Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2238

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
2737453
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst met basisarts (art. 7:685 BW). Lijkschouwing niet op juiste wijze uitgevoerd door (basis)arts en geen openheid van zaken gegeven. Dringende reden. Volgt ontbinding arbeidsovereenkomst zonder toekenning vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0358
GZR-Updates.nl 2014-0138
AR 2014/207

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 2737453 \ HA VERZ 14-31 \ BE \ 340 \ be

uitspraak van 3 april 2014

beschikking

in de zaak van

de stichting Stichting Pro Persona GGz

gevestigd te Wolfheze

verzoekende partij

gemachtigde mr. J.E. Brouwer-Harbach

tegen

[verwerende partij]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. F.A. Janse

Partijen worden hierna Pro Persona en[verwerende partij] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties

- het verweerschrift met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 24 maart 2014 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van Pro Persona en de gemachtigde van[verwerende partij].

2 De feiten

2.1.

[verwerende partij] is op 1 september 2009 bij Pro Persona in dienst getreden in de functie van basisarts (arts niet in opleiding tot specialist). Hij was laatstelijk werkzaam op de afdeling Langdurende Zorg Ouderen, een afdeling voor behandeling van mensen vanaf ongeveer 60 jaar met ernstige en ingewikkelde psychische problemen en/of gedragsproblemen.[verwerende partij] verleent medisch psychiatrische zorg en maakt deel uit van een multidisciplinair behandelteam.

2.2.

In de periode vanaf 31 januari 2013 heeft Pro Persona meermalen gesproken met[verwerende partij] over zijn functioneren. Dit betrof kort samengevat, enerzijds de twijfels over zijn kennis en kunde als basisarts en anderzijds de communicatie tussen hem en zijn collega’s. Op 1 februari 2013 is daarom een verbetertraject opgestart. Het traject is diverse malen geëvalueerd en ook verlengd. Van deze gesprekken zijn verslagen opgesteld die deels, maar niet alle, door[verwerende partij] zijn ondertekend. Op 2 september 2013 is wederom gesproken over het functioneren van[verwerende partij] en het verbetertraject. Wat betreft de communicatie en attitude van[verwerende partij] wordt, blijkens het daarvan opgemaakte, maar niet ondertekende verslag, verbetering geconstateerd. De tekst van het verslag van dat gesprek van 2 september 2013 luidt verder onder meer als volgt: “Per heden stopt op deze aspecten het functioneringstraject. Zijn er geluiden vanuit cliënten/collega’s dat er een terugval is, dan wordt dit opnieuw opgepakt. Over het medische aspect vindt er begeleiding door [persoon A]: klinisch psycholoog en de psychiaters [persoon B], psychiater- en geneesheer directeur en [persoon C], psychiater plaats. In eerste instantie ontvangt [verwerende partij] supervisie van [persoon C]. Hij krijgt de tijd en gelegenheid het gewenste niveau te laten zien. Kritisch en zorgvuldig zullen zijn medische handelingen besproken en beoordeeld worden.

[verwerende partij] is blij met het feit dat het functioneringstraject stopt en hij met collega psychiaters samenwerkt. Hij geeft aanzijn best te zullen doen. Op zijn vraag of er cursussen zijn op het gebied van de somatiek die hij kan volgen antwoordt [persoon D] dat hij dit het beste met de huisartsen kan afstemmen. (..)”

2.3.

Op 2 december 2103 heeft[verwerende partij] dienst. Hij wordt kort voor 8.00 uur gebeld over een cliënt van Pro Persona die benauwd en angstig is en die zegt dat hij dood gaat. Als[verwerende partij] ter plekke arriveert delen de betrokken drie verpleegkundigen hem mede dat de cliënt is overleden. Noch door de verpleegkundigen noch door[verwerende partij] heeft reanimatie plaatsgevonden.

2.4.

Art. 3 van de Wet op de lijkbezorging en lijkschouwing luidt onder meer als volgt:

“Lijkschouwing geschiedt, zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelend arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.”

Art. 7 van genoemde wet luidt als volgt: “Hij die schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.”

2.5.

De KNMG heeft een handreiking lijkschouwing voor artsen opgesteld. Daarin is onder meer vermeld:

Wat houdt een lijkschouwing in?

a. Een door een arts persoonlijk uitgevoerd, uitwendig onderzoek (inspectie, zo nodig palpatie, percussie en temperatuurmeting van het hele lijk;

b. Een onderzoek naar de omstandigheden waaronder het overlijden plaatsvond;

c. Het beoordelen of wel/niet sprake is van een natuurlijk dood;

d. Het uitschrijven van de overlijdenspapieren (A- en B-formulier), althans als de arts overtuigd is van een natuurlijke dood.

2.6.

