Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:1821

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
19-03-2014
Zaaknummer
05/861911-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:3289, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft vandaag een 33-jarige man uit Zevenaar veroordeeld voor moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren en een tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/861911-13

Data zittingen : 20 november 2013, 12 februari 2014, 05 maart 2014

Datum uitspraak : 19 maart 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

thans gedetineerd in [adres 1]

raadsman : mr. F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Oirschot.

1. De inhoud van de tenlastelegging1

Verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door haar onder meer de keel dicht te knijpen. Als eerste is dit ten laste gelegd als moord, en anders als doodslag.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is voor het laatst op 05 maart 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte aanwezig. Verdachte is bijgestaan door mr. F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Oirschot.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

 [benadeelde 1],

 [benadeelde 2],

 [benadeelde 3],

 [benadeelde 4],

 [benadeelde 5] en

 [benadeelde 6].

Ter terechtzitting zijn alle benadeelde partijen, met uitzondering van [benadeelde 1], verschenen en bijgestaan door de raadsvrouw mr. Langereis, kantoorhoudende te Zevenaar.

De officier van justitie heeft de veroordeling van verdachte gevorderd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van moord vrij te spreken. Hij stelt dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld en niet met voorbedachten rade.

Beoordeling door de rechtbank

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte rade” moet komen vast te staan:

- dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en

- dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om de ander van het leven te beroven vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld. Maar er kunnen contra-indicaties zijn, waar een zwaarder gewicht aan kan worden toegekend. Gedacht kan worden aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Wanneer niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, betekent dat niet zonder meer dat sprake is van voorbedachte raad.3

Tijd gehad om zich te beraden op het besluit

Uit de verklaring van de buren valt op te maken dat verdachte in ieder geval rond 2.20 uur bij het slachtoffer in de woning was. Een buurman heeft op die tijd een schreeuw gehoord. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze schreeuw door [slachtoffer] is geuit. Verdachte zelf verklaart dat het mogelijk is dat hij rond 2.00 uur bij het huis van [slachtoffer] was. Om 3.45 uur hoort een buurman geluiden alsof iemand onrustig rondloopt in de ouderslaapkamer aan de achterkant van het huis bij [slachtoffer]. Om 3.50 uur heeft iemand een bericht, dat naar [slachtoffer] is verzonden op de tablet, gelezen. De tablet lag beneden. Verdachte verklaart dat hij diegene is geweest. Hij verklaart dat hij naar beneden is gegaan toen [slachtoffer] niet meer ademde. Verdachte verklaart dat het kan zijn dat hij daar twee uren was.

Op camerabeelden is te zien dat om 4.26 uur een witte bestelauto met daarop een ladder de wijk uitrijdt waar [slachtoffer] woont.

Gelet op deze verklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte omstreeks 2.20 uur op de slaapkamer van [slachtoffer] was. Verdachte heeft verklaard dat hij, toen [slachtoffer] niet meer ademde, niet lang bij haar heeft gezeten maar naar beneden is gegaan. Beneden heeft hij op de tablet gekeken. Dat was om 3.50 uur. Geconcludeerd kan worden dat verdachte in de slaapkamer bij [slachtoffer] is geweest tussen 2.20 uur en 3.50 uur. Dat is anderhalf uur.

Onder verwijzing naar de verklaringen van verdachte dat hij [slachtoffer] meteen bij haar keel heeft gepakt en zijn hand op haar mond heeft gedaan om haar rustig te houden, en dat hij, toen [slachtoffer] niet meer ademde, niet lang bij haar heeft gezeten maar naar beneden is gegaan, concludeert de rechtbank dat tussen de eerste keer dat verdachte [slachtoffer] bij haar keel pakte (meteen) en de laatste keer dat hij haar keel dichtkneep, (voordat hij naar beneden ging) bijna anderhalf uur tijd verstreken is.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij via de logeerkamer met de ladder naar binnen is gekomen, naar beneden is gelopen, dat [slachtoffer] wakker schrok omdat ze iets hoorde, er een worsteling is ontstaan, hij het dekbed dat normaal op bed lag- op haar mond heeft gedrukt om te voorkomen dat ze veel lawaai maakte, ze op het nachtkastje terecht zijn gekomen en verdachte haar toen de keel heeft dichtgeknepen. Verdachte verklaart dat dit best wel een poosje geduurd heeft. Verdachte heeft de keel van het slachtoffer met beide handen dichtgedrukt, terwijl zij het dekbed nog half over haar hoofd had. Het slachtoffer kwam weer op adem en begon weer te slaan en schoppen. Toen heeft verdachte haar weer de keel dichtgeknepen met twee handen. Verdachte liet haar los en omdat het slachtoffer door ging met slaan, heeft verdachte haar nog een derde keer de keel dichtgeknepen. Ze probeerde te schreeuwen maar omdat verdachte haar keel had dichtgeknepen ging dat haast niet. Hij hoorde dat ze heel zwaar ademde. Toen het slachtoffer niet meer bewoog en niet meer ademde is hij gestopt. Hij dacht dat ze dood was. Het kan zijn dat hij tijdens deze handelingen ook nog een kussen heeft gegrepen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat deze verklaringen niet kloppen. Hij heeft er bij de politie naar eigen zeggen een draai aan gegeven omdat hij onder druk werd gezet.

De rechtbank acht deze bij de politie afgelegde verklaringen wel geloofwaardig en dus betrouwbaar, met name nu deze verklaringen bijzonder gedetailleerd zijn en bovendien op verschillende momenten zijn afgelegd. Dat de politie in het verhoor de verdachte aan ongeoorloofde druk zou hebben onderworpen, volgt op geen enkele wijze uit de processen-verbaal van verhoor. Bovendien heeft de raadsman van verdachte op dit punt ter zitting geen uitdrukkelijk onderbouwd verweer gevoerd.

Uit deze bij de politie afgelegde verklaringen in combinatie met de hiervoor geschetste tijdspanne, volgt dat verdachte, nadat hij het dekbed over de mond van het slachtoffer heeft gedrukt, drie keer haar keel heeft dicht geknepen. Nu er bijna anderhalf uur zat tussen de eerste (poging tot) verwurging en de laatste verwurging heeft verdachte voldoende tijd en gelegenheid gehad zich te beraden en ook om zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn daden. Er zijn immers verschillende momenten geweest waarin hij haar keel los liet, maar daarna de verwurging weer hervatte. Voor de rechtbank staat vast dat verdachte daarbij ook nog een kussen in het gezicht van het slachtoffer heeft gedrukt omdat daarop bloed van het slachtoffer is aangetroffen. De derde keer dat verdachte de keel van het slachtoffer dicht kneep, heeft hij net zo lang geknepen totdat het slachtoffer niet meer ademde.

