Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1939

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
21-03-2014
Zaaknummer
243050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over een woning in een nalatenschap. Overbedeling. De woning is deels verhuurd. Dat is een daad van beheer dan wel een daad van beschikking (art. 3:170 lid 2 / lid 3 BW). De ene deelgenoot kon niet zonder de andere deelgenoot tot verhuur overgaan en moet diens schade vergoeden. Een aantal posten moet worden vergoed, andere worden afgewezen. Zie ook ECLI:NL:RBGEL:2014:1938.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/243050 / HA ZA 13-318

Vonnis van 5 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.H. van de Beeten te Zevenaar,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

3. MR. W.D. HUIZINGA,

wonende te Arnhem,

gedaagden in conventie,

gedaagden sub 1 en sub 2 tevens eisers in reconventie,

advocaat mr. W.D. Huizinga te Arnhem.

Eiser in conventie, verweerder in reconventie wordt hierna [eiser] genoemd. Gedaagden in conventie sub 1 en 2, tevens eisers in reconventie zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2]. Gedaagde in conventie sub 3 zal hierna worden aangeduid als mr. Huizinga.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 juli 2013

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de akte overlegging productie van [eiser]

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 10 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam 1] is op 6 september 1980 overleden. [eiser] en [naam 2], de moeder van [gedaagde sub 1], waren ieder voor 50% erfgenaam van wijlen [naam 1]. [naam 2] is op 17 mei 2008 overleden. [gedaagde sub 1] is haar enige erfgenaam.

2.2.

In de nalatenschap van wijlen [naam 1] (hierna: de nalatenschap) viel een woning aan [adres] (hierna: de woning). Bij tussenarrest van het hof Arnhem van 13 maart 2007 heeft het hof geoordeeld dat de woning diende te worden toegescheiden en geleverd aan [eiser]. Dit oordeel is herhaald in het eindarrest van 12 mei 2009. In februari 2010 en september 2012 is ten behoeve van mr. Huizinga een hypotheek verstrekt op het onverdeeld aandeel van [gedaagde sub 2]/[gedaagde sub 1] in de woning. Mr. Huizinga heeft op 5 november 2012 meegewerkt aan royement van die hypotheken. Diezelfde dag is ten behoeve van [naam 3] (hierna: [naam 3]) een hypotheek gevestigd op het onverdeeld aandeel van [gedaagde sub 1] in de woning. Volgens de hypotheekakte strekte de hypotheek tot zekerheid van aflossing van een lening, inclusief de daarover verschuldigde rente, die [naam 3] aan [gedaagde sub 1] had verstrekt. Dit laatste hypotheekrecht is op 11 december 2012 geroyeerd.

2.3.

De akte van verdeling van de nalatenschap is gepasseerd op 11 december 2012. De woning is die dag geleverd aan [eiser]. [eiser] heeft de woning diezelfde dag doorgeleverd krachtens een in 2011 gesloten koopovereenkomst.

2.4.

[eiser] is in het kader van de verdeling overbedeeld. Hij was gelet hierop gehouden aan [gedaagde sub 1], althans [gedaagde sub 2], een overbedelingsuitkering van

€ 126.338,11 te betalen. Deze overbedelingsuitkering is onder de notaris blijven rusten. [eiser] heeft hierop conservatoir derdenbeslag laten leggen.

2.5.

Bij arrest van het hof Arnhem van 5 maart 2013 is onder meer geoordeeld dat [gedaagde sub 2] aan de boedel (de gemeenschap) een vergoeding van het door wijlen [naam 2] genoten woongenot moeten betalen. De totale vergoeding bedraagt € 123.691,56, waarvan de helft ten gunste komt van [eiser], zijnde € 61.845,78.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert samengevat:

I. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden ten titel van schadevergoeding wegens onrechtmatige verhuur aan [naam 4] een bedrag van € 7.979,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen;

II. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de als gevolg van de onrechtmatige weigering om gevolg te geven aan het ontruimingsbevel bij arrest van 12 mei 2009 ontstane kosten ad € 1.391,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2012;

III. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de extra notariskosten ad € 10.967,94 die noodzakelijk waren als gevolg van de onrechtmatige handelingen met betrekking tot de hypotheken verstrekt aan mr. Huizinga en [naam 3], te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 december 2012;

