Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:2234

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
05/861681-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 29-jarige man uit Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden voor onder andere een zware mishandeling en een bedreiging gepleegd op respectievelijk 5 juni 2013 en 3 september 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/861681-13

Data zittingen : 8 januari 2014 en 19 maart 2014

Datum uitspraak : 2 april 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

raadsman : mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegestane vordering nadere omschrijving, ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 05 juni 2013 te Driel, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met zijn, verdachtes, knie op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt en/of gestoten en/of (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht op/tegen zijn hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt en/of getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 05 juni 2013 te Driel, gemeente Overbetuwe, tezamen en in vereniging met anderen of een ander en/of alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een oogkasfractuur), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met zijn, verdachtes, knie op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] te schoppen en/of trappen en/of stoten en/of (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht op/tegen zijn hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 05 juni 2013 te Driel, gemeente Overbetuwe, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met zijn, verdachtes, knie op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft

geschopt en/of getrapt en/of gestoten en/of (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht op/tegen zijn hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt en/of getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 03 september 2013 te Oosterbeek, gemeente Renkum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend die [slachtoffer] heeft meegenomen/meegevoerd naar een (aldaar gelegen) bosperceel en/of (aldaar) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, tegen het hoofd en/of in de mond van die [slachtoffer] heeft geplaatst en/of (daarbij) dat vuurwapen heeft doorgeladen;

3.

hij op of omstreeks 30 september 2013 te Arnhem, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 30 september 2013 te Arnhem, opzettelijk één of meer geneesmiddel(en), te weten:

- 138 tabletten kamagra en/of

- 34 ampullen anabole steroïden en/of

- 73 tabletten clenbuterol,

in elk geval een (groot) aantal geneesmiddelen), waarvoor geen handelsvergunning geldt in voorraad heeft gehad.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 januari 2014 en op 19 maart 2014 ter openbare terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is telkens bijgestaan door mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer].

De officier van justitie, mr. S. Leusink-van Dijk, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 tenlastegelegde

Betrouwbaarheidsverweer

De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1] ter discussie gesteld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat deze verklaringen inconsistent en onderling tegenstrijdig zijn. [getuige 1] is zelf verdachte in de zaak en om haar eigen straatje schoon te vegen, heeft zij uiteindelijk een verklaring afgelegd die de aangiften van [slachtoffer] ondersteunt. De onbetrouwbaarheid van haar verklaringen wordt bovendien onderstreept door de verklaring van haar dochter [naam 1] bij de rechter-commissaris, inhoudende dat de beschrijving door haar moeder van de gang van zaken op 4 september 2013, niet klopt, alsook doordat [slachtoffer] begin december 2013 tegenover de politie concludeert dat [getuige 1] kennelijk een onbetrouwbare rol in het geheel heeft gespeeld. De raadsman is van mening dat om die reden de verklaringen van [getuige 1] niet meegenomen mogen worden voor het bewijs.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit standpunt van de verdediging als volgt.

[getuige 1] heeft diverse verklaringen afgelegd. In de eerste verhoren heeft zij zich beroepen op haar zwijgrecht en later heeft zij wisselend verklaard. Op 30 september 2013 heeft zij ten aanzien van zowel het incident op 5 juni 2013, als het incident op 3 september 2013 een uitvoerige beschrijving van de gang van zaken gegeven. Deze gang van zaken heeft zij zes maanden later bij de rechter-commissaris onder ede herhaald.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat [getuige 1] in de loop van het opsporingsonderzoek niet altijd consistente en overeenstemmende verklaringen heeft afgelegd. Daags na het voorval op 5 juni 2013, heeft zij tegen de wijkagent van haar woonplaats verteld dat [slachtoffer] voor de deur stond met een kapotte kop en dat Veenendaal vervelend was geweest de afgelopen tijd (p. 1094). Enige tijd later, op 18 september 2013, is zij -als verdachte-gehoord over het voorval op 5 juni 2013. Daarbij was zij emotioneel en durfde zij geen verklaring af te leggen (p. 1159). De dag daarna beriep zij zich op haar zwijgrecht (p. 1161). In het daaropvolgende verhoor (p. 1166) heeft zij gezegd dat de sms-berichten, die [slachtoffer] ertoe brachten naar haar woning te komen, niet door haar waren verstuurd en maakt zij -moeizaam- een begin met het vertellen van haar verhaal, onder meer dat zij op 5 juni 2013 onder dwang naar haar slaapkamer moest gaan waar haar kinderen waren, dat zij heel hard de naam van haar zoontje riep (“[naam 2]”), dat zij een hoop lawaai heeft gehoord, dat zij na afloop naar beneden is gegaan, dat er bloed op de bank zat en dat zij bang is haar verhaal te vertellen. Telkens wanneer de naam van verdachte ter sprake komt, beroept zij zich op haar zwijgrecht. In het verhoor op 20 september 2013 (p. 1182) vertelt zij nog meer details, maar op de vraag wie [slachtoffer] mishandeld heeft, ontkent zij verdachte te hebben gezien. Zij vertelt wel dat zij de dag erna bericht kreeg van [naam 3], de dochter van [slachtoffer] die een relatie heeft met haar zoon [naam 4], dat [slachtoffer] klappen had gehad van [verdachte] [rechtbank: verdachte].