Gelet op de tijd die dit geheel van handelingen in beslag moet hebben genomen, waarbij bedacht dient te worden dat die laatste keer knijpen op zich al een tijd moet hebben geduurd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit zoals hiervoor genoemd.

Dat het slachtoffer verdachte bedreigde met een mes acht de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar heeft een familielid van het slachtoffer verklaard dat het slachtoffer messen in de badkamer had liggen om zich te kunnen verdedigen in het geval dat de verdachte haar woning in zou komen, maar verdachte heeft over dit mes pas voor het eerst verklaard bij zijn achtste verhoor. Bovendien zijn bij verdachte noch bij het slachtoffer verwondingen aangetroffen die steun geven aan de gedachte dat in de worsteling die tussen beiden heeft plaatsgevonden een mes een rol heeft gespeeld.

Geen contra-indicatie

Voor de rechtbank staat vast dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat hij, al geruime tijd vóór de bewuste nacht, het slachtoffer iets aan wilde doen en met dat doel die nacht haar woning in is gegaan.

De rechtbank grondt dit op de volgende feiten en omstandigheden die zij op basis van de bewijsmiddelen zoals die worden genoemd in bijlage II, vast stelt.

  • -

    Vanaf het moment kort na de breuk (rond 10 juni 2013) tussen verdachte en het slachtoffer, verkeerde verdachte in een permanente staat van woede en frustratie richting het slachtoffer wat betreft het stuklopen van hun relatie;

  • -

    In de periode vanaf half juni 2013 heeft verdachte het slachtoffer diverse malen bedreigd, waaronder bedreigingen met de dood.

Verdachte heeft ontkend deze bedreigingen geuit te hebben. De raadsman heeft betoogd dat de getuigen die verklaren over bedreigingen dit niet zelf hebben gehoord, maar hebben verklaard dat het slachtoffer hen dit verteld heeft. Volgens de raadsman past dit ook niet in het beeld omdat verdachte de relatie juist wilde herstellen.

De rechtbank acht de aangifte van het slachtoffer die zich in het dossier bevindt en de getuigenverklaringen over de bedreigingen waarover het slachtoffer hen verteld heeft, betrouwbaar nu deze ondersteund worden door de verklaring van [getuige 1], een vriend van verdachte, en door de verklaring van de vader van het slachtoffer;

  • -

    Al op 4 juli 2013 heeft verdachte gezocht naar een ladder omdat hij stil binnen wilde komen in de woning van het slachtoffer;

  • -

    Op 4 juli 2013 heeft verdachte de kat van het slachtoffer opgehangen.

  • -

    Op of na 18 juli 2013 is de auto van het slachtoffer onbestuurbaar gemaakt. Er zijn sterke aanwijzingen in de richting van verdachte. Verdachte heeft op die datum op internet gezocht op ‘wielophanging en Volkswagen en Fox’ en op ‘Volkswagen draagarm stuurkogel’. De auto van het slachtoffer, een Volkswagen Fox, is, nadat deze op 25 juli 2013 in beslag is genomen, onderzocht. Daaruit bleek dat deze onbestuurbaar is geworden, omdat de verbinding tussen de linker spoorstangkogel en de stuurarm van het linker voorwiel losgebroken was omdat de bevestigingsmoer ontbrak. Conclusie is dat deze moer is losgedraaid. Op 18 juni 2013 is de auto nog APK gekeurd. Een dergelijk gebrek zou toen zijn opgemerkt.

Als verklaring voor de gegevens die verdachte op internet heeft opgezocht, heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij in Duitsland een auto te koop had zien staan waarin hij geïnteresseerd was die schade had aan de wielophanging. Hij had daar onderdelen voor nodig. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig nu verdachte over deze zoekslag bij de politie, nadat hij eerst heeft verklaard dat die zoektermen hem niets zeggen, heeft verklaard dat het kan zijn dat er iemand gebeld heeft die wat aan zijn auto had en dat hij daarom daarop gekeken had. De raadsman heeft betoogd dat uit de gegevens in het dossier over de zoektermen blijkt dat verdachte keek naar een gebruikte Fox die te koop stond. De rechtbank overweegt hierover dat, voor zover dit al zo zou zijn, dit onverlet laat dat verdachte gezocht heeft op de hiervoor genoemde termen. Volgens de raadsman zou er bovendien speciaal gereedschap nodig zijn om de stuurkogel los te krijgen. De rechtbank overweegt dat dit echter ziet op de situatie waarin de bevestigingsmoer al is verwijderd, zoals volgt uit pagina 1411 onder punt 4 van het dossier;

  • -

    Op de avond van 22 juli 2013 heeft verdachte diverse keren via het Facebook van het slachtoffer gekeken of zij thuis was en verkeerde hij ook op basis van Facebook in de veronderstelling dat het zoontje van het slachtoffer die avond niet thuis zou zijn;

  • -

    Tegen zijn vrienden heeft verdachte die bewuste avond gezegd dat hij naar het slachtoffer toe zou gaan en haar kapot zou maken of dat hij haar wat aan zou doen. Op de vraag wat er zou gebeuren als ze wakker zou worden heeft hij gezegd dat hij haar in elkaar zou slaan. Volgens de raadsman volgt uit de verklaring van getuige [getuige 2] dat het slaan zou zien op een ander persoon dan het slachtoffer. De rechtbank acht de verklaring van getuige [getuige 3] op dit punt, dat het slaan zag op het slachtoffer, echter specifiek en heeft geen reden daar aan te twijfelen. Bij de politie heeft verdachte ook verklaard dat het best zou kunnen dat hij gezegd heeft dat hij naar het slachtoffer zou gaan en haar kapot zou maken. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij er rekening mee had gehouden dat als het slachtoffer wakker zou worden dat er een ruzie zou volgen en er dan misschien wel klappen zouden vallen;