IV. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de onzijdig persoon ad € 1.477,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 december 2012;

V. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald een bedrag van € 61.845,78 ter zake de afrekening van de inbreng van de vergoeding voor woongenot;

VI. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald een bedrag van € 27.552,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 maart 2013 ter zake de afrekening van de krachtens het arrest van 12 mei 2009 verbeurde dwangsommen;

VII. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald een bedrag van € 13.158,45 ter zake het verschuldigde saldo aan proceskostenveroordelingen vanaf 5 maart 2013;

VIII. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald een bedrag van € 2.800,00 ter zake toewijzing in het vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 april 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2013;

IX. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald een bedrag van € 7.979,85 ter zake schadevergoeding vanwege onrechtmatige verhuur aan [naam 4];

X. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald een bedrag van € 1.391,50 ter zake de ontruimingskosten;

XI. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald een bedrag van € 10.967,94 ter zake onnodige notariskosten;

XII. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald een bedrag van € 1.477,00 ter zake kosten onzijdig persoon;

XIII. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen berustende overbedelingsdepot aan [eiser] wordt uitbetaald, voorwaardelijk, namelijk voor zover er cassatieberoep wordt ingesteld door [eiser] en de Hoge Raad het oordeel van het hof in het arrest van 5 maart 2013 inzake de rentevergoeding over de vergoeding voor woongenot vernietigt en na verwijzing die vergoeding alsnog wordt toegekend, om te gehengen en te gedogen dat de alsdan vast te stellen of vastgestelde rentevergoeding over de vergoeding voor woongenot wordt verrekend met het overbedelingsdepot onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen voor zover dat depot daartoe dan nog strekt;

XIV. [gedaagde sub 1] te veroordelen om aan [eiser] te betalen voorwaardelijk, voor zover de verklaring voor recht in het arrest van 5 maart 2013 dat [gedaagde sub 1] de nalatenschap van wijlen [naam 2] zuiver heeft aanvaard onherroepelijk wordt, dient te voldoen de helft van het negatieve saldo van de inbreng en/of vergoedingsverplichtingen van [naam 2] in de nalatenschap [naam 1] en hem te veroordelen om dat saldo aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, te berekenen over dat negatieve saldo vanaf het moment van uitkering uit het overbedelingsdepot aan [eiser] van de hem toekomende bedragen;

XV. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen overgaat tot uitkering van het proceskostendepot ad

€ 10.000,00 aan [eiser];

XVI. mr. Huizinga te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen overgaat tot uitkering van het proceskostendepot aan [eiser], althans een deel daarvan als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het onderhavige vonnis.

3.2.

[gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] en mr. Huizinga voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] vordert samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 75.000,00 ter zake van schadevergoeding wegens onrechtmatige beschikking over, althans verkoop en vervreemding van de tot de nalatenschap behorende woning, te vermeerderen met de wettelijke rente. Hij vordert daarnaast veroordeling van [eiser] tot betaling van € 10.967,94 ter zake van extra notariskosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.5.

[eiser] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze in het navolgende gezamenlijk behandeld.

Verhuur van de woning

4.2.1.

[eiser] vordert een bedrag van € 7.979,85 ter zake van geleden schade. Daarnaast vordert hij dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] wordt veroordeeld te gehengen en gedogen dat dit bedrag wordt uitbetaald uit het overbedelingsdepot. Hij legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] zonder toestemming van [eiser] een deel van de woning (de zogenaamde bel-etage) heeft verhuurd aan [naam 4], terwijl hij hiertoe niet bevoegd was op grond van artikel 3:170 lid 3 BW.