Dan volgt op 30 september 2013 ‘s ochtends vroeg de aanhouding van verdachte en enkele medeverdachten. In het verhoor van dezelfde dag (p. 1189) vertelt zij het verhaal (“ik zal eerlijk zijn”) zoals dat hierna in de bewijsvoering zal worden weergegeven, namelijk dat verdachte bij haar in huis was, dat het verdachte was die [slachtoffer] met haar telefoon een bericht heeft gestuurd dat hij langs kon komen, dat het verdachte was die aanklopte toen [slachtoffer] bij haar op de bank zat, dat het verdachte was die vervolgens met een aantal mannen naar binnen stormde en haar dwong naar boven te gaan en dat toen in de woonkamer de mishandeling van [slachtoffer] plaatsvond. Ook heeft zij verklaard dat zij een dag na de mishandeling op 5 juni 2013 bij verdachte op het matje werd geroepen. Verdachte zei toen dat hij [slachtoffer] een portie klappen had gegeven en dat ze problemen zou krijgen als ze contact zou zoeken met [slachtoffer].

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] - onder ede - verklaard dat zij al die tijd werd bedreigd, dat er weliswaar één persoon vast zit, maar nog 30 personen er ‘omheen lopen’. Zij blijft echter bij haar latere verklaring dat [slachtoffer] door verdachte naar haar woning is gelokt en dat verdachte haar huis is binnengestormd met andere mannen en [slachtoffer] heeft mishandeld.

Aangever [slachtoffer] heeft van meet af aan een gelijkluidend verhaal verteld, namelijk dat hij is mishandeld door verdachte en een aantal onbekende mannen. Dit heeft hij verteld tegen de verbalisanten die hem na de mishandeling opvingen en naar het ziekenhuis brachten (p. 1089) tegen de verbalisanten die een eerste verhoor afnamen in het ziekenhuis: (p. 1091) en in de daarop volgende verhoren. Hij verklaart echter ook dat hij nadien verschillende malen is bedreigd door verdachte. Hij heeft op 8 juni 2013 om 12.50 tegen verdachte aangifte gedaan van de mishandeling (p. 1077). Om 17.10 uur diezelfde dag belt hij de politie om te zeggen dat hij niet vrijuit kan spreken, maar wil melden dat de man die hij ’s middags heeft genoemd in zijn aangifte er toch niet bij betrokken was (p. 1095). Nadien heeft hij verklaard dat hij die dag, na de aangifte, verdachte was tegengekomen waarbij die tegen hem zei: “ik weet waar je moeder en kinderen wonen. Als je de aangifte doorzet ben je de mijne” en dat hij daarom had gebeld met de politie om te zeggen dat verdachte er niet bij betrokken was (p. 1097).

Uit het voorgaande volgt dat zowel aangever [slachtoffer] als getuige [getuige 1] herhaaldelijk melden ernstig te zijn bedreigd door verdachte. Pas na diens aanhouding, durft [getuige 1] het hele verhaal te vertellen, welk verhaal zij nadien volledig herhaalt en bevestigt bij de rechter-commissaris. Dat deze bedreigingen serieus moeten worden genomen, wordt onderstreept door de gebeurtenissen op 3 september 2013 die hebben geresulteerd in feit 2 op de dagvaarding, welk feit de rechtbank eveneens bewezen acht. Voor zover nodig wordt hier verwezen naar de bewijsvoering ter zake van feit 2.

De rechtbank concludeert dat er een aannemelijke verklaring is voor het gegeven dat de verklaringen van [getuige 1] niet altijd even consistent zijn geweest. De laatste verklaringen zoals die zijn opgenomen in de bewijsvoering van feit 1, worden echter wel geloofwaardig en betrouwbaar geacht en daarom voor het bewijs gebezigd.

Ten aanzien van feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 5 juni 2013 is [slachtoffer] in de woning van [getuige 1] aan de [straat 1] te Driel, door meerdere mensen in zijn gezicht gestompt en tegen zijn hoofd en op zijn lichaam geslagen en geschopt.2 Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] een gebroken rechter jukbeen, een zwelling aan de rechter oogkas, een snee bij zijn rechter wenkbrauw, diverse kneuzingen en meerdere builen op zijn hoofd en rode striemen op zijn rug opgelopen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Weliswaar staat vast dat [slachtoffer] is mishandeld, maar verdachte is bij dit incident niet aanwezig geweest. Verdachte is op die avond tot een uur of half elf op de sportschool geweest. Bovendien berust de aangifte van [slachtoffer], die verdachte in eerste instantie noemt als een van de daders, op een vergissing en is derhalve onjuist. Dit valt af te leiden uit het feit dat [slachtoffer] in zijn latere verklaringen op de betrokkenheid van verdachte terugkomt. Nu het dossier overigens geen bewijsmiddelen bevat die de betrokkenheid van verdachte ondersteunen, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het door [slachtoffer] opgelopen letsel niet te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel, om welke reden slechts de meer subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De beoordeling door de rechtbank

Alibi

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet aanwezig kan zijn geweest bij de mishandeling aangezien hij op het tijdstip van de mishandeling nog op de sportschool aanwezig was. [getuige 2] en enkele anderen kunnen dat bevestigen. Ze zijn omstreeks 22.30 uur vertrokken en om 23.15 uur kwam hij thuis aan, maar van dat laatste heeft hij geen alibi.