  • -

    Die nacht is verdachte met de auto van [getuige 1] omdat zich daarop een ladder bevond naar de woning van het slachtoffer gereden . Hij wilde daarmee stil naar binnen gaan. Hij wist dat het slachtoffer altijd haar slaapkamerraam open had. Omdat hij niet gezien wilde worden is hij, toen hij zag dat er bij [slachtoffer] in de woning en bij de buren licht brandde naar zijn huis gegaan, heeft daar nog meer bier gedronken en 1,5 gram cocaïne gesnoven en is toen teruggereden naar de woning van het slachtoffer. Hij zag dat er geen licht meer brandde en is toen via de ladder het logeerkamerraam, dat ook open stond, de woning van het slachtoffer ingegaan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij slechts het doel had die nacht de spullen die deels van hem waren op te halen, niet geloofwaardig. Daarin heeft de rechtbank ook meegenomen dat verdachte die nacht geen spullen heeft meegenomen en van te voren niet in de auto van [getuige 1] heeft gekeken om te zien of daarin genoeg ruimte was voor de spullen, -waaronder een scooter- hoewel één van de redenen die verdachte genoemd heeft voor het meenemen van die auto was dat daar meer spullen in konden. Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting gezegd dat het hem niet uitmaakte wat voor spullen het waren en het dus ook kleine spullen konden zijn, maar hij heeft in eerste instantie en ook meermalen, genoemd dat het hem onder meer ging om de scooter en dat dat ook de reden was waarom hij, toen hij in de woning was, eerst naar beneden wilde, namelijk om de sleutels van de scooter te zoeken. Dat verdachte op de scooter naar huis wilde rijden en de auto dan later bij het huis van het slachtoffer op wilde halen of de scooter in een garagebox wilde zetten die hij in Zevenaar had staan, acht de rechtbank niet aannemelijk nu verdachte pas voor het eerst ter terechtzitting met deze verklaring is gekomen.

Ook het feit dat verdachte persé wilde dat het slachtoffer thuis was, wijst er niet op dat zijn doel was de spullen op te halen.

Conclusie

Het voorgaande maakt dat de rechtbank, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen acht dat verdacht het slachtoffer met voorbedachte rade om het leven heeft gebracht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

in de periode van 22 juli 2013 tot en met 23 juli 2013 te Zevenaar,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

althans na een (kort) tevoren genomen besluit, (met kracht) de keel van die

[slachtoffer] dicht geknepen en de mond en/of de neus van die [slachtoffer] dicht gedrukt en

(vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht (gedrukt) gehouden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank heeft in de voorlaatste regels de woorden ‘de keel van die [slachtoffer]’ toegevoegd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primaire:

Moord

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair als moord tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren

met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft hij geëist dat de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte zal gelasten.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van het feit waarbij verdachte planmatig het slachtoffer van het leven heeft beroofd zonder enige scrupules en louter uit eigen frustratie over afwijzing. Voorts heeft hij rekening gehouden met het leed dat de nabestaanden is aangedaan, dat de maatschappij door het feit ernstig is geschokt en ook met de eerdere bedreigingen die verdachte naar het slachtoffer heeft geuit. De officier van justitie heeft ook rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Omdat aan een tbs met voorwaarden alleen een maximale gevangenisstraf van 5 jaar kan worden verbonden, hetgeen de officier van justitie veel te weinig vindt, heeft hij verzocht tot oplegging van een tbs met dwangverpleging. Aan de wettelijke voorwaarden om tot oplegging daarvan te komen, is voldaan.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte een zodanige gevangenisstraf op te leggen dat een combinatie met een tbs met voorwaarden mogelijk is en heeft verzocht deze op te leggen. De raadsman heeft daartoe gewezen op de adviezen van de psycholoog en psychiater. De psycholoog heeft daarbij aangegeven dat een tbs met dwangverpleging niet noodzakelijk en/of wenselijk is.

Voorts heeft de raadsman aangegeven dat verdachte het zwaar heeft met het feit dat hij verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer en dat hij na 2006 niet meer met justitie in aanraking is geweest.

De raadsman heeft tevens verzocht strafvermindering toe te passen. Daartoe heeft hij gewezen op de volgende omstandigheden:

  • -

    uit het dossier volgt dat een onbevoegde hulpofficier van justitie de inverzekeringstelling van verdachte heeft gedaan;

  • -

    verdachte is op grove wijze gearresteerd door een arrestatieteam, waarbij veel schade is toegebracht. De Duitse politie heeft daarna niet meegewerkt aan de overdracht van de sleutels van zijn woning aan de Nederlandse politie waardoor de opzegging en ontruiming van zijn woning niet goed geregeld kon worden, spullen zijn gestolen en de verhuurder weigert de betaalde borg terug te storten;

  • -

    verdachte heeft buiten zijn voorarrest in het kader van zijn uitlevering in Duitsland vastgezeten van 24 juli 2013 tot en met 14 augustus 2013;

  • -

    verdachte is door mededelingen in de pers in zijn privacy geschaad, waarbij in een bepaalde krant heel specifieke publicaties zijn gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 20 januari 2014;

 een multidisciplinair rapport van drs. [psycholoog], psycholoog, gedateerd 23 oktober 2013 en van dr. [psychiater], psychiater, gedateerd 21 oktober 2013 en

 een reclasseringsadvies van Tactus verslavingszorg, d.d. 20 februari 2014, betreffende verdachte;

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn destijds 30-jarige ex-vriendin vermoord door haar herhaaldelijk de keel dicht te knijpen. De laatste keer heeft hij net zo lang geknepen tot zij niet meer leefde. De volgende ochtend heeft het 7-jarig zoontje van het slachtoffer haar levenloos, liggend in een plas bloed, aangetroffen.

Niet alleen heeft verdachte een jonge vrouw in de bloei van haar leven, het leven ontnomen waardoor zij nooit haar zoontje op zal kunnen zien groeien, maar verdachte heeft hierdoor ook haar familie onherstelbaar leed toegebracht. Uit hetgeen door de familie ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt te meer van het grote verdriet dat zij hebben en de grote impact die het gemis van hun dochter en zus op hun leven heeft. Met name voor het zoontje van het slachtoffer betreft het een bijzonder traumatische ervaring die, naar de ervaring leert, nog gedurende lange tijd zijn leven zal beïnvloeden. Hij staat inmiddels onder psychologische behandeling.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij al geruime tijd voor zijn daad de bedoeling had om het slachtoffer iets aan te doen. In die periode bedreigde hij haar, heeft hij haar kat opgehangen en zijn er sterke aanwijzingen dat hij haar auto onbestuurbaar heeft gemaakt. Zijn woede richting het slachtoffer omdat zij volgens verdachte al kort na het beëindigen van hun relatie een nieuwe relatie had, heeft hem er uiteindelijk toe gebracht om die nacht haar woning binnen te sluipen en haar om het leven te brengen. Het feit dat verdachte wist dat het slachtoffer een zoontje had, maakt dit alles des te ernstiger.

Dit feit heeft bovendien de rechtsorde ernstig geschokt en zorgt voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte na november 2006 niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

De psycholoog en psychiater hebben in hun rapportage het volgende geconcludeerd.