4.2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de verhuur van de bel-etage te worden aangemerkt als een daad van beheer in de zin van artikel 3:170 lid 2 BW dan wel als een daad niet zijnde een beheersdaad (ook wel aangeduid als een daad van beschikking) in de zin van artikel 3:170 lid 3 BW. Tot het verrichten van handelingen die kunnen worden aangemerkt als beheer of beschikking in de hiervoor bedoelde zin zijn de deelgenoten enkel tezamen bevoegd. Hieruit volgt reeds dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] de bel-etage niet zonder meer heeft kunnen verhuren en dat de huurovereenkomst [eiser] in beginsel niet heeft gebonden, zoals ook onherroepelijk geoordeeld bij vonnis van de kantonrechter van 11 juli 2011. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] diende er daarnaast rekening mee te houden dat de woning niet aan hem zou worden toebedeeld, wat uiteindelijk ook niet is gebeurd. Hij diende er dan ook eveneens rekening mee te houden dat [eiser] de woning na de levering aan hem vrij van huur zou willen verkopen en leveren aan een derde. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] in beginsel de door [eiser] als gevolg van de verhuur van de bel-etage geleden schade moet vergoeden.

4.2.3.

Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 7.979,85 betreft de gestelde kosten die mr. Van de Beeten heeft gemaakt met betrekking tot de ontruiming van de bel-etage en het doen vaststellen van het ontbreken van enig recht of titel om in de woning te wonen. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar productie 7 en de producties 7a tot en met 7n bij de akte overlegging producties van zijn zijde. Dit betreft een opsomming van gedeclareerde dan wel nog te declareren bedragen in de periode november 2010 tot 15 december 2011 en de daarbij behorende declaraties. Uit de overgelegde specificaties volgt dat een deel van de werkzaamheden ziet op het opstellen van processtukken. Deze komen niet voor vergoeding door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] in aanmerking, aangezien deze kosten worden geacht te zijn opgenomen in de proceskostenveroordeling in het vonnis van 7 juli 2011. Hetzelfde geldt voor de opgevoerde griffierechten. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] onweersproken aangevoerd dat [eiser] zonder overleg is overgegaan tot het nemen van rechtsmaatregelen tegen de huurder. Naar het oordeel van de rechtbank is niet uitgesloten dat de huurder bereid was geweest de woning te verlaten indien overleg was gevoerd en [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] als verhuurder bij dit overleg zou zijn betrokken. Nu [eiser] daarnaast zijn vordering niet nader heeft onderbouwd, in die zin dat hij gespecificeerd heeft aangegeven welke van de verrichte werkzaamheden en de daarvoor berekende uren noodzakelijk waren, wordt het gevorderde afgewezen.

4.2.4.

[eiser] vordert voorts dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.391,50 ter zake van ontruimingskosten (waarmee is bedoeld de ontruiming van het niet-verhuurde deel van de woning). [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] voert hiertegen aan dat hem de toegang tot de woning was ontzegd en hij aldus niet in staat was de woning te ontruimen. Ter comparitie is gebleken dat mr. Van de Beeten namens [eiser] aan mr. Huizinga heeft laten weten dat [eiser] bereid was de sleutel van de woning af te geven, zodat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] kon ontruimen. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] heeft vervolgens aangevoerd dat hij geen zekerheid had over de vraag of [eiser] alsdan vanwege het betreden van de woning aanspraak zou maken op de dwangsommen zoals opgelegd door de rechter. Gebleken is echter dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] niet om die zekerheid heeft gevraagd middels een bevestiging van de advocaat, terwijl mr. Van de Beeten heeft aangegeven dat hij vanzelfsprekend bereid was geweest die zekerheid te verschaffen. Hij zou immers zelf de sleutel ter beschikking stellen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat [eiser] goede grond had de ontruiming van de woning zelf ter hand te nemen. Hij was hiertoe overigens ook gemachtigd in het arrest van 12 mei 2009. De kosten van ontruiming komen redelijkerwijs voor rekening van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2].

4.2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank rustte de verplichting tot ontruiming op [gedaagde sub 1] als erfgenaam van [naam 2] en niet op hem in privé. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] de gemaakte ontruimingskosten dient te vergoeden. [eiser] heeft ter onderbouwing van de gevorderde kosten verwezen naar een factuur van Willemsen Sloopwerken B.V. d.d. 25 oktober 2012 ad € 1.391,50 inclusief btw (productie 8). [gedaagde sub 2] heeft de betreffende factuur en de hoogte van de kosten voor het overige niet betwist. Het gevorderde bedrag wordt dan ook toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde rente.

4.2.6.

