiefmoeder),

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.A.D. Kok te Ermelo,

De Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, (nader te noemen: BJZ)

locatie [vestigingsplaats].

Ten aanzien van de procedure onder zaaksnummer C/05/259011 / FA RK 14/507

[de vader] (nader te noemen: de vader),

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.A.D. Kok te Ermelo,

tegen

[de moeder] (nader te noemen: moeder),

wonende te [woonplaats].

Het verloop van de procedure

Ten aanzien van de procedure onder zaaksnummer C/05/255427 / FA RK 13-14513

Gezien de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift van de Raad, ingekomen ter griffie op 04 december 2013;

- het proces-verbaal van deze rechtbank van de mondelinge behandeling van 12 februari 2014.

Ten aanzien van de procedure onder zaaksnummer C/05/259011 / FA RK 14/507

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 11 februari 2014;

- het proces-verbaal van deze rechtbank van de mondelinge behandeling van 12 februari 2014;

- een bericht, met bijlagen, van mr. M.A.D. Kok d.d. 26 februari 2014.

Gehoord ter zitting van 02 april 2014:

  • -

    de vader;

  • -

    de stiefmoeder;

  • -

    mevrouw D. Wubbels, als zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming regio Gelderland, locatie Arnhem (nader te noemen: de Raad);

  • -

    mevrouw W.L. Alkema, gezinsvoogd namens de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, locatie Ede (nader te noemen: BJZ).

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

[de minderjarige] heeft zijn mening omtrent het verzoek om de moeder te ontheffen van het gezag over hem op 06 januari 2014 aan de kinderrechter kenbaar gemaakt.

Blijkens het proces-verbaal van deze rechtbank van de mondelinge behandeling van 12 februari 2014 is de behandeling van de zaak aangehouden tot 02 april 2014, teneinde de moeder de gelegenheid te geven verweer te voeren inzake het verzoekschrift onder nummer C/05/259011 / FA RK 14/507 en [de minderjarige] in staat te stellen zijn mening/standpunt met betrekking tot het verzoek de stiefmoeder mede met het gezag te belasten te geven.

[de minderjarige] heeft zijn mening omtrent het verzoek om de vader en de stiefmoeder met het gezag te belasten schriftelijk op 26 februari 2014 aan de kinderrechter kenbaar gemaakt.

De feiten

Uit de - inmiddels beëindigde affectieve - relatie tussen de ouders is geboren de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum]2001 te [geboorteplaats].


De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag.

[de minderjarige] is sinds 16 juni 2008 onder toezicht gesteld van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, locatie Nijmegen en is sinds juli 2009 uit huis geplaatst bij de ouder zonder gezag, welke ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 juni 2013 zijn verlengd tot 16 juni 2014.

Het verzoek ten aanzien van C/05/255427 / FA RK 13-14513

De Raad, regio Midden Nederland heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen van het gezag over [de minderjarige], aangezien de moeder ongeschikt of onmachtig is de plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te vervullen en de vader te benoemen tot voogd.

De zittingsvertegenwoordigster van de Raad regio Gelderland, locatie Arnhem heeft ter zitting van 02 april 2014 verklaard dat zij het verzoek overneemt.

Het verzoek ten aanzien van C/05/259011 / FA RK 14/507

De vader heeft verzocht om, wanneer de rechtbank het verzoek tot ontheffing van de Raad ten aanzien van het ouderlijk gezag van de moeder heeft toegewezen:

a. primair de vader gezamenlijk met de stiefmoeder te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige];

althans

subsidiair de vader te belasten met het gezag over [de minderjarige].

Ter zitting heeft de stiefmoeder het primaire verzoek ondersteund.

De beoordeling ten aanzien van C/05/255427 / FA RK 13-14513: de ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen BW) kan de rechtbank, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Ingevolge artikel 1:268, eerste lid, BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 tweede lid en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel –door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging dat [de minderjarige] zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) overweegt de rechtbank dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan.