Bij verdachte is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline-, antisociale en paranoïde trekken, van zwakbegaafdheid en alcohol- en cocaïnemisbruik, thans in remissie. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde en dit beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in die zin dat geadviseerd wordt verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De kans op herhaling op de langere termijn van een feit als het onderhavige is bij een uitblijven van behandeling en wanneer verdachte opnieuw een relatie aan zou gaan, aanzienlijk. Verdachte zal niet uit zichzelf de hulpverlening opzoeken. Het basale wantrouwen en de inadequate stresscoping die verdachte door zijn levensmoeilijkheden heeft meegekregen vergroten de kans op afhaken in een behandeling. Daarom is een gedwongen behandelkader de enige optie om recidive te voorkomen.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusies en maakt die tot de hare.

Zowel de psycholoog als psychiater spreken een voorkeur uit voor de maatregel van tbs met voorwaarden. De psychiater geeft aan dat als de strafmaat zich verzet tegen oplegging van een tbs met voorwaarde, hij rekening houdt met oplegging van een tbs met dwangverpleging.

De psycholoog geeft aan dat, gezien de aard van de problematiek en de ingeschatte mogelijkheden van verdachte een zeer langdurige klinische behandeling in een sterk beveiligde setting zoals bij een tbs met dwangverpleging, niet noodzakelijk en/of wenselijk is. Zij motiveert dit door aan te geven dat het van belang is dat verdachte gedurende de behandeling concreet toekomstperspectief geboden krijgt. Niet alleen om zijn draagkracht en (sociale-,

en arbeids-)vaardigheden in stand te houden en hospitalisatie tegen te gaan. Rekening dient gehouden te worden met de kans op verharding en toename van afweer op het moment dat de onvermijdelijke (therapeutische) confrontaties binnen de behandeling plaats vinden zonder duidelijk perspectief op de toekomst, op een toetsing van verworven inzichten en vaardigheden buiten de kliniek. Juist bij iemand met een beperkte intellectuele bagage is een dergelijke “eindigheid” van het pijnlijke proces van behandeling onontbeerlijk om gebruik te kunnen maken van de actuele kwetsbaarheid en motivatie voor behandeling.

De rechtbank overweegt dat de oplegging van een tbs met voorwaarden slechts opgelegd kan worden bij een gevangenisstraf van maximaal 5 jaren. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke straf geen recht doet aan de ernst van het feit zoals hiervoor aangegeven. De motivering van de psycholoog om te adviseren tot een tbs met voorwaarden doet aan het voorgaande niet af. Ook de psycholoog heeft daar rekening mee gehouden nu zij in haar rapportage tevens aangeeft hoe lang een klinische opname zou kunnen duren ‘mocht in verband met de strafmaat overgegaan worden tot het opleggen van een tbs met bevel tot verpleging’.

De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is voorts van oordeel dat, mede gezien de ernst van het begane feit en hetgeen in de rapportages is overwogen omtrent het recidiverisico, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eisen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Het bewezenverklaarde delict is een misdrijf dat een krenking is van de lichamelijke integriteit van een persoon.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak, naast een tbs met dwangverpleging, een gevangenisstraf van 10 jaren, zoals ook geëist, passend en geboden is.

Ten aanzien van het verzoek om strafvermindering overweegt de rechtbank als volgt.

  • -

    Uit het dossier volgt dat een onbevoegde hulpofficier van justitie de inverzekeringstelling van verdachte heeft gedaan omdat diens certificaat op enig moment was verlopen. De rechtbank acht het aannemelijk dat, zo de rechter-commissaris op die grond de inverzekeringstelling onrechtmatig had geoordeeld, deze rauwelijks de inbewaringstelling van verdachte had bevolen, nu aan de wettelijke vereisten daarvoor was voldaan. Nu de verdachte niet in enig belang is geschaad, volstaat de rechtbank met de constatering dat een vormverzuim is begaan;

  • -

    De rechtbank oordeelt dat, gelet op de ernst van het feit en het feit dat verdachte volgens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister in het verleden veroordeeld is voor het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, de inzet van een arrestatieteam niet onrechtmatig is geweest. Voor het overige acht de rechtbank de stellingen van de raadsman onvoldoende onderbouwd;

  • -

    De periode die verdachte in uitleveringsdetentie heeft ondergebracht dient volgens artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht in mindering gebracht te worden op de ten uitvoer te leggen straf;

  • -

    De rechtbank ziet in de inhoud van de krantenberichten geen reden om aan te nemen dat verdachtes privacy hierdoor disproportioneel is geschonden.

De rechtbank wijst het verzoek om strafvermindering af. In de overige door de raadsman aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen reden de straf te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen toebehoren aan de verdachte en aan verdachte zullen moeten worden teruggegeven.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

  1. [benadeelde 1] (de zoon van het slachtoffer) vordert € 28.393,30.

  2. [benadeelde 2] (de ex-vriend van het slachtoffer en vader van [benadeelde 1]) vordert € 25.901,30.

  3. [benadeelde 3] (de moeder van het slachtoffer) vordert € 7.343,52.

  4. [benadeelde 4] (de vader van het slachtoffer) vordert € 11.469,-.

  5. [benadeelde 5] (de zus van het slachtoffer) vordert € 5.986,34.

  6. [benadeelde 6] (de broer van het slachtoffer) vordert € 5.166,38 terzake gemaakte begrafeniskosten en overige kosten ontstaan na het overlijden van het slachtoffer en persoonlijk vordert hij € 10.325,42.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht alle vorderingen in hun geheel toe te wijzen. Daarbij heeft hij er wel op gewezen dat er in de jurisprudentie weinig ruimte is voor toewijzing van schade voor het lijden van nabestaanden veroorzaakt door het overlijden van een slachtoffer alsmede dat de jurisprudentie kritisch kijkt naar het causaal verband tussen gebeurtenissen en gederfde inkomsten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, kort gezegd, primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen omdat deze een onevenredige belasting vormen in de strafprocedure. Subsidiair heeft hij verzocht de vorderingen niet toe te wijzen nu geen sprake is van schade rechtstreeks toegebracht door het feit. Er is geen sprake van onder algemene titel verkregen vorderingen en de benadeelde partijen, met uitzondering van [benadeelde 1], hebben geen recht op affectieschade.

Ten aanzien van de door [benadeelde 1] gevorderde shockschade heeft de raadsman bepleit dat een dergelijke vordering niet van eenvoudige aard is en om die reden een niet-ontvankelijk verklaring dient te volgen. Datzelfde geldt ten aanzien van een toekenning van toekomstige schade.

De kosten van verhuizing en herinrichting betreffen een verbetering die niet ten koste van verdachte dient te komen.

Voor zover de rechtbank schade toekent, heeft de raadsman verzocht deze te matigen en rekening te houden met het ontbreken van draagkracht bij verdachte danwel de schadevergoedingsmaatregel in termijnen op te leggen. Het CJIB hanteert korte termijnen en treft in beginsel geen betalingsregelingen. Verdachte krijgt dan automatisch te maken met vervangende hechtenis.