De rechtbank acht dit alibi van verdachte ongeloofwaardig. Allereerst is verdachte met deze, voor hem van groot belang zijnde, verklaring pas gekomen op het moment dat een van de medeverdachten in zijn eigen zaak met dit alibi kwam. Dit was pas in een laat stadium van het onderzoek aangaande verdachte. In alle eerdere verhoren heeft verdachte met geen woord over dit alibi gesproken. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de op verzoek van de verdediging ter zitting gehoorde getuigen dit alibi niet ondersteunen. Deze getuigen, waaronder [getuige 2], hebben verklaard dat verdachte doorgaans op woensdagavond vechtsport-training geeft. Echter, geen van hen heeft over de gang van zaken op de bewuste avond van 5 juni 2013 kunnen verklaren en met zekerheid kunnen zeggen dat verdachte er die avond ook was. De beheerder van de sportaccommodatie heeft verklaard dat [getuige 2] met zijn kickboksschool op woensdagavond van 19.00 uur tot 21.00 uur traint, waarna doorgaans, na het douchen en omkleden, om 22.00 uur de sportschool wordt afgesloten met behulp van de aan [getuige 2] uitgereikte smart-key. Op 5 juni 2013 waren de kickboksers om 22.00 uur nog bezig en blijkens de registratie van het alarmsysteem is het alarm om 22.40 uur geactiveerd met behulp van één van de aan [getuige 2] uitgereikte sleutels.4 Verbalisanten hebben vastgesteld dat de afstand tussen de sportschool en de woning van [getuige 1], waar de mishandeling plaatsvond, 6,2 km is en dat die afstand binnen 11 minuten kan worden overbrugd.5

Uit de hierna weer te geven verklaring van getuige [getuige 3] blijkt dat er mannen omstreeks 22.30 uur de woning van [getuige 1] zijn binnen gegaan en dat ongeveer een half uur later [slachtoffer] arriveerde. Daarna heeft de mishandeling plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee allereerst niet aangetoond dat verdachte de bewuste avond op de sportschool was en bovendien, een eventuele aanwezigheid eerder die avond geen alibi biedt voor het tijdstip waarop de mishandeling plaats vond.

De bewijsvoering

[slachtoffer] heeft in zijn aangifte - onder meer- het volgende verklaard.

“Ik doe aangifte tegen een man, genaamd [verdachte]. (…).

Toen ik aankwam in Driel in de [straat 1] (…) liep ik naar de voordeur en [getuige 1] liet mij binnen. Ik ben naast haar op de bank gaan zitten. Toen (….) werd er snel daarna op het raam geklopt. Ik zag dat het [verdachte] was, met nog iemand. [getuige 1] deed open (…) en het was net een kudde paarden die binnen kwam vliegen. Ik zag [verdachte] op mij afkomen en ik kreeg van alle kanten klappen.6 In mijn beleving kreeg ik van [verdachte] een eerste klap of een knie. Ik zat op de bank. Ik kreeg gelijk met de vuist een harde klap op de rechterkant van mijn gezicht. Ik viel daardoor van de bank af op de grond. Ik kwam op mijn buik terecht. Ik heb met mijn handen en armen mijn hoofd beschermd. Ik deed dat omdat er van alle kanten op mij in werd geslagen, terwijl ik op de grond lag. (….) Ik voelde dat ik klappen en trappen kreeg op mijn hoofd en lichaam. Ik kreeg klappen, schoppen en knietjes op mijn hoofd en lichaam. Ik kreeg dat van meerdere personen tegelijk.(….) Ik ben toen naar buiten gesleurd. (….) en ook op straat kreeg ik meerdere klappen en trappen van lui.7(….) Ik heb vanaf het moment dat [verdachte] binnenkwam, [getuige 1] niet meer gezien.8 (….) in de struiken heb ik [betrokkene 6] gebeld en hem kort gezegd wat er was. Ik zei dat ik klappen had gehad in Driel. [betrokkene 6] zei dat ik de auto moest pakken en naar hem moest komen.9 (….) Toen ik bij de ouders van [betrokkene 6] kwam hebben zij de politie gebeld.”10

Deze aangifte van [slachtoffer] wordt op essentiële punten door diverse andere bewijsmiddelen ondersteund.