Op de vraag of [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] moet gehengen en gedogen dat het toe te wijzen bedrag van € 1.391,50 wordt uitbetaald uit het overbedelingsdepot, wordt in het volgende nog toegekomen.

Notariskosten

4.3.1.

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 10.967,94 inclusief btw ter zake onnodig gemaakte notariskosten. Hij voert hieromtrent aan dat de notaris extra kosten heeft moeten maken als gevolg van de door [gedaagde sub 1] ten gunste van mr. Huizinga en [naam 3] gevestigde hypotheekrechten. Hij heeft ter onderbouwing twee declaraties van 30 september 2012 en 31 oktober 2012 in het geding gebracht (producties 9c en 9d).

4.3.2.

Uit de declaraties volgt dat de notaris slechts de helft van de betreffende kosten aan [eiser] in rekening heeft gebracht en de andere helft aan [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2], zodat reeds een verdeling heeft plaatsgevonden. Daarnaast staat niet zonder meer vast dat alle gedeclareerde werkzaamheden noodzakelijk waren in verband met het ten gunste van mr. Huizinga gevestigde hypotheekrecht. Aangezien [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat het hypotheekrecht ten gunste van [naam 3] eerst op 5 november 2012 is gevestigd en hij hiervan kennis heeft genomen op 7 november 2012, staat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet vast dat de notaris reeds voor 5 november 2012 kosten heeft moeten maken als gevolg van het hypotheekrecht van [naam 3]. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] voert voorts terecht aan dat uit de declaraties kan worden opgemaakt dat in ieder geval een deel van de werkzaamheden betrekking heeft gehad op de levering van de woning aan de kopers, welke levering een zaak is tussen [eiser] en de kopers van de woning. Het had op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen een nadere specificatie in het geding te brengen dan wel de declaraties nader toe te lichten, hetgeen hij - ook na vragen aan zijn advocaat ter comparitie - heeft nagelaten. Gelet op voornoemde omstandigheden wordt het door [eiser] gevorderde bedrag van € 10.967,94 afgewezen.

4.3.3.

[gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] vordert in reconventie dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de notariskosten die de notaris aan [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] in rekening heeft gebracht, aldus eveneens € 10.967,94.

4.3.4.

Dat sprake zou zijn van onterecht opgelopen notariskosten zoals is gesteld, moge zo zijn maar dat is aan beide partijen toe te schrijven. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het redelijk de verdeling die is aangebracht door de notaris, te weten ieder draagt de helft van de kosten, te handhaven. Dit deel van de reconventionele vordering wordt dan ook afgewezen.

Kosten onzijdig persoon

4.4.

[eiser] vordert voorts betaling van een bedrag van € 1.477,00 ter zake van de kosten van de onzijdig persoon die is ingeschakeld omdat [gedaagde sub 1] als erfgenaam van [naam 2] volgens [eiser] heeft geweigerd mee te werken aan de ondertekening van de akte van verdeling. De onzijdig persoon is in een eerder gevoerde procedure door deze rechtbank benoemd. In artikel 3:181 lid 3 BW is bepaald dat de beloning die de onzijdige persoon ten laste van de rechthebbende toekomt, op zijn verzoek wordt vastgesteld door de rechter die hem benoemde. De beloning zal worden vastgesteld op bovengenoemd bedrag en [eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij deze kosten aan de onzijdig persoon heeft voldaan, zodat dit zal worden toegewezen. Aangezien de beloning eerst in dit vonnis is vastgesteld op grond van 3:181 lid 3 BW, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van deze uitspraak.

Verrekening

4.5.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij een aantal vorderingen die hij op [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] stelt te hebben mag verrekenen met het overbedelingsdepot.

4.5.2.

In artikel 6:127 lid 2 BW is bepaald dat een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening heeft, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Daarnaast is in lid 3 van dit artikel bepaald dat de bevoegdheid tot verrekening niet bestaat ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen. In het onderhavige geval is daarvan volgens [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] sprake.

4.5.3.

De rechtbank is van oordeel dat het overbedelingsdepot moet worden aangemerkt als een vordering van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] op [eiser] waarmee correspondeert de schuld van [eiser] aan [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] tot voldoening van het bedrag van de overbedeling. Deze vordering en schuld vallen niet in de nalatenschap [naam 1], aangezien deze voortvloeien uit de verdeling zoals opgelegd in de arresten van het hof van 13 maart 2007 en 12 mei 2009. Die uitspraak kan in zoverre worden opgevat als een overeenkomst tussen de deelgenoten op grond waarvan verdeeld moet worden.