[verwerende partij] heeft naar aanleiding van het overlijden van genoemde cliënt op 2 december 2013 een zogeheten decursus (verslag) opgesteld. Daarin heeft hij vermeld:

“(…) Ik was op terrein, bij aankomst, geeft vpk aan dat pt overleden is. Pt ligt levenloos, geen tekenen van geweld. Er zijn gedurende enkele minuten geen cortonen hoorbaar en ook pupilreflex zijn bdz afwezig. Ik heb een natuurlijk dood afgegeven met hoogwaarschijnlijk doodsoorzaak een longembolie. Vpk gaan familie inlichten. ”

Deze tekst luidde aanvankelijk enigszins anders. In een eerste versie was vermeld dat cliënt rustig was ingeslapen en dat de vermoedelijke doodsoorzaak hartstilstand was.[verwerende partij]

2.7.

[verwerende partij] heeft een zogeheten verklaring van overlijden (art. 7 lid 1 Wet op de Lijkbezorging) opgesteld en ondertekend. De tekst daarvan luidt onder meer als volgt: “Verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd.”

2.8.

Pro Persona heeft naar aanleiding van het overlijden van de patiënt op (of kort voor) 4 december 2013 een zogeheten reconstructie gehouden. Dit houdt in dat alle betrokkenen bijeenkomen en het overlijden van de patiënt bespreken. Van deze reconstructie is door Pro Persona een verslag d.d. 8 december 2013 opgemaakt. In dat verslag is onder meer vermeld: “De aanwezige arts was bij dhr gekomen toen hij al was overleden, maar hij had niet de vraag gesteld of er gereanimeerd was. (…) Daarnaast werd geconstateerd dat er niet is geschouwd. De arts heeft de dood geconstateerd door te kijken. Er heeft geen lichamelijk onderzoek plaatsgevonden geven de verpleegkundigen aan. Uiteindelijk geeft de arts aan dat dit correct is.”

2.9.

Op 6 december 2013 heeft een – reeds voor 2 december 2013 – gepland voortgangsgesprek met[verwerende partij] plaatsgevonden. In het van dat gesprek door Pro Persona opgemaakte verslag is onder meer vermeld: “(…) [persoon C] ([persoon C]– ktr) komt terug op het incident van afgelopen maandag 2 december 2013. [verwerende partij] heeft hier niets over gemeld aan zijn supervisor die maandag. Dinsdag is [persoon C] naar [verwerende partij] gelopen en heeft aan hem gevraagd hoe het met hem gaat. [persoon C] heeft hem de ruimte gegeven om stil te staan bij het incident. [persoon C] heeft de volgende punten aan [verwerende partij] gevraagd:

Heb jij aan de verpleegkundige gevraagd of ze gereanimeerd hebben? Hierop heeft [verwerende partij] gezegd: Ja, dit heb ik aan de verpleegkundigen gevraagd en dit hebben zij niet gedaan.

[persoon C] geeft aan zeer ontstemd te zijn dat [verwerende partij] niet eerlijk is geweest tegen hem. [verwerende partij] blijkt namelijk deze vraag niet gesteld te hebben aan de verpleegkundigen (zie verslag reconstructie) Daarnaast zegt [verwerende partij] harttonen en pupilreflexmeting te hebben gedaan (zei verslag reconstructie) en dit blijkt niet zo te zijn. (…)”

2.10.

Op 10 december is[verwerende partij] door Pro Persona op non-actief gesteld.

2.11.

Pro persona heeft voorts verklaringen van de bij het overlijden van de cliënt betrokken verpleegkundigen overgelegd. Deze luiden onder meer als volgt:

[persoon E]: “De heer [verwerende partij] heeft geen lichamelijk onderzoek verricht en heeft van afstand (vanaf het voeteneind van het bed) beoordeeld dat de cliënt is overleden.”

[persoon F]: “Dhr. [verwerende partij] heeft geen lichamelijk onderzoek verricht op 2 december 2013. Hij heeft van een afstand de dood geconstateerd.”

[persoon G] heeft onder laatstgenoemde verklaring geschreven: “Ik teken niet omdat ik niet bij deze situatie aanwezig was.”

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Pro Persona verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met[verwerende partij] te ontbinden wegens gewichtige redenen, primair bestaande uit een dringende reden en subsidiair wegens gewijzigde omstandigheden. Pro Persona stelt daartoe dat[verwerende partij] bij het overlijden van de cliënt op 2 december 2013 de voor de beroepsgroep voorgeschreven handelwijze heeft genegeerd. Dit is onacceptabel en bovendien tuchtrechtelijk gezien klachtwaardig. Uit de reconstructie die Pro Persona enkele dagen na 2 december 2013 hield is namelijk gebleken dat[verwerende partij] geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. Hier komt bij dat[verwerende partij] uit zichzelf niets over het overlijden en het verloop van de gebeurtenissen heeft gemeld aan zijn supervisor, [persoon C]. Deze heeft op 3 december 2013 bij[verwerende partij] geïnformeerd en de vraag gesteld of[verwerende partij] aan de verpleging had gevraagd of zij hadden gereanimeerd.[verwerende partij] antwoordde daarop bevestigend welk antwoord volgens Pro Persona aantoonbaar niet klopt. Voorts heeft[verwerende partij] in dat gesprek aan [persoon C] verteld dat hij harttonen en oogreflex heeft gecontroleerd hetgeen ook aantoonbaar onjuist is. Het optreden van[verwerende partij] heeft daarom het vertrouwen van Pro Persona in hem zeer ernstig geschaad.[verwerende partij]

3.2.

