Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2401

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
06/851187-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een verdachte veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld. Verdachte en zijn vriend werden geconfronteerd met provocerende opmerkingen van een persoon. Verdachte heeft deze persoon op de grond geduwd en heeft hem vervolgens nog geslagen. Hierbij heeft de medeverdachte van verdachte het slachtoffer hard getrapt.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/851187-12

Uitspraak d.d.: 9 april 2014

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende aan de [adres] te [woonplaats].

Raadsman: mr. G.W. Roest, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Deze zaak is aanhangig gemaakt op de terechtzitting van de meervoudige kamer van 19 maart 2013, op welke zitting het onderzoek is gesloten. Bij tussenvonnis van deze rechtbank is het onderzoek heropend teneinde getuigen te horen. Nadat deze verhoren zijn voltooid, is deze zaak onderzocht op de terechtzitting van 26 maart 2014, op welke zitting het onderzoek is gesloten.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 september 2012 te Apeldoorn met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Nieuwstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het eenmaal of meermalen duwen en/of trekken aan/tegen die [slachtoffer] en/of het eenmaal of meermalen met de vuist(en) met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd slaan/stompen en/of het eenmaal of meermalen met de voet(en) met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd schoppen/trappen van die [slachtoffer].

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 7 september 2012 hebben verbalisanten op het Caterplein te Apeldoorn een incident waargenomen waarbij het slachtoffer ([slachtoffer]) naar de grond is gewerkt en door twee anderen werd geslagen en geschopt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal van bevindingen (op pagina 7 en 8 van het proces-verbaal van politie) niet tot het bewijs kan worden gebruikt, nu dit proces-verbaal onvolkomenheden bevat. Niet kan worden bewezen dat sprake was van een bewust en nauwe samenwerking. Ook had verdachte geen opzet op het medeplegen. Het handelen door de medeverdachte ([medeverdachte]) was voor verdachte niet voorzienbaar. Derhalve dient verdachte vrijgesproken te worden.

Subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer. Verdachte werd geconfronteerd met een aangever die provoceerde, beledigingen uitte en ook fysiek werd naar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] toe. Hiertegen mocht verdachte zich verweren, zoals hij heeft gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

In een proces-verbaal van bevindingen hebben meerdere verbalisanten gerelateerd dat zij op 7 september 2012 te Apeldoorn (op de hoek van de Hoofdstraat met de Nieuwstraat) hebben gezien dat een tweetal jongens (aangever en een jongen met een gestreept shirt) elkaar aan het duwen waren. Een derde jongen, met een zwart shirt, bemoeide zich ermee. Vervolgens werd één van de jongens, naar later bleek aangever [slachtoffer], naar de grond gewerkt. Daarop zagen de verbalisanten dat de jongen met het zwarte shirt zijn voet uithaalde en met kracht in de richting van het hoofd van aangever bewoog en hem hierbij hard tegen zijn hoofd raakte. De jongen met het gestreepte shirt maakte daarop een slaande beweging naar aangever, die op de grond lag. Vervolgens zagen de verbalisanten dat de jongen met het zwarte shirt nogmaals zijn voet naar achter bewoog, deze daarna weer met kracht in de richting van het hoofd van aangever bewoog en hem wederom in het gezicht raakte. Zowel de jongen in het zwarte shirt, medeverdachte [medeverdachte], als de jongen in het gestreepte shirt, verdachte, zijn daarop aangehouden.2

Bij de rechter-commissaris hebben de relaterende verbalisanten in grote lijnen volhard in hun verklaringen. Daarbij hebben enkele verbalisanten aangegeven dat zij op een afstand van 25-50 meter van het incident stonden en daarbij goed zicht hadden.3 Twee verbalisanten (van de Koninklijke Marechaussee) hebben tegenover de rechter-commissaris aangegeven het trappen in het gezicht als heftig/indrukwekkend te hebben ervaren, omdat dit de eerste keer was dat zij een incident als dit zagen.4