Beoordeling door de rechtbank

Shockschade

Alle benadeelde partijen vorderen shockschade, waaronder ook de kosten van loonderving. In het zogenaamde Taxibusarrest (waarbij het ging om een moeder die haar dochter kort na een verkeersongeval levenloos zag liggen) is bepaald dat vergoeding van shockschade alleen in aanmerking komt jegens degene die het ongeval heeft waargenomen of direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan. Bovendien moet er dan sprake zijn van een als gevolg daarvan ontstaan geestelijk letsel waarvan in het algemeen slechts sprake zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Een toekenning van de vorderingen tot vergoeding van shockschade ten aanzien van de benadeelde partijen 2 tot en met 6 stuit reeds af op dit eerste onderdeel. De benadeelde partijen worden in dit deel van hun vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] is wel voldaan aan het eerste onderdeel. Ten aanzien van het tweede, het bestaan van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is bij de vordering een brief gevoegd van een psychotherapeut waarin vermeld staat dat [benadeelde 1] is aangemeld bij het Psychotraumacentrum en daarna een psychologische behandeling is gestart vanwege posttraumatische stressklachten en een rouwreactie. De rechtbank overweegt dat dus nog geen in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld bij de benadeelde. Mogelijk dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn, maar een nader onderzoek daarnaar levert in deze procedure een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Om die reden zal de rechtbank de benadeelde in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Begrafeniskosten

Volgens artikel 6:108 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan zich voegen als benadeelde partij degene die de kosten van de lijkbezorging heeft betaald, voor zover deze in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Dit kan een ieder zijn die deze kosten heeft gedragen, ongeacht diens relatie tot het slachtoffer.

De benadeelde partij [benadeelde 6] vordert onder meer de kosten van de grafsteen (€ 3.896,20) en de kosten van de bloemen voor de begrafenis (€ 86,50). Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit kosten die zozeer samenhangen met de lijkbezorging dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. De hoogte van de gevorderde kosten zijn niet betwist. De rechtbank zal daarom de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten toewijzen.

Datzelfde geldt ten aanzien van de kosten van bloemen voor de begrafenis die door de andere benadeelde partijen worden gevorderd.

De overige kosten die door [benadeelde 6] gevorderd worden, bestaande uit de kosten van de notaris in verband met de uitvoering van het testament van het slachtoffer (€ 631,25) en overige kosten ontstaan na het overlijden van het slachtoffer (onder meer bestaande uit verzekeringen die door zijn blijven lopen, totaal € 552,43) acht de rechtbank niet toewijsbaar nu deze niet zozeer samenhangen met de lijkbezorging dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering komen die kosten ook niet uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking. Het is geen rechtstreekse schade die door de benadeelde partij geleden is als gevolg van het bewezenverklaarde feit; de schade kan niet gebracht worden onder shockschade en er is geen sprake van een door de benadeelde onder algemene titel verkregen vordering.

Telefoonkosten

Alle benadeelde partijen hebben een vergoeding gevraagd voor gemaakte telefoonkosten van € 100,-.

Nu de benadeelde partij [benadeelde 6] degene is geweest die de kosten van lijkbezorging op zich heeft genomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij omtrent het regelen daarvan meer heeft moeten bellen dan gebruikelijk. De hoogte van het gevorderde bedrag acht de rechtbank redelijk. Dit deel van de vordering zal de rechtbank dan ook ten aanzien van déze benadeelde partij, toewijzen.

Ten aanzien van de vergoeding voor gemaakte telefoonkosten die gevraagd wordt door de benadeelde partijen 1 tot en met 5 geldt het voorgaande niet. Nu het bedrag van € 100,- tevens niet is onderbouwd, zal de rechtbank de benadeelde partijen in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Kosten van levensonderhoud

Volgens artikel 6:108 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan zich als benadeelde partij voegen het kind van de overledene voor vergoeding van schade voor derving van levensonderhoud. In deze zaak is dat [benadeelde 1].

De raadsvrouw van de benadeelden heeft aangegeven dat het voor [benadeelde 1] noodzakelijk was dat hij in zijn vertrouwde omgeving bleef wonen en dat daarom zijn vader, [benadeelde 2], naar Zevenaar moest verhuizen. Om die reden worden de kosten van verhuizing en herinrichting gevorderd en ook, vanwege de hogere huur, de extra huurkosten tot de periode waarin [benadeelde 1] de 20-jarige leeftijd bereikt.

Ook wordt verzocht om vergoeding van de reis- en parkeerkosten in verband met de psychologische behandeling van [benadeelde 1].

Naar het oordeel van de rechtbank vergt dit deel van de vordering een nader onderzoek naar de grondslag daarvan en het daartegen ingebrachte verweer. Een dergelijke behandeling betekent echter een onevenredige belasting van het strafgeding.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Overige kosten

[benadeelde 2] vordert nog € 8,- in verband met gemaakte kosten voor het verkrijgen van een uittreksel van de voogdij. De rechtbank oordeelt dat dit geen kosten zijn die op grond van het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding in aanmerking komen. In dit deel van de vordering wordt de benadeelde derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

[benadeelde 6] vordert nog parkeerkosten en reiskosten naar de rechtbank in verband met het bijwonen van de zittingen, in totaal € 29,82. Deze kosten vallen onder proceskosten en komen voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

1. [benadeelde 1].

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

2. [benadeelde 2].

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

3. [benadeelde 3].

De rechtbank wijst de vordering voor een bedrag van € 255,- toe en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering.

4. [benadeelde 4].

De rechtbank wijst de vordering voor een bedrag van € 330,- toe en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering.

5. [benadeelde 5].

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

6. [benadeelde 6].

De rechtbank wijst de vordering voor een bedrag van € 4.082,70 (de kosten van de grafsteen, de bloemen en de telefoonkosten) toe en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering

Voor zover de benadeelde partijen ten aanzien van (delen van) hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn verklaard kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Proceskosten

Nu de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen 1, 2 en 5 in hun geheel niet-ontvankelijk heeft verklaard en de vorderingen van de benadeelde partijen 3 en 4 slechts voor een zeer beperkt deel heeft toegewezen, zal de rechtbank, mede gelet op de redenen die daar aan ten grondslag hebben gelegen, de kosten van de partijen compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] voor een substantieel deel is toegewezen zal de rechtbank verdachte veroordelen in de proceskosten van deze benadeelde partij.