Zo kwam er op 6 juni om 00.00 uur bij de politie een melding binnen dat een man door een groep van acht personen in elkaar was geslagen. Ter plaatse aangekomen, troffen de verbalisanten [slachtoffer] zittend vóór zijn auto aan. Hij was ernstig gewond, hij had bloed op zijn gezicht en op meerdere delen van zijn kleding en zijn gezicht was op diverse plaatsen opgezwollen. [betrokkene 1], die verklaarde door [slachtoffer] gebeld te zijn, stond naast hem. [slachtoffer] verklaarde tegenover de verbalisanten dat [verdachte] hem had mishandeld.11

Getuige [getuige 3], wonend naast de woning waar de mishandeling heeft plaatsgevonden, heeft als volgt verklaard:

“(….) Op 5 juni 2013 was ik thuis. Omstreeks 22:30 uur kwamen er een drietal auto’s voor mijn woning staan. (…) Ik zag dat de drie auto’s twee donkere Volkswagens Golf waren en een witte bestelauto. (…) In de twee Volkswagens zaten per auto minimaal vier personen, maar mogelijk ook meer. Ze hadden allen een Zuid Europees uiterlijk. (…) Vervolgens zag ik dat uit de Volkswagen (…) twee grote mannen stapten. (…) Ik kan deze mannen het beste omschrijven als grote “klerenkast” en [ze] leken wel bodyguards of iets dergelijks. (….) Ik zag dat deze twee mannen naar de [straat 1] liepen en bij [getuige 1] de woning binnen gingen. (….) Ongeveer 20 tot 30 minuten nadat de twee mannen bij [getuige 1] naar binnen gingen, zag ik [slachtoffer] aan komen rijden. (…) Vervolgens liep hij naar de woning van [getuige 1] en werd hier binnen gelaten. (…) Vervolgens hoorde ik opeens een hoop gekef van de hond van [getuige 1] en de kinderen van haar hoorde ik hysterisch huilen en roepen: “Schei uit, hou op!”, of woorden van gelijke strekking. Het geblaf en gehuil ging wel 10 minuten tot een kwartier door. (…) Dit alles gebeurde terwijl [getuige 1], [slachtoffer] en de twee hierboven genoemde mannen in de woning waren. Vervolgens hoorde ik de voordeur van [getuige 1] hard dichtslaan en zag dat [slachtoffer] zojuist naar buiten was gekomen. (…) Ik zag dat hij nu helemaal in elkaar gekropen en verbogen. (…) Toen ik de volgende dag achter de woning wou kijken zag ik in de brandgang rechts naast nummer 28 een plas bloed liggen. Deze plas had een doorsnee van 30 centimeter (….).”12

[getuige 1] heeft op 30 september 2013, na de aanhouding van verdachte, een uitvoerige beschrijving van de gang van zaken op 5 juni 2013 gegeven, die zij een half jaar later bij de rechter-commissaris onder ede heeft bevestigd. Zij verklaarde als volgt:

” (…) Ik zal eerlijk zijn. [verdachte] zat toen bij mij in de woning. Dit was in de avond. (…) [verdachte] verliet toen mijn woning en later is [betrokkene 2] is bij mij thuis gekomen. Ik gaf [betrokkene 2] aan dat [slachtoffer] kwam om te praten. [betrokkene 2] zei toen dat zij wel even in de tuin ging zitten terwijl ik met [slachtoffer] zou gaan praten. Toen [slachtoffer] bij mij thuis kwam ging [betrokkene 2] inderdaad in de tuin zitten wachten. We hebben niet met elkaar kunnen praten, want in een poep en een scheet stonden die anderen er. Er werd op het raam geklopt. Ik zag toen dat [verdachte] voor deur stond. Ik heb de deur toen geopendToen ik de deur opende vloog [verdachte] binnen, gevolgd door weet ik wie allemaal. [verdachte] zei dat ik naar boven moest. Ik ben toen naar boven gegaan. Ik werd gevolgd door twee mannen. Dat waren twee buitenlanders. Ik ben naar mijn slaapkamer gelopen. Mijn kinderen zaten op mijn slaapkamer en die heb ik geprobeerd rustig te krijgen. Kort daarna kwam [betrokkene 2] ook boven. (….) Toen het op een gegeven moment rustig was, ben ik naar beneden gegaan. Ik had wel de indruk dat er gevochten was, maar er lag maar een klein beetje bloed op de bank. (….) maar [slachtoffer] vertelde mij dat hij buiten nog een keer te pakken was genomen. (….)” 13

”De dag erna moest ik op het matje komen bij [verdachte] thuis. (….) Ik vroeg toen waarom ik moest komen. [verdachte] gaf toen aan dat hij [slachtoffer] een portie klappen had gegeven. (….)”14

Op grond van het voorgaande neemt de rechtbank datgene wat [slachtoffer] heeft verklaard in zijn aangifte als vaststaand aan en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld.

Het letsel van [slachtoffer]

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het, hierna te bespreken, geconstateerde letsel niet tot de conclusie kan leiden dat er een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] bestond, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het door [slachtoffer] opgelopen letsel niet te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel, om welke reden slechts de meer subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen zou kunnen worden. Daarmee kan de rechtbank zich echter niet verenigen; het letsel moet wel degelijk worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Uit de geneeskundige verklaring, opgemaakt op 24 juni 2013 en uit de stukken gevoegd bij de vordering die is ingediend door [slachtoffer], leidt de rechtbank namelijk het navolgende af.

