Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2402

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
06/940359-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een verdachte veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld. Verdachte en zijn vriend werden geconfronteerd met een provocerende opmerkingen van een persoon. De vriend van verdachte heeft deze persoon op de grond geduwd en geslagen. Vervolgens heeft verdachte hem tot twee keer toe hard getrapt in de richting van zijn hoofd. Hiermee heeft verdachte het slachtoffer blootgesteld aan de kans op ernstig letsel. De rechtbank acht het primair (poging doodslag) en het subsidiair (zware mishandeling) tenlastegelegde niet bewezen en heeft verdachte daarvan vrijgesproken.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand en tot een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940359-12

Uitspraak d.d.: 9 april 2014

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende aan de [adres] te [woonplaats].

Raadsvrouw: mr. W.E. van Veldhuizen, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Deze zaak is aanhangig gemaakt op de meervoudige kamer zitting van 19 maart 2013, op welke zitting het onderzoek is gesloten. Bij tussenvonnis van deze rechtbank is het onderzoek heropend teneinde getuigen te horen. Nadat de verhoren zijn voltooid, is de zaak onderzocht op de terechtzitting van 26 maart 2014, op welke zitting het onderzoek is gesloten.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 september 2012 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] 2 (twee) maal, althans meerdere malen, (met kracht) met geschoeide voet(en) in/op het gezicht, althans op/tegen het hoofd te schoppen/trappen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 07 september 2012 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of een gebroken oogkas (links) en/of een gebroken jukbeen (links) en/of een gebroken kaak (linksonder) en/of een middelmatige hersenschudding), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal (met kracht) met geschoeide voet (en), op/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd te schoppen/trappen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 07 september 2012 te Apeldoorn met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Nieuwstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het eenmaal of meermalen duwen en/of trekken aan/tegen die [slachtoffer] en/of het eenmaal of meermalen met de vuist(en) met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd slaan/stompen en/of het eenmaal of meermalen met de voet(en) met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd schoppen/trappen, waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] achter over heeft getrokken en/of (vervolgens) eenmaal of meermalen met de geschoeide voet(en) met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt, en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of een gebroken jukbeen en/of een scheur in de oogkas en/of een scheur in de onderkaak en/of een middelmatige hersenschudding), althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

art 141 lid 1 Wetboek van Strafecht

art 141 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 7 september 2012 hebben verbalisanten op het Caterplein te Apeldoorn een incident waargenomen waarbij het slachtoffer ([slachtoffer]) naar de grond is gewerkt en door twee anderen werd geslagen en geschopt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde, te weten zware mishandeling van aangever [slachtoffer].

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal van bevindingen (pagina 7 en 8) niet voor het bewijs kan worden gebruikt, nu dit proces-verbaal onvolkomenheden en tegenstrijdigheden bevat.

Verdachte heeft aangever niet tegen het hoofd geschopt. Er zijn ook geen biologische sporen op de schoen van verdachte aangetroffen. Derhalve kan het primair tenlastegelegde niet worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van het subsidiaire is niet gebleken dat het slachtoffer het in de tenlastelegging genoemde letsel is toegebracht. Er was slechts sprake van een gebroken neus, wat niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Voorts blijkt niet van voorwaardelijk opzet op het letsel, dan wel van een samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Derhalve kan het subsidiair tenlastegelegde niet worden bewezen verklaard.

Nu niet kan worden bewezen dat verdachte aangever heeft geduwd, getrokken, gestompt of geschopt in het gezicht, kan tenslotte het meer subsidiair tenlastegelegde evenmin worden bewezenverklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat uit het dossier niet kan volgen dat verdachte opzet had op het doden van het slachtoffer, dan wel dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer, welke kans verdachte bij zijn handelingen zou hebben geaccepteerd. Gelet hierop kan het primair tenlastegelegde niet worden bewezen verklaard en dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt dat uit de medische gegevens in het dossier slechts kan volgen dat het slachtoffer een breuk bij zijn neus en de bijholte van zijn kaak heeft opgelopen (pagina 6 van het proces-verbaal). Met betrekking tot het overige in de tenlastelegging (naar aanleiding van de opsomming in de aangifte op pagina 44 van het proces-verbaal) genoemde letsels zijn onvoldoende wettig en overtuigende bewijsmiddelen aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan een breuk van de neus en de bijholte van de kaak, hoe pijnlijk ook, niet als zwaar lichamelijk letsel worden gekwalificeerd. Gelet reeds hierop kan het subsidiair tenlastegelegde niet worden bewezen verklaard en dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt als volgt.

In een proces-verbaal van bevindingen hebben meerdere verbalisanten gerelateerd dat zij op 7 september 2012 te Apeldoorn (op de hoek van de Hoofdstraat met de Nieuwstraat) hebben gezien dat een tweetal jongens (aangever en een jongen met een gestreept shirt) elkaar aan het duwen waren. Een derde jongen, met een zwart shirt, bemoeide zich ermee. Vervolgens werd één van de jongens, naar later bleek aangever [slachtoffer], naar de grond gewerkt. Daarop zagen de verbalisanten dat de jongen met het zwarte shirt zijn voet uithaalde en met kracht in de richting van het hoofd van aangever bewoog en hem hierbij hard tegen zijn hoofd raakte. De jongen met het gestreepte shirt maakt daarop een slaande beweging naar aangever, die op de grond lag. Vervolgens zagen de verbalisanten dat de jongen met het zwarte shirt nogmaals zijn voet naar achter bewoog, deze daarna weer met kracht in de richting van het hoofd van aangever bewoog en hem wederom in het gezicht raakte. Zowel de jongen in het zwarte shirt, verdachte, als de jongen in het gestreepte shirt, medeverdachte [medeverdachte], zijn daarop aangehouden.2