4.5.4.

[eiser] voert ten eerste aan dat hij recht heeft op betaling van een bedrag van € 61.845,78, zijnde de helft van het woongenot dat wijlen [naam 2] heeft gehad doordat zij na het overlijden van [naam 1] in de woning is blijven wonen. Zoals in de akte van verdeling van 11 december 2012 is opgenomen, is de waarde van de bewoning niet opgenomen in de verdeling, omdat die waarde volgens de notaris geen vermogensbestanddeel van de nalatenschap van [naam 1] is. [eiser] heeft ter comparitie aangevoerd dat hij de notaris heeft verzocht het woongenot te laten inbrengen en verrekenen, maar dat de notaris dit niet wilde doen omdat [gedaagde sub 1] daarop tegen was. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Op grond van artikel 3:184 lid 1 BW kan ieder der deelgenoten bij een verdeling verlangen dat op het aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend hetgeen deze aan de gemeenschap schuldig is. Op grond van art 4:228 lid 1 BW behoort tot de schulden van een erfgenaam, die bij de verdeling op verlangen van een of meer overige erfgenamen op zijn aandeel worden toegerekend, hetgeen de erfgenaam aan de erflater schuldig is gebleven. Toerekening kan ook plaatsvinden in het geval dat een deelgenoot iets uit de gemeenschap genoten heeft, zonder zijn medegerechtigden hun deel daarin af te staan. In het onderhavige geval betekent dat dat de vergoeding van het woongenot ook had kunnen worden toegerekend. Nu dit niet is gebeurd heeft [eiser] ter zake een vordering op de nalatenschap van [naam 2], aldus op [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [naam 2]. Van de andere kant heeft [gedaagde sub 1] als erfgenaam van [naam 2] een vordering op [eiser] op grond van de overbedeling. De vordering vloeit immers voort uit een rechterlijke uitspraak, waarin is beslist over de verdeling. Hieruit volgt dat de vorderingen voldoen aan de voorwaarden voor verrekening als bedoeld in 6:127 BW. Het beroep op verrekening gaat in zoverre op.

4.5.5.

[eiser] voert voorts aan dat hij recht heeft op een bedrag van € 27.552,00 ter zake van de volgens hem op grond van het arrest van 12 mei 2009 verbeurde dwangsommen vermeerderd met rente. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] heeft niet betwist dat hij de dwangsommen heeft verbeurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij deze dwangsommen verbeurd als erfgenaam van [naam 2], doordat hij het niet-verhuurde deel van de woning niet tijdig had ontruimd. De overbedelingsvordering betreft, zoals hiervoor is overwogen, eveneens een vordering die hij als erfgenaam op [eiser] heeft. Gelet hierop is eveneens voldaan aan de vereisten van artikel 6:127 BW en gaat het beroep op verrekening in zoverre op.

4.5.6.

[eiser] heeft bovendien gesteld dat bij vonnis van 25 april 2012 aan hem een bedrag is toegewezen van € 2.800,00. Ook dit bedrag wenst hij te verrekenen. De advocaat van [eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat het bedrag ziet op de auto, contanten en rente en heeft verwezen naar het arrest van het hof van 5 maart 2013. De rechtbank beschikt echter niet over het vonnis waaruit een en ander zou moeten blijken. Nu aldus niet duidelijk is op welke grond genoemd bedrag is toegewezen, kan niet worden vastgesteld of aan de vereisten voor een geslaagd beroep op verrekening is voldaan. Het beroep op verrekening gaat dan ook niet op.

4.5.7.