Als gevolg van de mishandeling op 5 juni 2013 heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, te weten: een gebroken rechter jukbeen, een zwelling aan de rechter oogkas, een oogkasfractuur, een snee bij zijn rechter wenkbrauw, diverse kneuzingen en meerdere builen op zijn hoofd en rode striemen op zijn rug.15 Hij is (met spoed) geopereerd aan het gebroken jukbeen en de gebroken oogkas. Een plaat is geplaatst en met vijf schroeven bevestigd. Tot heden heeft hij last van ongevoeligheid aan de rechtergezichtshelft. De rechtbank kwalificeert dit letsel, in tegenstelling tot de verdediging, als zwaar lichamelijk letsel en verwerpt het verweer.

Daarbij verdient opmerking dat de rechtbank uit HR 11 oktober 2011, LJN BR2359 afleidt dat gegevens die blijken uit de belegstukken bij de civiele vordering, kunnen worden gebezigd voor bewijs, mits deze bij het onderzoek ter terechtzitting zijn besproken, hetgeen is gebeurd.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 05 juni 2013 te Driel, tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon genaamd

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een oogkasfractuur), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) met zijn, verdachtes, knie tegen het hoofd van

die [slachtoffer] te stoten en (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen (telkens) met kracht tegen zijn hoofd en (elders) op het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en stompen en trappen en schoppen.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] samen met [medeverdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Primair heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de bedreiging heeft plaatsgevonden, subsidiair dat niet vast te stellen is dat verdachte een van de bedreigers is geweest.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft in zijn aangifte - onder meer - het volgende verklaard.

“(….) [betrokkene 3] zei dat [verdachte] hem even moest spreken en dat het maar vijf minuutjes zou duren. Ik zei tegen [betrokkene 3] dat ik niet mee kon, omdat ik iemand moest ophalen. Ik zei dat ik rond 20.15 uur wel kon. Ik zou dan op de afgesproken plaats komen.(….) Toen ik [betrokkene 4] opgehaald had, ben ik naar de zijkant van café Jimmy gereden. [betrokkene 4] gaf aan dat ze mij niet in elkaar zouden slaan waar hij bij was. Op de afgesproken plaats aangekomen ben ik uit de auto gestapt. [betrokkene 4] bleef bij de auto zitten of staan. Ik zag dat [verdachte] (rechtbank: verdachte) op mij afgelopen kwam. (….) [verdachte] vroeg aan mij of ik even mee wilde lopen naar de auto. (…) Ik stapte aan de bijrijderskant voorin en [verdachte] ging naast mij zitten en legde één hand op mijn rechterschouder. [medeverdachte] (rechtbank: [medeverdachte]) ging achter het stuur zitten. De deuren gingen dicht en ik hoorde klik klik. Dit was het geluid van dat de deuren op slot gingen. (…) We reden toen weg. (…) [verdachte] vroeg of ik gepraat had (…). En wie het allemaal wisten. Ik zei toen tegen hem dat ik niet gepraat had. Ik hoorde [verdachte] toen zeggen laat maar, dat krijgen we zo wel uit je. (…) Inmiddels waren we in Oosterbeek, reden we een bospad in. (…) Aan het einde moest ik uitstappen. (…) Ik zag toen dat [medeverdachte] een rood wit plastic tasje onder de bijrijdersstoel pakte. (…) Ik moest van beiden het bos inlopen. Op een gegeven moment kreeg ik een schop of een klap en viel op de grond. Ik kreeg een schop of klap tegen mijn heup. Ik draaide mij om. Ik zag dat [medeverdachte] een pistool uit de tas haalde. Ik zag en voelde dat [medeverdachte] het pistool tegen mijn hoofd drukte, eerst tegen mijn linker slaap en daarna tegen mijn voorhoofd. [medeverdachte] vroeg mij met wie ik er over gepraat heb. Ik zei met niemand. [verdachte] zei tegen mij: als je wel met iemand gepraat hebt, dan zie je nu wel wat er gebeurt, of zoiets. Vervolgens duwde [medeverdachte] de demper tegen mijn lippen en drukte zo hard dat ik mijn mond open moest doen. Vervolgens drukte [medeverdachte] de demper in mijn mond. Ze bleven hetzelfde zeggen dat ik niet moest praten en ze bleven maar herhalen wie er allemaal vanaf wisten. (…) Ik dacht toen schiet maar, dan heb ik rust. Op een gegeven moment haalt [medeverdachte] het pistool uit mijn mond en trekken ze mij overeind. (…)