Bij de rechter-commissaris hebben de relaterende verbalisanten in grote lijnen volhard in hun verklaringen. Daarbij hebben enkele verbalisanten aangegeven dat zij op een afstand van 25-50 meter van het incident stonden en daarbij goed zicht hadden.3 Twee verbalisanten (van de Koninklijke Marechaussee) hebben tegenover de rechter-commissaris aangegeven het trappen in het gezicht als heftig/indrukwekkend te hebben ervaren, omdat dit de eerste keer was dat zij een incident als dit zagen.4

De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten zoals weergegeven in voormeld proces-verbaal van bevindingen. Daartoe overweegt de rechtbank dat het proces-verbaal op ambtseed dan wel -belofte is opgemaakt en dat verbalisanten in hun verklaringen hebben volhard ten overstaan van de rechter-commissaris. Dat de verklaringen van de verbalisanten niet geheel stroken met de verklaringen van verdachten kan daaraan niet afdoen. Te meer nu beide verdachten hebben verklaard onder invloed van alcohol te zijn geweest. Voorts worden de verklaringen van de verbalisanten ondersteund door de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. Immers, zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] geweld heeft gebruikt tegen een persoon, waarbij medeverdachte [medeverdachte] die persoon heeft geduwd en geslagen en verdachte hem heeft geschopt.5

De resultaten van het sporenonderzoek, waarbij geen bloedsporen zijn aangetroffen op de kleding en schoeisel van verdachte, hoeven niet tegenspraak te zijn met de bevindingen van de verbalisanten.

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] op stap was en dat zij werden geconfronteerd met aangever die nare dingen tegen hen zei. Volgens verdachte sloegen hierop bij medeverdachte [medeverdachte] de stoppen door, waarop hij [medeverdachte] hielp. “[medeverdachte] gaf hem een duw en een klap. Daardoor viel die jongen op de grond. Hierna hielp ik [medeverdachte] door die jongen een trap tegen zijn borst te geven”, aldus verdachte.6 Gelet op deze handelingen en de verklaringen van verdachte daaromtrent is de rechtbank van oordeel dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, zodat het meer subsidiaire tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard.

Ten gevolge van de handelingen van verdachte en zijn medeverdachte heeft aangever (onder andere) een breuk in zijn neus en de bijholte van de kaak opgelopen.7

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiaire ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 7 september 2012 te Apeldoorn met een ander, op of aan de openbare weg, de Nieuwstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het eenmaal duwen tegen die [slachtoffer] en het meermalen met de vuist(en) met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd slaan/stompen en het meermalen met de voet met kracht in het gezicht, trappen, waarbij hij, verdachte, meermalen met de geschoeide voet met kracht in het gezicht heeft getrapt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolg had

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld (ter zake van het subsidiair tenlastegelegde) tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis disproportioneel is. Bij het opleggen van straf dient rekening te worden gehouden met de provocerende rol van aangever.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen een persoon. Nadat deze persoon op de grond lag, heeft verdachte hem tot twee keer toe hard getrapt in de richting van zijn hoofd. Hiermee heeft verdachte het slachtoffer blootgesteld aan de kans op ernstig letsel. In verband met het toegebrachte letsel heeft het slachtoffer enige tijd in het ziekenhuis gelegen en moest hij worden geopereerd.

Voor zover het slachtoffer verdachte en zijn medeverdachte heeft geprovoceerd, hoe ongepast zijn handelingen ook waren, kan dit geenszins enig rechtvaardiging voor het handelen van verdachte zijn.

Dergelijke feiten brengen een hoop onrust met zich en dragen bij aan een gevoel voor onveiligheid in het uitgaansgebied van Apeldoorn.

Gelet op de ernst van hetgeen wordt bewezenverklaard, het tijdsverloop in deze zaak en de (positieve) ontwikkelingen van verdachte sinds het begaan van het feit, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans niet meer aangewezen. De rechtbank zal verdachte een werkstraf van na te melden duur opleggen, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.750,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, wegens onvoldoende onderbouwing, dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde vergoeding voor materiele schade thans onvoldoende is onderbouwd.

Met betrekking tot de gevraagde vergoeding voor immateriële schade acht de rechtbank, mede met het oog op de (provocerende) rol van het slachtoffer, schattenderwijs een vergoeding voor € 750,00 redelijk en billijk.

Een nadere behandeling van het overige gevorderde levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De vordering zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, opdat van overheidswege de toegewezen schadevergoeding kan worden geïncasseerd. Gelet op de omstandigheid dat verdachte onder bewind staat, ziet de rechtbank aanleiding de vervangende hechtenis te bepalen op één dag.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

  • -

    verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolg had

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand en bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf, voor de duur van 180 (eenhonderd tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 750,00 (zevenhonderd vijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2012, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], van een bedrag van € 750,00 (zevenhonderd vijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2012, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal één dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door mrs. Beljaars, voorzitter, Prisse en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Aalders, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2014.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0623 2012122454, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 8 november 2012.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 7.

3 Proces-verbaal van verhoor afgenomen door de rechter-commissaris, p. 2, 5, 9 en 12.

4 Proces-verbaal van verhoor afgenomen door de rechter-commissaris, p. 5 en 9.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 22 en proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 40.

6 Proces-verbaal van verdachte [verdachte], p. 22.

7 Een schriftelijk bescheid, zijnde een geneeskundige verklaring, p. 6