De rechtbank heeft, in tegenstelling tot de verdediging, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten zoals weergegeven in voormeld proces-verbaal van bevindingen. Daartoe overweegt de rechtbank dat het proces-verbaal op ambtseed dan wel -belofte is opgemaakt en dat zij in hun verklaringen hebben volhard ten overstaan van de rechter-commissaris. Dat de verklaringen van de verbalisanten niet geheel stroken met de verklaringen van verdachten kan daaraan niet afdoen. Te meer nu beide verdachten hebben verklaard onder invloed van alcohol te zijn geweest. Voorts worden de verklaringen van de verbalisanten ondersteund door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en verdachte. Immers, zowel [medeverdachte] als verdachte hebben verklaard dat verdachte samen met zijn medeverdachte geweld heeft gebruikt tegen een persoon, waarbij verdachte die persoon heeft geduwd en geslagen en [medeverdachte] hem heeft geschopt.5

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij samen met verdachte op stap was en dat zij werden geconfronteerd met aangever die nare dingen tegen hen zei.. Volgens [medeverdachte] sloegen hierop bij verdachte de stoppen door, waarop hij verdachte heeft geholpen : “[verdachte] gaf hem een duw en een klap. Daardoor viel die jongen op de grond. Hierna hielp ik [verdachte] door die jongen een trap tegen zijn borst te geven”, aldus [medeverdachte].6 Gelet op deze handelingen en de verklaringen van [medeverdachte] daaromtrent is de rechtbank van oordeel dat verdachte een voldoende wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, zodat het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 7 september 2012 te Apeldoorn met een ander, op of aan de openbare weg, de Nieuwstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het eenmaal duwen tegen die [slachtoffer] en het meermalen met de vuist(en) met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd slaan/stompen en het meermalen met de voet met kracht in het gezicht trappen van die [slachtoffer].

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Noodweer

De rechtbank volgt het beroep op noodweer niet. Weliswaar is aannemelijk dat het slachtoffer verdachte en zijn medeverdachte heeft geprovoceerd, mede door ongepast taalgebruik, maar een zodanige mondelinge provocatie levert geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld (ter zake van het subsidiair tenlastegelegde) tot een werkstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit en dat dus geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen een persoon. Verdachte heeft deze persoon op de grond geduwd en heeft hem vervolgens nog geslagen. Hierbij heeft de medeverdachte van verdachte het slachtoffer hard getrapt. In verband met het hiermee toegebrachte letsel heeft het slachtoffer enige tijd in het ziekenhuis gelegen en moest hij worden geopereerd.

Voor zover het slachtoffer verdachte en zijn medeverdachte heeft geprovoceerd, hoe ongepast zijn handelingen ook waren, kan dit geenszins enige rechtvaardiging voor het handelen van verdachte zijn.

Dergelijke feiten brengen een hoop onrust met zich en dragen bij aan een gevoel voor onveiligheid in het uitgaansgebied van Apeldoorn.

Voor een voorwaardelijk strafdeel bestaat geen aanleiding.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.750,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, wegens onvoldoende onderbouwing, dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde vergoeding voor materiele schade thans onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de gevraagde vergoeding voor immateriële schade acht de rechtbank, mede met het oog op de (provocerende) rol van het slachtoffer, schattenderwijs een vergoeding voor € 750,00 redelijk en billijk.

Een nadere behandeling van het overige gevorderde levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De vordering zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, opdat van overheidswege de toegewezen schadevergoeding kan worden geïncasseerd.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, voor de duur van 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 750,00 (zevenhonderd vijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2012, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], van een bedrag van € 750,00 (zevenhonderd vijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2012, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal één dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door mrs. Beljaars, voorzitter, Prisse en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Aalders, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2014.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0623 2012122454, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 8 november 2012.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 7.

3 Proces-verbaal van verhoor afgenomen door de rechter-commissaris, p. 2, 5, 9 en 12.

4 Proces-verbaal van verhoor afgenomen door de rechter-commissaris, p. 5 en 9.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], p. 22 en proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 40.

6 Proces-verbaal van verdachte [medeverdachte], p. 22.