[betrokkene 4] heeft op mij staan wachten. (….) [betrokkene 4] en ik zijn toen in mijn auto stapt en we zijn toen weer weggereden.(….) U vraagt mij de pistool te omschrijven. Volgens mij is dat een beetje het zelfde wat jullie hebben misschien iets kleiner, maar dan met een demper er op. De demper was ongeveer 15 centimeter. De kleur van pistool en demper waren zwart. [medeverdachte] laadde de pistool ook nog door voordat hij hem tegen mijn hoofd aan zette. Dat deed hij door het ijzeren gedeelte aan de bovenzijde van het pistool naar achteren te trekken en los te laten. Aan het gat van de loop te zien, was het een 9 mm. (….) Doordat [medeverdachte] met kracht het wapen tegen mijn mond aan drukte, heb ik een zwelling aan mijn linker bovenlip. Toen [betrokkene 4] en ik wegreden, heb ik [betrokkene 4] niets verteld. Niemand mocht hier iets van weten. Dat was mij wel duidelijk geworden. Ik was bang. (….)”16

Deze aangifte van [slachtoffer] wordt op essentiële punten door diverse andere bewijsmiddelen ondersteund.

Uit de getapte gesprekken tussen [slachtoffer] en [betrokkene 4], valt af te leiden dat [slachtoffer] op 3 september 2013 rond 20:28 uur tegen [betrokkene 4] heeft gezegd dat [betrokkene 4] moet opschieten omdat [verdachte] weer heeft gebeld.17 Ook heeft [slachtoffer] rond 20:36 uur [betrokkene 4] gebeld om te zeggen dat hij het niet vertrouwt. [betrokkene 4] vraagt daarop of hij bij [slachtoffer] moet komen staan. [slachtoffer] antwoordt dat [betrokkene 4] met hem moet meelopen.18

Bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 4] -onder meer- als volgt verklaard:

“U zegt mij dat [slachtoffer] mij kort daarna weer belt en dat hij gezegd heeft dat hij het niet vertrouwde (…) Dat klopt. Ik stond toen bij hem, maar ik ben niet meegelopen. Ik wist niet wat ze besproken hebben. Ik heb daar staan wachten. (….) Waar moest u hem naartoe brengen? (….) Hij vertelde mij dat hij naar [verdachte] moest. (…) [slachtoffer] liep op een gegeven moment weg. (….) Ik bleef achter tot hij terug was. (….) Toen heb ik hem teruggebracht. Is er in de auto nog gesproken? Niet over hetgeen hij ging doen.”19

Op 4 september 2013 is vanaf telefoonnummer [telefoonnummer 1], in gebruik bij verdachte, een sms-bericht verstuurd naar telefoonnummer [telefoonnummer 2], in gebruik bij [betrokkene 5] met de tekst: “niet zeggeb dat ik met [medeverdachte] was”.20

Op 30 september 2013 is medeverdachte [medeverdachte] aangehouden en heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in zijn woning aan het [straat 2] te Arnhem. Bij deze doorzoeking zijn wapens en munitie aangetroffen en in beslag genomen,21 waaronder een pistool CZ, model 75B, 9x19mm.22 Van dit pistool zijn de loop en de loopmond bemonsterd en ingezonden naar het NFI.23 Tevens is referentiemateriaal van [slachtoffer] ingezonden.24

Het NFI heeft op de bemonstering van de loopmond en loop van het pistool met nummer [nummer] een onvolledig DNA-profiel van een man aangetroffen. Dit profiel is vergeleken met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Het NFI heeft hierbij geconcludeerd dat de kans dat een willekeurig gekozen persoon juist dit DNA-profiel heeft kleiner is dan 1 op 1 miljard.25

Getuige [getuige 1] heeft op 30 september 2013, na de aanhouding van verdachte, een uitvoerige beschrijving van de gang van zaken op 3 september 2013 gegeven.

“Op 3 september 2013 is [slachtoffer] in het bos bedreigd met een pistool in zijn mond. Op 4 september belde mijn dochter [naam 1] dat ik bij haar aan de [straat 3] moest komen. Toen ik binnenkwam zag ik dat [verdachte] met ontbloot bovenlijf op de bank zat. (…) Ik hoorde hem zeggen dat hij wist dat ik weer met [slachtoffer] contact had. Hij had de dag ervoor [slachtoffer] meegenomen en een pistool op zijn mond gezet en [slachtoffer] had dit aan hem verteld. (…) Vervolgens hoorde ik [verdachte] zeggen tegen mijn dochter dat ze het best mocht weten dat hij een pistool op [slachtoffer] zijn kop had gezet en tegen mij hoorde ik hem zeggen dat als hij het verhaal terug hoorde, hij zou weten dat het van mij kwam. Ik zei tegen hem wat wil je doen dan, wil je mij ook een pistool op mijn kop zetten? Dat moet je gewoon doen dan. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat als ik meegenomen werd en op mijn knieën zou zitten, een pistool op mijn hoofd kreeg en klik klik zou horen, dat ik wel anders zou piepen.”26

De getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris onder ede verklaard bij haar verklaring die ze op het eind heeft afgelegd bij de politie te blijven (dit betreft de hiervoor door de rechtbank aangehaalde verklaring).27Voorts heeft [getuige 1] bij de rechter-commissaris verklaard:

“U houdt mij voor dat [slachtoffer] verklaard heeft over een bedreiging op 3 september 2013. Wanneer heeft [slachtoffer] u hierover verteld?