De raadsvrouw van de benadeelde partijen is uitgegaan van het liquidatietarief rechtbanken en hoven. De rechtbank overweegt dat in strafzaken doorgaans uit wordt gegaan van het liquidatietarief in kantonzaken. De rechtbank ziet geen reden om in het onderhavige geval daarvan af te wijken. Gelet op de hoogte van het gevorderde bedrag wordt daarbij uitgegaan van een tarief van € 600,- per punt. Terecht heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij 2 punten gerekend. De rechtbank wijst ook de gevraagde parkeer-, en reiskosten toe van € 29,82.

Dit maakt dat de rechtbank een bedrag van € 1229,82 terzake proceskosten toewijst.

Schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van het verzoek tot matiging, rekening te houden met het ontbreken van draagkracht en het verzoek de schadevergoedingsmaatregel in termijnen op te leggen overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank oordeelt dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel strekt tot herstel van de rechtmatige toestand en dient ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij. De schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht stelt enkel als voorwaarde dat sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Matiging is derhalve in beginsel niet mogelijk en draagkracht speelt derhalve geen rol. Onder omstandigheden kan een gebrek aan draagkracht in uitzonderlijke gevallen voor de rechter reden zijn af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Thans staat niet vast dat het (toekomstige) inkomen van verdachte ontoereikend zal zijn om de hiervoor genoemde bedragen te betalen. Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat in beginsel pas tot vervangende hechtenis wordt overgegaan als volledig verhaal op de goederen van verdachte onmogelijk is gebleken.

De bepaling dat er in de executiefase op moest worden toegezien dat het totale bedrag voldaan werd binnen twee jaar en drie maanden is per 1 januari 2011 komen te vervallen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding het toegewezen bedrag te matigen of betaling in termijnen toe te staan.

De rechtbank zal de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 27a, 36f, 37a, 37b, 38 e en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan de veroordeelde.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 5].

Verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde 3], te betalen € 255,- (tweehonderdvijfenvijftig euro).

  • -

    Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], te betalen € 255,- (tweehonderdvijfenvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde 4], te betalen € 330,- (driehonderddertig euro).

  • -

    Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4], te betalen € 330,- (driehonderddertig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde 4], te betalen € 4.082,70 (vierduizendtweeëntachtig euro en zeventig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.229,82 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 6], te betalen € 4.082,70 (vierduizendtweeëntachtig euro en zeventig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. S. Brinkhoff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2014.

BIJLAGE I

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2013 tot en met 23 juli 2013 te

Zevenaar, in elk geval in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

althans na een (kort) tevoren genomen besluit, (met kracht) de keel van die

[slachtoffer] dicht geknepen en/of (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht

gedrukt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of dicht

gedrukt gehouden en/of een verwurging aangelegd bij die [slachtoffer] en/of (met

kracht) de mond en/of de neus van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens)

dicht (gedrukt) gehouden en/of anderszins omsnoerend geweld toegepast,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2013 tot en met 23 juli 2013 te

Zevenaar, in elk geval in de gemeente Zevenaar, althans in Nederland,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met

dat opzet (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of (met

kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens) de keel van

die [slachtoffer] dicht geknepen en/of dicht gedrukt gehouden en/of een verwurging

aangelegd bij die [slachtoffer] en/of (met kracht) de mond en/of de neus van die

[slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens) dicht (gedrukt) gehouden en/of

anderszins omsnoerend geweld toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]

[slachtoffer] is overleden.

BIJLAGE II

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost-Nederland, Team Grootschalige Opsporing, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 0700/2013 078176, gesloten op 17 oktober 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

De bewijsmiddelen zijn, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De door verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting van 5 maart 2014:

Het klopt dat ik in de nacht van 22 op 23 juli 2013 met de auto van [getuige 1] met daarop een ladder naar de woning van [slachtoffer], mijn ex-vriendin, in Zevenaar ben gereden. Toen ik zag dat er bij haar en bij buren licht brandde ben ik doorgereden naar mijn woning in Elten. Ik wilde stil naar binnen gaan en dat niemand het zag. Thuis heb ik nog bier gedronken en 1,5 gram cocaïne gesnoven. Ik ben teruggereden naar haar woning. Ik zag dat er geen licht meer brandde. Haar slaapkamerraam staat altijd open. Nu stond het logeerkamerraam ook open. Ik ben via de ladder daardoor naar binnen gegaan.

Ik had er rekening mee gehouden dat [slachtoffer] wakker zou worden, we ruzie zouden krijgen en er misschien klappen zouden vallen.

Het klopt dat het gevoel dat ik gebruikt was, 24 uur per dag door mijn hoofd ging. Ik heb mezelf gek gemaakt. De woede zat altijd in mij daar kon ik niet los van komen.

Ik heb het dekbed over haar heen gegooid. Ik herinner me nog het moment dat ik haar bij de keel heb gegrepen. Het zou kunnen dat ik ook een kussen heb gebruikt.

Ik heb niet achter in de bus van [getuige 1] gekeken.

Ik heb haar kat opgehangen. Ik dacht: ‘ik niets, dan jij niets’. Ik wilde koste wat het kost met haar in contact komen.

Het klopt dat ik op 18 juli 2013 op mijn notebook op internet heb gezocht naar ‘wielophanging VW Fox’ en ‘Volkswagen draagarm stuurkogel’.

Het proces-verbaal van verhoor, verklaring verdachte, p. 146, 155, 158, 180 t/m 186, 195, 200, 201, 204, 205, 226 en 227:

Verbalisant: Verklaring [getuige 1]: [verdachte] zei dat hij naar zijn ex-vrouw wilde. Hij zei: ik doe haar wat of woorden die daarop neer komen. Ik maak haar kapot, dat kutwijf.

Verdachte: het zou kunnen dat ik dat gezegd heb ja (p. 146).

Verbalisant: zij maakt jou duidelijk dat ze klaar met je is. Verdachte: dat kan ik niet verwerken, daar neem ik geen genoegen mee. Ik kan dat niet loslaten (p. 155).

Ik wist dat [slachtoffer] thuis was. Ik heb ’s avonds een paar keer Facebook gecheckt op de telefoon. Ik wist ook dat [benadeelde 1] niet thuis was (p. 158).