De Raad heeft op 28 november 2013 gerapporteerd en concludeert hierin het volgende. “(…) Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat moeder ongeschikt en onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te vervullen. [de minderjarige] staat sinds 16 juni 2008 onder toezicht. [de minderjarige] verblijft sinds medio juli 2009 bij vader. [de minderjarige] heeft sinds 2011 alleen nog af en toe telefonisch contact met moeder en moeder is ook niet meer bereid (geweest) om in gesprek te gaan met de gezinsvoogd. Moeder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar mening te geven tijdens het raadsonderzoek waardoor niet duidelijk is geworden waarom zij niet meewerkt aan contactherstel tussen haar en [de minderjarige]. Ook is het niet duidelijk geworden hoe het met moeder gaat en wat haar mogelijkheden en belemmingen zijn met betrekking tot [de minderjarige]. (…) De Raad acht het in het belang van [de minderjarige] dat vader met het ouderlijk gezag wordt belast. Vader zorgt al viereneenhalf jaar voor [de minderjarige] en draagt hiervoor de volledige verantwoordelijkheid. Sinds [de minderjarige] bij vader (en zijn partner) verblijft is er veel hulp ingezet en heeft [de minderjarige] een positieve ontwikkeling doorgemaakt in zijn gedrag. Het is van belang dat deze ontwikkeling zich voortzet en dat [de minderjarige] duidelijkheid en zekerheid krijgt over de continuïteit van zijn verblijf bij vader en de verantwoordelijkheid die vader over hem heeft door middel van het ouderlijk gezag. (…) Inhoudelijk gezien zou de Raad zich kunnen vinden in gezamenlijk ouderlijk gezag van vader en stiefmoeder, aangezien het [de minderjarige] meer duidelijkheid zou geven omtrent zijn opvoedsituatie.”

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende is komen vast te staan dat de moeder onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding ten aanzien van [de minderjarige] te vervullen. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing was er sprake van veelvuldig ongeoorloofd schoolverzuim en ziekteverzuim door [de minderjarige]. Er is bij [de minderjarige] sprake van een bedreiging in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en van gedragsproblematiek. De moeder is onvoldoende bij machte geweest om [de minderjarige] de structuur te bieden die hij nodig heeft. [de minderjarige] staat sinds 16 juni 2008 onder toezicht. Gedurende de ondertoezichtstelling is er onvoldoende samenwerking met de hulpverlening tot stand gekomen. [de minderjarige] heeft sinds 2011 alleen nog af en toe telefonisch contact met de moeder. Aangezien de moeder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid haar mening te geven tijdens het raadsonderzoek en niet op de zittingen van 12 februari 2014 en 02 april 2014 is verschenen, is niet duidelijk geworden hoe het met de moeder gaat en wat haar mogelijkheden en belemmingen zijn met betrekking tot [de minderjarige]. Door haar houding en handelen is de moeder onbetrouwbaar gebleken voor [de minderjarige]. Vanwege haar afwezigheid kan de moeder [de minderjarige] niet bieden wat hij nodig heeft. De getroffen maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldoende om de dreiging dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, af te wenden. Er is geen perspectief op terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Blijkens het rapport van de Raad en de informatie van de gezinsvoogd heeft [de minderjarige] behoefte aan duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief.

De vader en de stiefmoeder zorgen al viereneenhalf jaar voor [de minderjarige] en dragen hiervoor de volledige verantwoordelijkheid. Sinds [de minderjarige] in het gezin van de vader verblijft, is er veel hulp ingezet en heeft [de minderjarige] een positieve ontwikkeling doorgemaakt in zijn gedrag. De rechtbank onderschrijft het belang dat deze ontwikkeling zich voortzet en dat [de minderjarige] duidelijkheid en zekerheid krijgt over de continuïteit van zijn verblijf bij de vader en de verantwoordelijkheid die vader over hem heeft door middel van het ouderlijk gezag.

Het belang van [de minderjarige] bij een ongestoorde hechting in het gezin van de vader en de stiefmoeder, alsmede bij rust, zekerheid en duidelijkheid over de omgeving waarin hij kan opgroeien, dient te prevaleren boven het belang van de moeder om mee te kunnen beslissen. De moeder is - ondanks meerdere uitnodigingen daartoe - niet betrokken geweest bij het raadsonderzoek. Bovendien heeft zij geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ontheffing en is zij niet ter zitting verschenen.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke gronden voor de ontheffing van het gezag van de moeder van [de minderjarige] is voldaan, zodat het verzoek van de Raad zal worden toegewezen.