[eiser] voert daarnaast aan dat hij recht heeft op € 13.158,45 ter zake van proceskostenveroordelingen vanaf 5 maart 2013. De rechtbank begrijpt dat deze vordering samenhangt met de vordering tot uitkering van € 10.000,00 uit het proceskostendepot dat onder de notaris rust. [eiser] heeft het bedrag van € 10.000,00 in depot gestort ter nakoming van een tussen partijen opgemaakte vaststellingsovereenkomst. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] heeft in ruil voor de storting diverse gelegde beslagen opgeheven. [eiser] voert aan dat een behoorlijk aantal procedures is gevoerd, waarvan een deel nog steeds loopt, en dat [eiser] inmiddels per saldo een bedrag aan proceskosten van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te vorderen heeft. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] betwist dat hij per saldo een bedrag aan [eiser] verschuldigd is. Nog daargelaten dat de vordering van [eiser] niet anders kan worden begrepen dan dat hij vordert dat het betreffende bedrag zowel uit het overbedelingsdepot als uit het proceskostendepot wordt betaald, is de rechtbank van oordeel dat hij zijn stelling dat hij per saldo een bedrag van € 13.158,45 te vorderen heeft onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] heeft weliswaar een overzicht van de gevoerde procedures overgelegd (productie 12), maar niet de onderliggende uitspraken. De rechtbank kan dan ook niet bepalen welke bedragen aan proceskosten daadwerkelijk zijn toegewezen en aan wie. De vorderingen zoals opgenomen in het petitum onder sub 7 en 15 worden gelet hierop als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

4.5.8.

[eiser] wenst het toe te wijzen bedrag van € 1.391,50 aan ontruimingskosten eveneens te verrekenen met het overbedelingsdepot. Naar het oordeel van de rechtbank is op dit punt aan de vereisten voor verrekening voldaan, zodat de vordering wordt toegewezen.

Rente over vergoeding voor woongenot

4.6.

[eiser] vordert dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] wordt veroordeeld te gehengen en gedogen dat de rente over de vergoeding voor woongenot wordt uitbetaald uit het overbedelingsdepot, maar enkel voorwaardelijk, namelijk voor zover de Hoge Raad het oordeel van het hof dat deze rente moet worden afgewezen vernietigt en de rente alsnog wordt toegewezen na verwijzing. De rechtbank acht een dergelijke voorwaardelijke vordering niet toewijsbaar, nu deze te veel afhangt van onzekere factoren. De vordering wordt dan ook afgewezen.

Helft van negatief saldo

4.7.

[eiser] vordert dat [gedaagde sub 1] voorwaardelijk – voor zover de verklaring voor recht in het arrest van 5 maart 2013 dat [gedaagde sub 1] de nalatenschap van wijlen [naam 2] zuiver heeft aanvaard onherroepelijk wordt - wordt veroordeeld tot betaling van de helft van het negatieve saldo van de inbreng en/of vergoedingsverplichtingen van [naam 2] in de nalatenschap [naam 1] en wordt veroordeeld dat saldo te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank acht deze voorwaardelijke vordering niet toewijsbaar, nu dit te veel samenhangt met onzekere factoren. Dat het overbedelingsdepot onvoldoende is om te voldoen aan de toe te wijzen verrekenposten is overigens vooralsnog niet gebleken. De vordering wordt afgewezen.

Vordering tegen Huizinga

4.8.1.

[eiser] vordert dat mr. Huizinga wordt veroordeeld te gehengen en gedogen dat mr. Wijnmaalen overgaat tot uitbetaling van het proceskostendepot, althans een deel daarvan.

4.8.2.

Zoals [eiser] zelf stelt, heeft mr. Huizinga op dit moment een vordering op [eiser]. Gelet hierop kan niet worden ingezien dat hij zou moeten gehengen en gedogen dat tot betaling van het proceskostendepot wordt overgegaan. [eiser] beroept zich nog op de vonnissen van 2 en 4 oktober 2012, bij welke vonnissen [eiser] is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van mr. Huizinga. Deze vonnissen berusten volgens hem op een juridisch onjuist standpunt. Of dit juist is, kan enkel in hoger beroep worden beoordeeld. De vordering wordt afgewezen.

(On)rechtmatige beschikking over de woning

4.9.1.

[gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] voert in reconventie aan dat [eiser] onrechtmatig heeft beschikt over de woning. Hij legt hieraan ten grondslag dat [eiser] voordat de nalatenschap was verdeeld een koopovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de woning, zodat hij heeft beschikt over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed zonder toestemming van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2]. Aangezien deze handelwijze onrechtmatig is, dient [eiser] de als gevolg daarvan door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] geleden schade te vergoeden, aldus [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2]. Deze schade bestaat volgens hem uit de helft van de meeropbrengst die [eiser] met de verkoop heeft weten te realiseren.