Ik heb de ladder tegen de muur gezet en ben via de logeerkamer binnengekomen. [slachtoffer] schrok wakker omdat ze iets hoorde en toen is er een worsteling ontstaan tussen ons. Ik heb de deken op haar mond gedrukt dat ze niet zoveel lawaai meer maakte. Ik heb het dekbed over haar heen gegooid. Er ontstond een worsteling. We kwamen op het nachtkastje terecht. Het kan zijn dat ik ook een kussen gegrepen heb. Ik heb haar met twee handen bij de keel gepakt terwijl ze die deken nog half over het hoofd had. Dat heeft best wel een poosje geduurd. Toen is ze weer op adem gekomen en begon weer te slaan en te schoppen en toen heb ik haar weer bij de keel gepakt op dezelfde manier als de eerste keer. Ik trok voor de tweede keer mijn handen terug maar ze ging door me te slaan. Toen heb ik haar weer de keel dicht geknepen. Ze probeerde te schreeuwen maar omdat ik de keel dicht geknepen had ging dat haast niet. Ik hoorde dat ze heel zwaar ademde. Toen ze niet meer bewoog en niet meer ademde ben ik gestopt. Toen ze niet meer bewoog dacht ik dat ze dood was. (p. 180 t/m 186).

Ik werd zo aan de kant gezet en ik voelde mij gebruikt. Dat kon ik niet accepteren (p. 195).

Ik heb [slachtoffer] meteen bij de keel gepakt. Hand op de mond en proberen haar rustig te houden (p. 200).

In de rustmomenten tussen het knijpen van de keel in heb ik volgens mij niet de kamer verlaten. Toen ze niet meer ademde, ben ik naar beneden gegaan (p. 201).

Het zou kunnen dat ik om 02.00 uur weer terug was bij het huis van [slachtoffer]. Het zou kunnen dat de buurman om 02.20 uur een schreeuw van [slachtoffer] heeft gehoord. (p. 204). Het kan dat een buurman om 03.45 uur geluiden heeft gehoord alsof iemand onrustig rondloopt vanaf de achterkant van de ouderslaapkamer. U zegt mij dat gebleken is dat er een bericht dat naar [slachtoffer] verstuurd is, gelezen is om 03.50 uur. Ik kan zeggen dat ik iets op de tablet heb gelezen. Het kan zijn dat ik daar twee uur was (p. 205).

Verbalisant: Uit het onderzoek blijkt dat vanaf jouw notebook op 4 juli 2013 een website van een bedrijf genaamd [naam bedrijf] is bezocht. Dit bedrijf verhuurt onder andere ladders. Verdachte: dat zou kunnen. (p. 226).

Verbalisant: Waarom ben je op zoek naar een ladder?

Verdachte: Dat was de enige manier dat ik daar stil naar binnen kon gaan.

Verbalisant: Vanaf dag 1 dat je daar weggegaan bent, was je heel kwaad, toen heb je die kat daar weggehaald, maar in die periode ben je zo kwaad. Verdachte: ik ben die hele periode kwaad geweest, de hele tijd (p. 227).

Het proces-verbaal van verhoor, verklaring getuige [getuige 4], p. 335:

Vanmorgen, op 23 juli 2013 om 02.20 uur werd ik wakker van een geluid. Ik hoorde een schreeuw.

Het proces-verbaal van verhoor, verklaring getuige [getuige 5], p. 337, 339:

Wij zijn buren van [slachtoffer]. Op 23 juli 2013 tussen 03.40 en 03.45 uur hoorde ik geluiden vanaf de slaapkamer van de buren aan de achterzijde, alsof iemand aan het rondlopen was.

Het proces-verbaal van verhoor, verklaring getuige [getuige 6], p. 348, 349:

Op 23 juli 2013 in de vroege ochtend heb ik nog geappt met [slachtoffer]. Aan die berichtjes kun je zien dat zij mijn laatste bericht gezien heeft om 03.50 uur.

Een schriftelijk bescheid zijnde een fotokopie van de telefoon van [getuige 6] waarop het voorgaande te zien is, p.357.

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 54, 55:

Op 23 juli 2013 kregen wij verbalisanten een melding dat een persoon dood aangetroffen zou zijn in de woning. Het zou gaan om een moeder. Het betrof de woning aan de [adres 2]. Er bleek dat over dit adres de onderstaande afspraak was aangemaakt: “[slachtoffer] en [verdachte] zijn uit elkaar. Nu heeft [verdachte] een aantal bedreigingen geuit. [slachtoffer] is de hoofdbewoonster”.

Wij zijn naar de woning gegaan en hebben de woning betreden. Naast het bed in de slaapkamer zagen wij een vrouw op de grond liggen. Wij zagen dat er een plas bloed aan de rechterzijde naast haar hoofd lag. Ik, verbalisant[verbalisant], voelde geen hartslag. Wij zagen dat in de slaapkamer er op beide hoofdkussens die op het bed lagen sporen van bloed aanwezig waren.

Een schriftelijk bescheid zijnde een rapportage pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 1321,1324:

[slachtoffer] is overleden als gevolg van verstikking door bij leven opgelopen omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals en de mondbodem.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 368, 369:

Op 15 juni 2013 deed aangeefster aangifte, inhoudende:

Ik heb ongeveer 2,5 jaar een relatie gehad met [verdachte]. Afgelopen maandag heeft hij aangegeven onze relatie te willen beëindigen. Ik heb hiermee ingestemd. [verdachte] is toen weggegaan. Afgelopen dinsdag gaf hij al weer aan dat hij spijt had dat hij de relatie verbroken had. Hij wilde toch graag verder met de relatie. Toen ik aangaf dat ik de relatie niet wilde voortzetten, werd hij boos. Hij heeft mij toen gedreigd dat ‘er erge dingen zouden gebeuren als de relatie niet meer goed kwam’. Vandaag had ik met [verdachte] een gesprek in onze woning. [verdachte] wilde nog steeds met de relatie verder. Hij had spijt dat de relatie verbroken was. Nadat ik hem had verteld dat de relatie echt ten einde was en ik niet verder wilde met hem, werd hij weer boos. Hij bedreigde mij met de woorden: ‘ik zou maar niet meer thuis slapen. Het is nu oorlog’ of woorden van gelijke strekking. Deze bedreiging maakte mij bang. In het verleden heeft hij mij al eens geslagen. Ik werd bang dat hij opnieuw geweld tegen mij zou gaan gebruiken nu hij zag dat de relatie echt ten einde was.

Het proces-verbaal van verhoor, verklaring getuige[benadeelde 4], p. 429 t/m 432:

Ik ben de vader van [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft een relatie gehad met [verdachte]. [slachtoffer] vertelde mij dat [verdachte] na 14 juni 2013 haar begon lastig te vallen en te bedreigen. Hij belde haar en bedreigde haar dan met de dood. Als hij haar niet levend kon krijgen dan moest zij maar dood. Dit gebeurde via de telefoon en via de mail. Hij probeerde haar terug te krijgen. Op 9 juli 2013 heb ik [verdachte], nadat [slachtoffer] mij had gezegd dat zij niets meer van [verdachte] wilde, verteld dat het niets meer werd. Hij ging gelijk uit zijn dak. Hij veranderde van toon en zei dat hij mijn dochter wel wat aan zou doen. Mijn kleinzoon zou hij niets aan doen.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde 5], p. 449, 450:

[verdachte] heeft tegen [slachtoffer] gezegd: ‘als ik je niet kan krijgen, dan niemand niet’, ‘als ik je niet levend kan krijgen, dan maar dood. Het kan mij niet interesseren als ik vijftien jaar de bak in moet’. Dit heeft [slachtoffer] mij verteld.