De beoordeling ten aanzien van C/05/259011 / FA RK 14/507 primair: het gezamenlijk gezag over [de minderjarige]

De vader heeft het volgende aan zijn primaire verzoek ten grondslag gelegd. De vader acht het in het belang van [de minderjarige], onder verwijzing naar de raadsrapportage d.d. 28 november 2013, dat hij samen met de stiefmoeder belast wordt met het ouderlijk gezag over [de minderjarige]. [de minderjarige] woont sinds zijn zevende jaar bij de vader en de stiefmoeder. Sindsdien hebben zij samen de volledige zorg voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] gedragen, zodat voldaan wordt aan het vereiste van artikel 1:253t, lid 2, onder a, BW. De vader is van mening dat er voldoende aanleiding is om af te wijken van het vereiste onder artikel 1:253t, lid 2, onder b, BW. Sinds juni/juli 2009 is de moeder niet meer betrokken bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en heeft zij geen invulling meer gegeven aan het ouderlijk gezag. De vader en de stiefmoeder zijn 19 april 2012 gehuwd en in juli 2013 is een halfbroertje van [de minderjarige] geboren, [halfbroer]. Er is sprake van een duurzame en stabiele relatie tussen de vader en de stiefmoeder. Sinds juni/juli 2009 neemt de vader alle beslissingen over [de minderjarige] samen en in goed overleg met de stiefmoeder. Afwijking van voornoemd vereiste druist naar de mening van de vader niet in tegen de ratio van deze bepaling. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de vader verwezen naar uitspraken van andere rechtbanken, waarin onder bijzondere omstandigheden ook wordt afgeweken van de wettelijke termijnen.

De vader en de stiefmoeder hebben ter zitting van 02 april 2014 nog het volgende naar voren gebracht. De vader was op het moment van de geboorte van [de minderjarige] niet op de hoogte dat hij het gezag moest aanvragen. Op het moment dat hij hiervan op de hoogte is geraakt heeft hij - samen met een advocaat - het formulier voor gezamenlijk gezag ingevuld en naar de moeder verzonden. De moeder was echter niet bereid deze formulieren te ondertekenen. De financiële drempel voor een juridische procedure was te hoog om via de rechter gezamenlijk gezag te verkrijgen. De belangrijkste reden voor het primaire verzoek is dat [de minderjarige] bij zijn stiefmoeder kan blijven in het geval dat er iets mocht gebeuren met de vader. [de minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid hieromtrent.

De gezinsvoogd heeft ter zitting benadrukt dat [de minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief. Hij vertrouwt de vader en de stiefmoeder volledig en raakt in de war en van slag als er over de moeder gesproken wordt. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de vader en de stiefmoeder gezamenlijk met het gezag over hem worden belast.

De zittingsvertegenwoordigster van de Raad heeft verklaard dat zij kan instemmen met het primaire verzoek van de vader.

Ingevolge artikel 1:274, tweede lid, BW kan de rechtbank in geval van ontheffing van een ouder, die het gezag alleen uitoefent, op verzoek de andere ouder met de uitoefening van het gezag belasten. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien de gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.

De rechtbank overweegt als volgt. [de minderjarige] vormt sinds juni 2009 met de vader en de stiefmoeder een gezin en in juli 2013 is zijn halfbroertje [halfbroer] geboren. Vastgesteld kan worden dat de vader en de stiefmoeder al geruime tijd, zonder de moeder, het gezag over [de minderjarige] uitoefenen. De ondertoezichtstelling is zeker de laatste tijd noodzakelijk geweest om het contact tussen de moeder en [de minderjarige] tot stand te brengen en is niet gelegen in tekortschietende opvoedingsvaardigheden van de vader en de stiefmoeder. Aangezien de vader niet met het gezag belast is geweest, is derhalve ook telkens een machtiging uithuisplaatsing verleend om het verblijf van [de minderjarige] in dit gezin te waarborgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is, dat de vader belast wordt met het gezag over [de minderjarige].

In deze zaak heeft de vader, ondersteund door de stiefmoeder, het verzoek gedaan gezamenlijk met haar met het gezag belast te worden.

Ingevolge artikel 1:253t BW kan de rechtbank, indien het gezag bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien:

  1. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

  2. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Naast dit artikel neemt de rechtbank ook artikel 1:282 BW in ogenschouw. In zaken waarin een voogd benoemd is, kan de rechter op eensluidend verzoek van de voogd en een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, bepalen dat de voogdij door hen gezamenlijk wordt uitgeoefend.

Om dit verzoek te doen hoeft niet aan een termijn voor de uitoefening van voogdij te worden voldaan.

Heel algemeen is het in belang van een minderjarige te achten dat het gezag door twee volwassenen wordt uitgeoefend. Immers kunnen zij elkaar aanvullen en in balans houden bij het nemen van beslissingen en het uitoefenen van de dagelijkse zorg.