Die avond. Hij vertelde dat er weer van alles was gebeurd en dat hij bang was en dat zijn bek kapot was. Ik zei dat hij naar mij moest komen. Ik zei toen dat het nog wel mee viel met zijn mond. Hij vertelde toen dat [verdachte] een pistool op zijn kop had gezet. Ik hoorde van [verdachte] later dat het in zijn mond was. (…) Hij vertelde dat [medeverdachte] achter een muurtje vandaan kwam. (…) Ik heb destijds wel een zwelling bij zijn lip gezien.”28

Op grond van vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien, ook met de overwegingen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de verklaringen van getuige [getuige 1] - acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] is bedreigd en dat verdachte en [medeverdachte] degenen zijn geweest die hem in een auto hebben meegevoerd naar een bos in Oosterbeek en hem aldaar hebben bedreigd met de dood door een pistool door te laden en in zijn mond te plaatsen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 03 september 2013 te Oosterbeek, gemeente Renkum, tezamen en in vereniging met een ander , [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gerichti mmers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend die [slachtoffer] meegevoerd naar een (aldaar gelegen) bosperceel en (aldaar) een vuurwapen tegen het hoofd en in de mond van die [slachtoffer] geplaatst en (daarbij) dat vuurwapen doorgeladen.

Ten aanzien van feit 3 en feit 4

Nu verdachte het ten laste gelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en voorts geen vrijspraak is bepleit, is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2013, p. 496;

- het proces-verbaal Opiumwet d.d. 15 oktober 2013, p. 522;

- de NFI rapportage Onderzoek aan geneesmiddelen en drugs, d.d. 30 december 2013;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 maart 2014.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feiten 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 30 september 2013 te Arnhem, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,82 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

en dat

hij op 30 september 2013 te Arnhem, opzettelijk geneesmiddel(en), te weten:

- 138 tabletten kamagra en

- 34 ampullen anabole steroïden en

- 73 tabletten clenbuterol,

, waarvoor geen handelsvergunning geldt in voorraad heeft gehad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 4:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 40 lid 2 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste straf te hoog is. Uit het requisitoir van de officier van justitie kan afgeleid worden dat zij de rechtbank verzoekt om voor feit 1 subsidiair een gevangenisstraf van achttien maanden op te leggen. De raadsman is van mening dat deze straf niet in verhouding staat tot andere zaken waarin meerdere geweldsdelicten bewezen zijn verklaard en verzoekt de rechtbank in het geval van een bewezenverklaring een lagere straf op te leggen voor dat feit. Aangezien de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging niet de ernstigste vorm van een dergelijk delict is, verzoekt de raadsman ook voor dat feit bij een bewezenverklaring niet de maximum straf op te leggen, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, maar deze straf te matigen. Daarnaast heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte een beperkte justitiële documentatie heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 10 december 2013 en

 een voorlichtingsrapportage van reclassering Nederland, gedateerd 8 november 2013, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten.

Op 5 juni 2013 is verdachte met een knokploeg de woning van [getuige 1] binnengedrongen en heeft het slachtoffer [slachtoffer] daar zwaar mishandeld. Vervolgens is het slachtoffer mee naar buiten gesleurd waar de molestatie is voortgezet.. Daarna is het slachtoffer aan zijn lot is overgelaten. Met de ambulance is hij afgevoerd naar het ziekenhuis. Daar blijkt dat het slachtoffer zwaar toegetakeld is en geopereerd moet worden. Tot op de dag van vandaag kampt het slachtoffer met de gevolgen van het hem toegebrachte letsel.

Nadat het slachtoffer aangifte heeft gedaan, vangt een periode aan die zich kenmerkt door bedreigingen en angst in een mate die valt aan te merken als terreur. Niet alleen het slachtoffer maar ook [getuige 1], die als getuige is gehoord, wordt op diverse momenten door verdachte en zijn maten, op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt dat zij grote problemen krijgen als zij de naam van verdachte noemen. Deze structurele intimidatie loopt uit op de angstaanjagende bedreiging op 3 september 2013. Het slachtoffer wordt door verdachte en een maat in de auto meegevoerd naar een afgelegen plaats in het bos Terwijl hem wordt toegebeten dat dit gebeurt als hij zijn mond niet houdt, wordt hem een pistool tegen zijn hoofd gezet en later in zijn mond gedrukt. Het pistool was op dat moment doorgeladen.