Het proces-verbaal van verhoor, verklaring getuige [getuige 7], p. 484, 485:

[slachtoffer] verteld dat [verdachte] spijt kreeg dat de relatie verbroken was. Hij wilde haar terug. [slachtoffer] wilde dat niet. [verdachte] begon [slachtoffer] ook te bedreigen. Ik zou niet thuis slapen als ik jou was. Ik zou [benadeelde 1] maar vast naar zijn vader brengen als ik jou was. Hij had ook gezegd: Als ik jou niet krijg dan krijgt niemand je. Hij maakte haar echt bang. Dat niemand anders haar zou hebben en dat hij haar iets aan zou doen. [slachtoffer] was van [verdachte] en als hij haar niet levend kon hebben dan maar dood. Dat waren de woorden van [verdachte]. Hij heeft ook gezegd: ‘het interesseert me niet dat ik daarvoor de bak indraai om haar dood te hebben, dan ga ik daar wel 15 jaar voor zitten’. Ook dit werd mij door [slachtoffer] verteld.

Een proces-verbaal van bevindingen, p. 682, 683:

Op de notebook van verdachte zijn op 4 juli 2013 de volgende websites bezocht:

  • -

    [naam site];

  • -

    [naam site][naam site]

Een proces-verbaal van bevindingen, p. 1416:

Op 18 juli 2013 is op de notebook van verdachte op de website Google het volgende ingevoerd: ‘wielophanging + VW + Fox’ en ‘Volkswagen draagarm stuurkogel’.

Een proces-verbaal technisch onderzoek, p. 1233, 1235, 1241:

Op 15 augustus 2013 onderzochten wij de personenauto, Volkswagen Fox, van [slachtoffer]. Kort daarvoor werd de auto door een collega vanuit de garage van het bureau gereden naar een bij dit bureau behorende parkeerplaats die zich op enkele tientallen meters van de eerder genoemde garage. Tijdens die zeer korte rit werden geen bijzonderheden waargenomen. Korte tijd later werd deze personenauto door de rechthebbende vanaf die parkeerplaats linksaf gereden. Op enkele tientallen meters vanaf dat vertrekpunt raakte die auto onbestuurbaar.

Wij zagen dat de verbinding tussen de linker spoorstangkogel en de stuurarm van het linker voorwiel verbroken was. De bijbehorende bevestigingsmoer ontbrak. De Volkswagen is daardoor onbestuurbaar geworden. Dit defect kan normaal gesproken niet zijn veroorzaakt door onvoldoende onderhoud, omdat een goed gemonteerde zelfborgende bevestigingsmoer niet kan lostrillen.

Onze eindconclusie is dat er waarschijnlijk sprake is van het al dan niet opzettelijk losdraaien van de bevestigingsmoer omdat de bevestigingsmoer niet werd aangetroffen en er geen duidelijke beschadigingen op de genoemde conische delen van de kogelbout en de stuurarm en op de schroefdraad werden aangetroffen.

Het verwijderen of (gedeeltelijk) losdraaien van bedoelde bevestigingsmoer is mogelijk zonder het linker voorwiel te demonteren. Deze handeling kan plaats vinden als het voertuig op een normale wijze staat geparkeerd.

Dit losdraaien heeft vrijwel zeker plaats gevonden tussen 18 juni 2013 (APK-keuring) en 25 juli 2013 (datum van inbeslagname van deze Volkswagen). Tijdens een APK-keuring wordt bij de inspectie van de stuurinrichting speciale aandacht aan de bevestiging van de stuurkogel besteed. Een niet aanwezig, of vrijwel losgedraaide bevestigingsmoer zou onmiddellijk opvallen.

Het proces-verbaal van verhoor, verklaring getuige [getuige 1], p. 282 t/m 284, 286, 299, 301:

Tijdens het eten op 22 juli 2013 hebben we gesproken over een andere ex-vriendin van mij, waar nogal wat gezeur mee was. Dat is [betrokkene 1].[betrokkene 2] had ook gezeur met haar gehad. Volgens mij heeft [verdachte] het toen over zijn situatie gehad, dat het ook allemaal niet zo lekker ging. Hij heeft toen nog iemand op Marktplaats gebeld over een uitschuifladder of zo. [verdachte] zei: ik maak haar kapot dat kutwijf of zo. Dat was volgens mij nog voordat we naar [betrokkene 3] en[betrokkene 2] gingen. Volgens mij was dat bij mij achter het huis. [verdachte] zei: ‘ik ga er zo heen’. Hij wilde naar zijn ex-vriendin. [verdachte] wilde mijn auto mee hebben.

[verdachte] had een ladder nodig omdat hij zei dat er altijd een raam open staat bij zijn ex-vrouw in Zevenaar (p. 286).

Onder het eten vertelde [verdachte] over de problemen met zijn ex-vrouw. Hij zei: ‘ik ga er zo heen, ik maak haar kapot dat kutwijf’, of zoiets (p. 299).

Onderweg op de fiets naar [betrokkene 3] en[betrokkene 2] heeft [verdachte] nog gezegd ‘ik doe haar wat’ of woorden die daarop neer komen. Ik maak haar kapot dat kutwijf, iets in die geest. Ik heb gezegd: ‘doe niet zo dom, laat het toch zijn (p. 301).

Het proces-verbaal van verhoor, verklaring getuige [getuige 3], p.555, 556:

[verdachte] vertelde die avond dat hij naar zijn ex in Zevenaar wilde gaan. Eerst in de auto had hij gezegd dat hij er van baalde dat het over was. Dat vuile kutwijf. ’s Avonds belde hij voor een vouwladder. (p. 555).

[verdachte] zei dat hij wel wist hoe hij binnen zou komen en dat ze altijd het raam open had staan. [getuige 1] vroeg toen aan [verdachte]: ‘En als ze nu wakker wordt?’. Toen zei [verdachte]: ‘dan weet ik nog niet wat ik met haar ga doen’. [getuige 1] zei dat kun je beter niet doen. Ik weet wel zeker dat [verdachte] die avond heeft gezegd: Dan sla ik haar in elkaar. Met haar bedoelde hij die ex van [verdachte]. (p. 556).

1 De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

2 De bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

3 HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:16.