4.9.2.

Het sluiten van de koopovereenkomst dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een daad niet zijnde een beheersdaad met betrekking tot een gemeenschappelijk goed (en aldus niet, zoals [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] aanvoert, met betrekking tot een aandeel in een gemeenschappelijk goed). Dit betekent dat artikel 3:170 lid 3 BW van toepassing is. Uit dit artikel volgt dat de deelgenoten uitsluitend tezamen bevoegd zijn tot handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed die niet kunnen worden aangemerkt als beheershandelingen. Aldus zijn de deelgenoten ten aanzien van het verrichten van beschikkingshandelingen enkel tezamen bevoegd. Gelet hierop was [eiser] niet bevoegd om vóór het passeren van de akte van verdeling op 11 december 2012 de woning te verkopen. Dat [eiser] daartoe niet bevoegd was, wil echter nog niet zeggen dat hij door het sluiten van deze obligatoire overeenkomst schadeplichtig is ten opzichte van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2]. De woning is immers reeds bij arrest van het hof van 12 mei 2009 aan [eiser] toebedeeld, zodat [eiser] ervan uit kon gaan dat hij na het passeren van de akte van verdeling wel over de woning zou kunnen beschikken. De levering aan de kopers, die na het passeren van de akte van verdeling heeft plaatsgevonden, is aldus rechtsgeldig geschied. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] schade heeft geleden door het enkele feit dat reeds voor die overdracht de koopovereenkomst was gesloten. Hierbij komt dat indien de koopovereenkomst was gesloten eerst na het passeren van de akte van verdeling, [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] evenmin had meegedeeld in de overwaarde. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] heeft de vastgestelde waarde blijkens de akte van verdeling daarnaast te zijnen bate of schade geaccepteerd. Dit betekent dat hij thans niet kan terugkomen op die vaststelling. De vordering in reconventie wordt gelet op deze omstandigheden in zoverre afgewezen.

Conclusie

5.1.

De vorderingen in conventie worden deels toegewezen. De vorderingen in reconventie worden afgewezen. Omdat [eiser] en [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] in conventie over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de kosten van de procedure in conventie tussen hen gecompenseerd als hierna onder de beslissing te vermelden. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 894,00 aan salaris advocaat

(2 punten x factor 0,5 x € 894,00).

5.2.

[eiser] wordt, als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten voor zover het betreft de procedure tegen mr. Huizinga. Mr. Huizinga voert aan dat hij € 1.474,00 aan griffierecht heeft moeten betalen. Indien meerdere partijen worden gedagvaard, wordt aan hen echter slechts één bedrag aan griffierecht berekend, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd (€ 1.474,00 voor de drie gedaagden gezamenlijk). Er is dan ook geen grond om [eiser] te veroordelen het griffierecht te vergoeden. Aangezien mr. Huizinga daarnaast niet of nauwelijks kosten heeft moeten maken voor het opstellen van de processtukken in zijn zaak, worden de kosten aan zijn zijde begroot op nihil.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] te vergoeden een bedrag van

€ 1.391,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2012, een bedrag van € 1.477,- met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van deze uitspraak, een bedrag van € 27.552,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 maart 2013 en een bedrag van € 61.845,78;

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om te gehengen en gedogen dat uit het onder de boedelnotaris mr. J.J.H. Wijnmaalen bij Dirkzwager Advocaten & Notarissen te Arnhem berustende overbedelingsdepot de onder 6.1 bedoelde bedragen worden uitbetaald;

6.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten voor zover het betreft de procedure tegen mr. Huizinga, tot deze uitspraak aan de zijde van mr. Huizinga begroot op nihil;

6.4.

bepaalt dat ieder van de partijen [eiser] en [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] de eigen proceskosten in conventie draagt;

6.5.

wijst het meer of anders in conventie gevorderde af;

in reconventie

6.7.

wijst het gevorderde af;

6.8.

veroordeelt [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 894,00 aan salaris advocaat,

6.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.