Verdachte heeft gedurende drie maanden het slachtoffer geterroriseerd. Door deze gedragingen heeft het slachtoffer zich lange tijd onveilig en in het nauw gedreven gevoeld en hij heeft doodsangsten uitgestaan. Op enig moment op 3 september 2013 dacht hij dat zijn laatste uur had geslagen. De geweldplegingen, zoals door verdachte (en zijn medeverdachten) tegen het slachtoffer gepleegd, waren zeer grof. Verdachte heeft, zonder enig respect voor het leven van zijn medemens, zijn macht willen tonen en zijn omgeving gemanipuleerd. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen het slachtoffer, maar ook mensen in zijn omgeving, emotioneel beschadigd. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Ter afdoening van de strafbare feiten, zoals door verdachte gepleegd, acht de rechtbank, net als de officier van justitie, enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend en geboden. Uit de opgemaakte rapportage blijkt dat verdachte geen inzicht heeft willen geven in (de achtergrond van) de gepleegde feiten; hij heeft iedere medewerking geweigerd. De rechtbank zal dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van de hierna te noemen duur.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 7.129,66, bestaande uit € 2.129,66 aan materiële schade (kleding en ziekenhuiskosten) en € 5.000, - aan immateriële schade ten aanzien van feit 1 en € 5.000,- aan immateriële schade ten aanzien van feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij waar het betreft de materiële schade geleden als gevolg van feit 1, in zijn geheel toe te wijzen. De als gevolg van feit 1 en feit 2 geleden immateriële schade, verzoekt de officier van justitie de rechtbank deels toe te wijzen. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen gedeelte heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor het niet toe te wijzen deel heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in zijn gehele vordering. Primair omdat de raadsman van mening is dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide feiten, subsidiair wegens onvoldoende onderbouwing van zowel de materiële, als de immateriële schade.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer] tot een bedrag van

€ 139,50 aan materiële schade toewijzen. Het totale bedrag aan schadevergoeding voor vernielde kleding bedroeg € 279,-. Rekening houdend met afschrijving (50%) wegens het gebruik van de kleding, zal de rechtbank de omvang van de schade op basis van de overgelegde stukken op dat bedrag begroten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van materiële schade omdat dit deel van de vordering onvoldoende met stukken is onderbouwd. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Aan de benadeelde partij is door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op € 3.000,- ter zake van feit 1 en € 1.500,- ter zake van feit 2.

Ter bevordering van de betaling van de schadevergoeding, zal de rechtbank ook de daartoe strekkende maatregel opleggen. De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover een toe te wijzen bedrag door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 24c, 36f, 47, 57, 91, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten en artikel 40 van de Geneesmiddelenwet.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer] te betalen

€ 3.139,50 (drie duizend honderd negenendertig euro en vijftig eurocent).

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 3.139,50 (drieduizendéénhonderdnegenendertig euro en vijftig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 41 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij H.A,A. [slachtoffer] ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voor zover [medeverdachte] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 1.500,- (éénduizendvijfhonderd euro).

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voor zover [medeverdachte] betaalt ook veroordeelde daardoor zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 1.500,- (éénduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. Y. van Wezel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Cosijn, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 april 2014.

mrs. Van Wezel en Cosijn zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant(en)] van de regiopolitie Gelderland-Midden, , opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL079H 2013059007, onderzoek 07RDR13023, gesloten op 27 november 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p.1079, laatste zin van de 1e alinea en 2e alinea.

3 Medische verklaring betreffende [slachtoffer] d.d. 2 november 2013, p. 94.

4 Het in de wettelijke vorm door [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2014, p. 2 (nagezonden en gevoegd bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen PL079H-2013059007-175).

5 Idem, p. 1.

6 Proces-verbaal van aangifte, p.1079, tweede helft 1e alinea.

7 Proces-verbaal van aangifte, p.1079, 2e alinea

8 Proces-verbaal van aangifte, p.1079, 3e alinea

9 Proces-verbaal van aangifte, p.1079, laatste alinea en p.1080 1e alinea.

10 Proces-verbaal van aangifte, p.1080 3e alinea.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juni 2013, p.1089, voorlaatste alinea.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], p. 1204, 2e alinea en laatste alinea en p. 1205, 2e en 3e alinea.

13 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], p. 1190, laatste alinea en 1191, eerste 4 alinea’s.

14 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], p. 1191, 6e alinea.

15 Medische verklaring d.d. 2 november 2013, p. 94 en de medische verklaring dd. 6 juni 2013, gevoegd bij het voegingsformulier

16 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 1258-1259..

17 Uitgewerkte tapgesprek, p. 1291, onderaan.

18 Uitgewerkte tapgesprek, p. 1291, onderaan en p.1292 bovenaan.

19 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 4], d.d. 24 februari 2014, p.3.

20 Een uitgewerkt tapgesprek, p. 1299.

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 527.

22 Proces-verbaal Wet wapens en munitie, p. 562.

23 Proces-verbaal van ‘aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming deskundige’, nagezonden stuk gevoegd als bijlage bij het NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en dna-onderzoek d.d. 20 februari 2014.

24 Proces-verbaal van ‘aanwezigheid opsporingsambtenaar bij afname celmateriaal ter bepaling dna-profiel’, nagezonden stuk gevoegd als bijlage bij het NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en dna-onderzoek d.d. 20 februari 2014.

25 NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en dna-onderzoek naar aanleiding van een bedreiging gepleegd in Arnhem op 3 september 2013, d.d. 20 februari 2014.

26 Proces-verbaal van aangifte van [getuige 1], p. 126.

27 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 2, 7e regel van onderen.

28 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 7-8.