De rechtbank stelt vast dat [de minderjarige] een warme en bestendige relatie met de stiefmoeder heeft opgebouwd en dat de stiefmoeder al ruim vier jaar samen met de vader voor [de minderjarige] zorgt en hem opvoedt. Aan het vereiste dat [de minderjarige] en de stiefmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan en aan het vereiste dat de vader en de stiefmoeder op de dag van het verzoek gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar gezamenlijk voor [de minderjarige] hebben gezorgd, is dan ook voldaan.

Voorts stelt de rechtbank vast dat [de minderjarige] heeft aangegeven dat het zijn uitdrukkelijke wens is dat de vader en de stiefmoeder het gezag over hem krijgen. Ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] erg veel behoefte heeft aan duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief, met name in het geval dat er iets met de vader zou gebeuren. De minderjarige heeft sporadisch telefonisch contact met de moeder, maar contact wordt door zowel de vader als de stiefmoeder gesteund. De rechtbank verwacht niet dat hier verandering in zal komen op het moment dat de vader samen met de stiefmoeder met het gezag zou worden belast. Op grond van dit alles is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van gegronde vrees dat, bij inwilliging van het verzoek om de vader en de stiefmoeder gezamenlijk met het gezag te belasten, de belangen van [de minderjarige], mede rekening houdend met de belangen van de moeder, zouden worden verwaarloosd.

Het voorgaande betekent dat in het licht van het vereiste van artikel 1:253t, tweede lid sub b, BW dus alleen de termijn van drie jaar, gedurende welke termijn de vader alleen met het gezag over [de minderjarige] belast moet zijn geweest, aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Aan dit vereiste wordt niet voldaan, nu pas bij deze beschikking wordt bepaald dat de vader belast zal worden met het gezag over [de minderjarige]. Maar mede in het licht van artikel 1:282 BW zal de rechtbank onderzoeken of in deze specifieke zaak afgeweken kan worden van de driejaarstermijn.

Het vereiste dat de ouder reeds ten minste drie jaar met eenhoofdig ouderlijk gezag is belast, is gesteld om lichtvaardig gebruik van het in dit artikel mogelijk gemaakte gezamenlijk gezag te voorkomen: na een scheiding kan niet op korte termijn met een nieuwe partner het gezag worden verkregen, eerst dient de situatie van de ouder die met het gezag is belast in relatie tot de andere ouder bestendig te zijn (Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken II1995/96, 23 714, nr. 6, p. 9). De rechtbank is van oordeel, gelet op de raadsrapportage en het verhandelde ter zitting, dat in de onderhavige situatie geen sprake is van lichtvaardig gebruik van de mogelijkheid om gezamenlijk gezag te verkrijgen, maar dat deze situatie eerder overeenkomst met de situatie genoemd in artikel 1:282 BW.

De minderjarige leeft al jarenlang met zijn vader en de stiefmoeder en zijn halfbroertje in gezinsverband. De juridische situatie wordt door toewijzing van het primaire verzoek dan ook in overeenstemming gebracht met de in de praktijk al geruime tijd bestaande situatie, waarbij de vader alle beslissingen over [de minderjarige] samen en in goed overleg met de stiefmoeder neemt. De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat er geen sprake van is dat de vader en de stiefmoeder met het verzoek trachten om de moeder uit het leven van [de minderjarige] te weren, maar dat de moeder zich buiten het leven van [de minderjarige] heeft geplaatst. Afwijking van het vereiste, dat ten minste drie jaar sprake is van eenhoofdig ouderlijk gezag, druist in dit specifieke geval dan ook niet in tegen de ratio van de bepaling.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de vader en de stiefmoeder reeds nu gezamenlijk worden belast met het gezag over [de minderjarige]. De rechtbank zal derhalve het primaire verzoek toewijzen.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat de thans lopende kinderbeschermingsmaatregel niet van rechtswege eindigt door de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag.

De beslissing

De rechtbank

Ten aanzien van de procedure onder zaaksnummer C/05/255427 / FA RK 13-14513

1. ontheft de moeder [de moeder] van het gezag over:

 [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

Ten aanzien van de procedure onder zaaksnummer C/05/259011 / FA RK 14/507

2. bepaalt dat het gezag over de minderjarige:

 [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

wordt uitgeoefend door de vader[de vader] en de stiefmoeder [de stiefmoeder];

3. verklaart de onder 1. en 2. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Huberts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 02 april 2014.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.