[verwerende partij] voert gemotiveerd verweer waarop hierna nader wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet is gesteld of gebleken dat het verzoek van Pro Persona verband houdt met een opzegverbod.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat een procedure als deze zich niet leent voor uitgebreide bewijslevering. Dat brengt mee dat de kantonrechter zijn beslissing moet nemen aan de hand van onbetwiste stukken en onweersproken gelaten stellingen en wat hem aannemelijk voorkomt.

4.3.

Tussen partijen staat vast dat[verwerende partij] ten aanzien van het overlijden van de patiënt op 2 december 2013 niet heeft gehandeld conform de voor hem geldende (wettelijke) regels en richtlijnen van de KNMG. Hij heeft immers geen onderzoek bij de patiënt verricht. Dat hij mogelijk wel de oogreflex heeft gecontroleerd door zijn hand voor de ogen van de patiënt te houden (het is niet duidelijk of dat is gebeurd) doet daar niet aan af, nog daargelaten de vraag of op deze wijze de oogreflex gecontroleerd dient te worden.

Het niet verrichten van onderzoek bij de patiënt vormt een zeer ernstig verwijt aan het adres van[verwerende partij]. Pro Persona moet er als werkgever - en juist ten aanzien van zaken rond leven en dood van de aan haar (Pro Persona) toevertrouwde cliënten - zonder meer op kunnen vertrouwen dat[verwerende partij] - als de bij haar in dienst zijnde basisarts belast met die zorg - de ter zake geldende regels stipt naleeft. Daar komt bij dat door het niet-naleven van die regels het risico bestaat dat de mogelijkheid van reanimatie ten onrechte niet wordt benut. Daarom is aan[verwerende partij] ook te verwijten dat hij niet aan het verpleegkundig personeel heeft gevraagd of reanimatie is toegepast. Bij dit alles komt nog dat[verwerende partij] ter zake het overlijden geen volstrekte openheid van zaken heeft gegeven. Niet alleen heeft hij door afgifte van de verklaring van overlijden – zo al geen sprake is van valsheid in geschrift – de indruk gewekt dat hij zelf onderzoek bij de (overleden) cliënt heeft verricht maar ook met de tekst van de decursus (r. ov. 2.6.) wordt die indruk gewekt. Voorts acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat[verwerende partij] tegenover zijn supervisor niet alleen geen openheid van zaken heeft gegeven maar ook onwaarheid heeft gesproken door te verklaren dat hij de harttonen zelf had onderzocht en het verpleegkundig personeel wel zou hebben gevraagd of zij reanimatie hadden toegepast. Beide mededelingen zijn nadien onwaar gebleken. Bij dit alles komt tot slot dat[verwerende partij] een gewaarschuwd man was. Over zijn functioneren als basisarts had Pro Persona verschillende gesprekken met hem gevoerd. Op grond van het verslag van het gesprek op 2 september 2013 en het onweersproken feit dat op 6 december 2013 een regulier gesprek over het functioneren van[verwerende partij] gepland stond, blijkt voldoende duidelijk dat dit functioneringstraject nog niet was afgerond.[verwerende partij] heeft ten aanzien van zijn functioneren als arts ter zitting erkend dat hij over onvoldoende kennis en kunde beschikt om zijn functie als basisarts uit te oefenen. Anderzijds heeft hij zich erover beklaagd dat hij niet in staat is gesteld door Pro Persona om zijn kennis en kunde te verbeteren c.q. te vergroten. De kantonrechter laat beoordeling van dit verweer in het midden omdat het, zonder nadere toelichting die ontbreekt, er niet aan af doet dat[verwerende partij] geacht mag worden (hij betwist dit ook niet) de regels en protocollen rond het overlijden van cliënten te kennen. Hieraan zij nog toegevoegd dat ter zitting is gebleken dat[verwerende partij] in zijn werk bij Pro Persona meerdere malen met het overlijden van een cliënt is geconfronteerd, zodat deze situatie niet volstrekt nieuw voor hem was.

4.4.

De conclusie is dat sprake is van een dringende reden die mee brengt dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn dient te worden ontbonden. Voor toekenning van een billijke vergoeding is daarom geen plaats.

4.5.

De omstandigheid dat[verwerende partij] na 2 december 2013 nog enige dagen heeft gewerkt voor Pro Persona doet aan het voorgaande niet af, onder andere omdat nader onderzoek naar de gebeurtenissen (waarover[verwerende partij] zelf onjuiste informatie gaf) diende plaats te vinden en het onverwijldheidsvereiste ex art. 7:677 lid 1 BW bij een ontbinding ex art. 7:685 BW niet geldt.

4.6.

[verwerende partij] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 10 april 2014;

5.2.

veroordeelt[verwerende partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Propersona begroot op € 115,00 aan griffierecht en € 500,- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.